RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummers: 16/995212-06 vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 23 december 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] gevestigd te [woonplaats], [woonadres], ter zitting vertegenwoordigd door [medeverdachte 1], raadsman: mrs. D.J.P. van Omme en C.J. van Bavel 1. Onderzoek van de zaak De zaak is behandeld op de terechtzitting van 29 mei 2009, 16 november 2009, 17 november 2009, 19 november 2009 en 9 december 2009, waarbij de officieren van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2. De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met (een) ander(
(66)waren voorzien van een wrijvingsontsteker. De vuurpijl was niet voorzien van een stok voor vluchtstabilisatie en de lading van 14 lawinepijlen bestond niet uitsluitend uit zwart buskruit. In de opsomming van het vuurwerk onder feit 2 worden naast het reeds genoemde vuurwerk ook nitraatbommen en vlinderbommen genoemd. De tenlastelegging vermeldt echter niet welke omstandigheid maakte dat dit vuurwerk niet voldeed aan het Vuurwerkbesluit en/of de RNEV 2004, zodat de rechtbank alleen al om die reden verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken. Door de verdediging is aangevoerd dat in de tenlastelegging een totaalgewicht van 4104 kilogram vuurwerk wordt genoemd, maar dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende partijen vuurwerk, terwijl slechts een klein deel van die 4104 kilogram niet voldeed aan de regelgeving. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de in de tenlastelegging genoemde 4104 kg consumentenvuurwerk blijkens het proces-verbaal van inbeslagname het vuurwerk betreft dat is aangetroffen op de [adres], te weten 40 dozen U10 Wild Cat en 105 dozen U20 Black Cat, en het vuurwerk aangetroffen op de [woonadres], te weten 110 dozen U10 Wild Cat en 39 dozen U20 Black Cat, totaal 294 dozen. Daarnaast vermeldt de tenlastelegging nog de rookballen, Thundering King, vuurpijlen, lawinepijlen en strijkers, die zoals ook hiervoor is uitgewerkt, niet voldeden aan de regelgeving. Het totale gewicht van het vuurwerk genoemd in de tenlastelegging overtreft derhalve de 4104 kilogram. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de steekproefsgewijze controle op de aanwezigheid van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ten aanzien van de vuurpijlen niet representatief is en derhalve niet als bewijs kan dienen dat deze vuurpijlen niet voldeden aan het Vuurwerkbesluit. De rechtbank overweegt hieromtrent dat wat hier ook van zij, uit het proces-verbaal volgt dat het merendeel van de vuurpijlen niet was voorzien van een Nederlandse gebruiksaanwijzing, hetgeen inhoudt dat zich in de gecontroleerde vuurwerkpakketten kennelijk vuurpijlen bevonden die wel waren voorzien van zo’n gebruiksaanwijzing. Dit maakt dat niet tot een bewezenverklaring kan komen dat de gehele partij van 294 dozen niet voldeed aan de eisen van het Vuurwerkbesluit. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de constatering van verbalisant [verbalisant] ten aanzien van het ontbreken van de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ernstig in twijfel dient te worden getrokken, nu [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard zich niets te kunnen herinneren van het ontbreken van zo’n gebruiksaanwijzing. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van inbeslagneming blijkt dat [betrokkene 1], als handhaver van de provincie Utrecht, is ingeschakeld naar aanleiding van de onduidelijkheid over de transportgevarenklasse van de dozen Wild Cat en Black Cat. Op deze dozen bevonden zich immers zowel stickers met het opschrift 1.4G als stickers met 1.3G. [betrokkene 1] arriveerde op een later moment en diende zich uit te laten over de classificatie van het vuurwerk en niet, zoals blijkt uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris, over de af- of aanwezigheid van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing. De omstandigheid dat [betrokkene 1] zich hierover niets kan herinneren is derhalve geen aanleiding voor de rechtbank te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verbalisant [verbalisant]. Ook het ontbreken van de vermelding van de afmetingen van het vuurwerk in het proces-verbaal -op basis waarvan kan worden uitgesloten of de uitzonderingsgrond van artikel 2.1.3 lid 2 van het Vuurwerkbesluit van toepassing is- maakt dit niet anders, nu verbalisant als technisch specialist in vuurwerk op ambtseed heeft verklaard dat het vuurwerk niet voldeed aan het Vuurwerkbesluit. De ter zitting getoonde vuurwerkpijl, als onderbouwing van de stelling dat sprake was van kleine vuurwerkartikelen, waardoor wel sprake is van de uitzonderingssituatie van lid 2, maakt dit niet anders. Niet is immers komen vast te staan dat de getoonde vuurwerkpijlen van hetzelfde soort en van dezelfde afmetingen zijn als de genoemde U10 Wild Cat en U20 Black Cat assortment. De hieromtrent gevoerde verweren worden dan ook verworpen. Tenslotte is door de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het ontbreken van de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing. Hij krijgt deze partijen geleverd uit China en kan onmogelijk alle artikel zelfstandig controleren. Bovendien stelt hij altijd al belangrijke eis dat het vuurwerk tevens voorzien is van een Nederlandse gebruiksaanwijzing, waardoor verdachte ook niet redelijkerwijs de kans heeft aanvaard dat het vuurwerk geen Nederlandse gebruiksaanwijzing zou bevatten. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte in het geheel niet de haar geleverde goederen controleert op de gestelde eisen in de diverse regelingen met betrekking tot vuurwerk. De rechtbank overweegt voorts het volgende. Verdachte is een vuurwerkhandelaar met, zoals namens haarzelf aangegeven ter terechtzitting, een grote kennis van zaken. In die hoedanigheid had zij de plicht om te controleren of de haar geleverde artikelen voldeden aan de Nederlandse regelgeving. Dit controleren had op zijn minst een representatieve monsterneming van het geleverde vuurwerk dienen te omvatten. Nu hij dat niet heeft gedaan heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuurwerk niet voldeed aan de Nederlandse regelgeving. 4.
- De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zij op 13 december 2006 te Veenendaal, opzettelijk, een (grote) hoeveelheid consumentenvuurwerk voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers ten aanzien van (de aangetroffen): Wild Cat Assortment en Black Cat Assortment vuurwerkpakketten (vuurpijl(en)) en/of dozen rookballen en/of Thundering King kogelbommen en/of één vuur pijl en/of lawinepijlen en/of strijkers, -waren voornoemde Wild Cat Assortment en Black Cat Assortiment vuurwerkpakketten (vuurpijlen), niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing (met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan) en - bestond de lading van voornoemde lawinepijlen niet uit uitsluitend zwart buskruit en - was die vuurpijl niet voorzien van een stok voor vluchtstabilisatie en -waren die Thunder King Kogelbommen herlaadbaar vuurwerk en -waren die strijkers voorzien van een wrijvingsonsteking enf -waren die rookballen vuurwerk dat als hoofdeffect het genereren en verspreiden van rook heeft. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
- De strafbaarheid 5.
- De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 (oud), eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon 5.
- De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
- De strafoplegging 6.
- De vordering van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen en heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 45.000,= en een onvoorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 3 maanden. 6.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat, indien het al tot een stillegging van de onderneming zou moeten komen, die geheel voorwaardelijk op te leggen. Daarbij heeft hij gewezen op de oudheid van de zaak, het beperkte strafblad van verdachte en veroordelingen in vergelijkbare zaken. 6.
- Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden. Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat zij een aanzienlijke hoeveelheid consumentenvuurwerk voorhanden heeft gehad dat niet voldeed aan de Nederlandse vuurwerkvoorschriften. Gezien het feit dat dit vuurwerk in Veenendaal was opgeslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat het was bestemd voor de Nederlandse markt. Verdachte was naar eigen zeggen goed op de hoogte van de geldende regelgeving. Het belang van deze regelgeving en de grote risico’s die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van vuurwerk dat niet aan de regels voldoet, mag inmiddels bij een ieder bekend worden verondersteld. Van verdachte in het bijzonder, als één van de grootste vuurwerkhandelaren van Nederland, mag worden verwacht dat zij de Nederlandse vuurwerkvoorschriften nauwgezet naleeft. Door te handelen als bewezen verklaard, heeft verdachte een onaanvaardbaar risico in het leven geroepen voor de veiligheid van anderen. Verdachte heeft haar eigen financieel gewin gesteld boven haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Uit het dossier is het beeld ontstaan dat verdachte het in het algemeen niet zo nauw nam met de regels betreffende vuurwerk. Dit beeld wordt onderschreven door het strafblad van verdachte, waarop een aanzienlijk aantal veroordelingen en betaalde transacties staan, die aan het overtreden van de Nederlandse vuurwerkvoorschriften gerelateerd kunnen worden. De rechtbank stelt voorts vast dat bij vonnis van heden de feitelijk bestuurder van verdachte is veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan voormelde gedraging. Genoemde bestuurder is nog steeds werkzaam bij verdachte. Het bewezen verklaarde was voor verdachte ongetwijfeld ook lucratief. De rechtbank acht het risico op herhaling van dit of soortgelijke strafbare feiten dan ook reëel. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat, naast een voor dit feit op te leggen geldboete, vanuit het oogpunt van preventie oplegging van de bijkomende straf van voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van een maand passend en geboden is. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte nog meegewogen dat het bewezen verklaarde geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank het bewezen verklaarde feit als ernstig beschouwt, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, het onder 1 tenlastegelegde feit en daarmee een aanzienlijk gedeelte van de tenlastelegging, niet bewezen acht.
- De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 23, en 51 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a (oud) 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten, op de artikelen 2.1.3 van de het Vuurwerkbesluit en de artikelen 5 en 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
- De beslissing De rechtbank: Voorvragen - verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde feit voor zover het in Duitsland zou zijn begaan; - verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk; Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 (oud), eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 15.000,= - beveelt de gehele stillegging van de onderneming van verdachte voor de duur van 1 maand; - beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2009.