vonnis RECHTBANK UTRECHT 249507 / HA ZA 08-105310 februari 2010 Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 249507 / HA ZA 08-1053 Vonnis van 10 februari 2010 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. M.J.J. de Ridder, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. L.A.M. van Kippersluis. Partijen zullen hierna [eiser] en[gedaagde] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: •het tussenvonnis van 15 oktober 2008, waarin de comparitie van partijen is gelast; •het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 5 maart 2009; •de zaak is vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Op 13 februari 2003 bezocht [eiser] wegens klachten van verminderd zien het spreekuur van [gedaagde], destijds als oogarts praktijkhoudende in het Oogcentrum Houten te Houten.[gedaagde] adviseerde een afwachtend beleid, waarbij met [eiser] werd afgesproken dat hij over 6 maanden terug zou komen voor controle. 2.2. Op 27 mei 2003 bezocht [eiser] opnieuw de praktijk van[gedaagde]. [eiser] heeft na dit bezoek aan[gedaagde] zelf contact opgenomen met de polikliniek oogheelkunde van het UMCU en een afspraak gemaakt voor 14 oktober 2003. 2.3. Op 14 oktober 2003 bezocht [eiser] de afdeling Oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht (UMCU). Daar werd een ernstige verslechtering van de gezichtsscherpte geconstateerd van het rechteroog van [eiser] tot 1/60ste, terwijl de gezichtsscherpte links verslechterd was tot 0,6. Er werden, behalve de verminderde gezichtsscherpte en een moedervlek in het linker vaatvlies aan de ogen, verder geen afwijkingen gevonden. Aanvullend onderzoek werd afgesproken in de vorm van onder meer een gezichtsveldonderzoek. 2.4. Het gezichtsveldonderzoek werd bij [eiser] uitgevoerd op 16 oktober 2003, en dat leidde tot een vervolgonderzoek op de polikliniek Neurologie op 24 oktober 2003. 2.5. Op 28 oktober 2003 zou een MRI scan van de hersenen worden uitgevoerd. Op 27 oktober 2003 trad er echter een acute volledige uitval van het gezichtsvermogen op. Een met spoed uitgevoerde CT-scan toonde een grote afwijking in het gebied van de hypofyse en [eiser] werd met spoed geopereerd, waarbij een subtotale resectie van een hypofysetumor kon worden bewerkstelligd. Pathologisch-anatomisch onderzoek van het bij de operatie verwijderde materiaal wees op een niet functionerende hypofysetumor met uitgebreide bloeding en weefselverval (apoplexie). Later werd nog een heroperatie verricht. 2.6. Na de operatieve ingrepen bleek [eiser] volledig blind aan beide ogen. 2.7. De door de rechtbank benoemde deskundige oogarts P.T.V.M. de Jong (hierna te noemen: De Jong) heeft in zijn rapport van 26 februari 2006 op de vraag hoe hij het handelen van [gedaagde] beoordeelt onder meer het volgende geantwoord (pagina 8 en volgende): Voorzover ik uit het consult en de naderhand verkregen aanvullende gegevens van [gedaagde] heb kunnen opmaken, heeft hij adequaat gehandeld tijdens het consult van 13 februari 2003. [eiser] was al jaren bekend met een lichte daling van de gezichtsscherpte. Uit de brief van [X], werkend bij [Y] Opticien, bleek dat in 1998 de gezichtsscherpte rechts 80% en links 75% bedroeg. Vijf jaar laten was hij rechts 60% en links 80%. Over de loop van de dag kan de gezichtsscherpte een beetje veranderen en de verschillen die hier worden aangegeven behelzen in principe niet meer dan enkele letters van één regel hoger of lager op de letterkaart wel of niet kunnen lezen. [gedaagde] heeft blijkens de kopie van zijn status zorgvuldig gekeken of hij de gezichtsscherpte kon verbeteren met brillenglazen. De pupillen zijn verwijd en hij heeft beschreven dat er lichte afwijkingen in de reflex van het centrum van het netvlies aanwezig waren. De papillen zijn nauwkeurig en goed beschreven en ze zagen er normaal uit. Hij heeft daarna nog accommodatieverlammende druppels gegeven om te kijken of er toch nog een sterkere brillenglasafwijking aanwezig zou zijn, wanneer de accommodatie verlamd werd. Dit was niet het geval. Men moet ervoor oppassen om, achteraf gezien, allerlei zaken te gaan invullen die hadden kunnen gebeuren. (…) Het enige wat [gedaagde] in 2003 aanvullend normaliter in zijn praktijk had kunnen doen, was het beoordelen van de pupilreacties en het verrichten van een confrontatief gezichtsveldonderzoek, ook wel gezichtsveldonderzoek volgens Donders genaamd. (…) Ik mis bij de gegevens van 27 mei 2003 de gezichtsscherpte van beide ogen. Ook toen werden de papillen en het netvlies weer bekeken en beschreven. Nu werd er opgemerkt dat bij spleetlamponderzoek in beide lenzen fijne troebelingen aanwezig waren. (…) In de optimale situatie zou [gedaagde] tijdens de consulten van 13 februari en 27 mei 2003 naar de pupilreacties hebben gekeken en een zogenaamd confrontatief gezichtsveldonderzoek hebben gedaan. Verder was het achteraf gezien beter geweest, maar toen niet duidelijk geïndiceerd, dat hij [eiser] wegens een onbegrepen, mogelijke daling van de gezichtsscherpte, naar een academisch centrum had verwezen. De bestudering van de pupilreacties en het confrontatieve gezichtsveld zou ik in de niet-academische, oogheelkundige praktijk geen routinematige handeling noemen. (…) Had [gedaagde] die onderzoeken tijdens de consulten van 13 februari en 27 mei 2003 verricht, dan zou daar waarschijnlijk niets uit voort gekomen zijn. Immers, in de brief van 4-12-2003 van Sonnenberg, assistent neuroloog in het UMCU (…) staat dat op 24-10-2003 de lichtreacties van de ogen normaal waren zonder afferent pupildefect. De proef van Donders was ongestoord. Mijn conclusie is dus dat [gedaagde] in het allerbeste geval twee onderzoeken extra had kunnen verrichten tijdens die consulten. Had hij dat echter gedaan, dan hadden die zeer waarschijnlijk toen ook niet de gewenste informatie opgeleverd, waaruit hij zou moeten hebben concluderen dat spoedverwijzing noodzakelijk was.Het ontbreken van een notitie over de gezichtsscherpte maakt het moeilijk voor mij te beoordelen of doorverwijzing op grond van daling van gezichtsscherpte geïndiceerd was. Anderzijds is het moeilijk voor mij voor te stellen dat de gezichtsscherpte niet opgenomen is als een patiënt met klachten daarover komt, terwijl er wel weer beschreven wordt hoe de lenzen van de papillen onderzocht zijn. 2.8. Op de vraag hoe groot de kans is dat een patiënt als gevolg van een hypofysetumor blind raakt, antwoordt De Jong: De kans dat een ongeveer 40-jarige patiënt die een oogarts bezoekt en die niet bekend is met een hypofysetumor, blind wordt door een niet-hormoonafscheidende tumor kan men globaal berekenen door de prevalentie van de tumoren te vermenigvuldigen met de gemiddelde kansen volgens de literatuur op een apoplexie van een tumor en op blindheid na een apoplexie. Volgens deze berekening kom ik dan uit op een kans van 5 x 10-7 of wel 1 persoon op de 2 miljoen mensen. 2.9. Op de vraag of het voor kans op het ontwikkelen van blindheid uitmaakt of de tumor eerder wordt ontdekt, antwoordt hij (op pagina 10 van zijn rapport) als volgt: Hoe eerder de hypofysetumor ontdekt wordt hoe eerder men gaat behandelen. Een aantal patiënten met een hypofysetumor wordt niet direct geopereerd. Men probeert dan eerst met medicamenteuze therapie de groei van de tumor af te remmen. Heel weinig mensen (…) worden helemaal blind door een hypofysetumor. De belangrijkste oorzaak van blindheid lijkt het optreden van apoplexie te zijn in de tumor. Het risico voor een apoplexie wordt getalsmatig het sterkst vergroot door de aanwezigheid van hoge bloeddruk (27%) en grote voorafgaande operaties (11%). Er blijken mij uit de literatuur geen voorspellende tekenen voor het optreden van een apoplexie. Bij mensen zonder hoge bloeddruk of grote operaties blijft een apoplexie dus eigenlijk altijd een zeer onfortuinlijk maar toevallig incident. (…)Met deze kanttekeningen denk ik te kunnen stellen dat eerder ontdekken van de tumor de kans op apoplexie en dus blindheid alleen dan duidelijk verkleint wanneer de tumor vóór het optreden van de apoplexie al geopereerd is. 2.10. Op de vraag in hoeverre het waarschijnlijk is dat [eiser] ook blind zou zijn geworden indien de tumor medio februari respectievelijk mei 2003 was ontdekt, antwoordt hij als volgt: [eiser] is eigenlijk blind geworden door het optreden van de apoplexie, zeer ongelukkig net de dag voor het MRI-onderzoek was afgesproken waarop de tumor ontdekt zou zijn. Was er geen apoplexie van de hypofysetumor opgetreden dat zou de kans dat hij blind was geworden kleiner dan 1% zijn. Operatie voor een hypofysetumor is maar zelden een spoedindicatie; meestal wel bij apoplexie, (maar ook daar verschillen de meningen over). Een apoplexie lijkt dus nauwelijks te voorspellen. Was de tumor in februari of mei 2003 ontdekt, en was [eiser] daaraan geopereerd voor 27-10-2003, dan lijkt het waarschijnlijk dat hij met 99% zekerheid enig zicht had behouden, hierbij voorbijgaand aan eventuele operatiecomplicaties. 2.11. In een aanvulling op zijn deskundigenrapport schrijft De Jong op 19 maart 2007 als antwoord op de vraag in hoeverre een verwijzing van een perifere oogarts naar een multidisciplinair team op 27 mei 2003 ertoe zou hebben geleid dat de hypofysetumor eerder dan 10 oktober 2003 zou zijn vastgesteld: Had een disciplinair team eerder de diagnose gesteld en was daar snel operatief ingegrepen, dan had [eiser] met 99% zekerheid enig zicht behouden. Gezien het feit dat de oogheelkundige assistent in het Academisch Ziekenhuis Utrecht de diagnose aanvankelijk niet stelde, gezien de wachttijd voor de beeldvormende diagnostiek, evenals de vaak lange wachttijden voor ingrepen aan hypofysetumoren, blijft het gissen of [eiser] dan voor 27 oktober 2003 geopereerd zou zijn, met een betere visuele prognose. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.