VONNIS RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/601174-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 februari 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1991] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]. raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak van verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: Primair: heeft geprobeerd, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 1] te doden door hem in het gezicht of tegen het lichaam te slaan en tegen het hoofd te schoppen. Subsidiair: deel uit heeft gemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], waarbij verdachte [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feit 2: deel uit heeft gemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door hen te duwen, te schoppen en te trappen, het geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 2] en het slaan en stompen van die [slachtoffer 3]. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde feit, te weten poging doodslag, heeft begaan. Zij stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] een trap tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gegeven. Daarnaast kan niet bewezen worden dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] en degene die wel tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt, te weten [medeverdachte 1]. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit geldt eveneens dat het strafverzwarende deel, te weten het veroorzaken van enig lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1], niet bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat alleen [verdachte] het letsel van [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt, waardoor [verdachte] van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden. De officier van justitie is van mening dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zonder de strafverzwarende omstandigheid, en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij voor beide feiten op de verklaringen afgelegd bij de politie door [verdachte],[medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [slachtoffer 3], [getuige 1] en [getuige 2]. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bij openlijke geweldpleging gaat om het leveren van voldoende wezenlijke bijdrage aan het geweld van de groep. Daarbij is niet noodzakelijk dat het individu zelf alle geweldshandelingen heeft verricht. Tevens is niet noodzakelijk dat de handelingen die de wezenlijke bijdrage aan het geweld vormen zijn opgenomen in de tenlastelegging. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij de boel wilde sussen en dat hij daarbij geduwd heeft tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]. Uit de overige verklaringen in het dossier blijkt echter dat [verdachte] zelf ook agressief was, achter [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] is aangelopen de steeg in en dat hij hierbij ook geweldshandelingen heeft verricht. [verdachte] heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld gepleegd door de groep en is derhalve medeverantwoordelijk voor het geweld dat door de groep is toegepast tegen [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Er is onvoldoende wettig bewijs voor handen dat [verdachte] verantwoordelijk moet worden gehouden voor het letsel van [slachtoffer 1]. Er is slechts 1 getuige, [getuige 3], die heeft verklaard dat [verdachte] de trap in het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gegeven. In een latere verklaring is [getuige 3] niet meer overtuigd dat [verdachte] die trap in het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gegeven. De verdediging verzoekt derhalve vrijspraak op dit punt. Ten aanzien van feit 1 subsidiair stelt de verdediging dat [verdachte] geprobeerd heeft de ruziënde partijen uit elkaar te houden. Uit de verschillende verklaringen blijkt dat hij dit op een manier heeft gedaan die agressief kan overkomen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair. [verdachte] dient echter partieel vrijgesproken te worden van de strafverzwarende omstandigheid, aangezien niet is vast te stellen dat het letsel bij [slachtoffer 1] enkel door hem is veroorzaakt. De verdediging refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. De verdediging is echter van mening dat de kopstoot aan [slachtoffer 2] een op zichzelf staande gebeurtenis is die los moet worden gezien van het incident. Op dat punt verzoekt de verdediging partiële vrijspraak. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het subsidiair onder 1, zonder de strafverzwarende omstandigheid, en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden. Slotlaan Op 31 oktober 2009 komen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en zijn vriendin [getuige 1] en [getuige 2] (hierna te noemen respectievelijk [getuige 1] en [getuige 2]) uit discotheek ‘Club New’ te Zeist. Voor hen lopen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] (hierna te noemen respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]). Op de Slotlaan passeert deze groep [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. [medeverdachte 1] loopt expres tegen [slachtoffer 3] aan om een beetje stoer te doen. Er ontstaat een woordenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] anderzijds, waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] schelden. [medeverdachte 1] geeft een duw in het gezicht van [slachtoffer 1]. [medeverdachte 1] en [verdachte] duwen samen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], waarbij [verdachte] de nek of kraag van [slachtoffer 1] vastpakt. [getuige 2] ziet dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] door [medeverdachte 1] en [verdachte] worden geslagen. Vervolgens krijgt [slachtoffer 3] een duw van [medeverdachte 2] omdat [slachtoffer 3] tegen de vriendin van [medeverdachte 2] zegt dat ze haar vrienden rustig moet houden. Door de duw van [medeverdachte 2] valt [slachtoffer 3] op de grond. Terwijl [slachtoffer 3] op de grond ligt, voelt hij dat hij een schop in zijn maag krijgt van één van die jongens. Het werd even wat rustiger, waarna [slachtoffer 2] bij de groep komt staan. [medeverdachte 1] geeft [slachtoffer 2] vervolgens een kopstoot. Jufferstraat Hierna lopen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] weg van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] in de richting van een steeg gelegen aan de Jufferstraat. [verdachte] en [medeverdachte 2] lopen achter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aan de steeg in. [medeverdachte 1] loopt daar nog achteraan. [medeverdachte 3] komt aanfietsen die ook de steeg inloopt. [verdachte] en [medeverdachte 2] duwen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] achteruit. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] worden gedwongen om tegen een metalen garagedeur te staan. Er wordt over en weer geschreeuwd, geduwd en getrokken. [medeverdachte 1] ziet dat [verdachte] met de vuist een klap in het gezicht van [slachtoffer 1] geeft. [medeverdachte 3] schopt tegen het been van [slachtoffer 3]. [medeverdachte 1] ziet onder andere dat [medeverdachte 3] met zijn vuist op het lichaam van [slachtoffer 3] slaat. [slachtoffer 3] is geslagen door twee jongens en heeft gezien dat [slachtoffer 1] klappen kreeg van de rest van de groep. [medeverdachte 1] komt daarna op de groep afgerend en springt op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beschrijven deze sprong door de lucht als een ‘flying kick’. Hierdoor draait [slachtoffer 1] 360 graden om zijn as en hij valt op de grond. Als [slachtoffer 1] omhoog wil komen, geeft [medeverdachte 1] met zijn geschoeide rechtervoet een trap op het hoofd van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] valt direct weer neer op de grond, waar hij ook blijft liggen. [medeverdachte 1] loopt weg en wordt gevolgd door [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [slachtoffer 1] is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis blijkt dat het letsel van [slachtoffer 1] bestaat uit een forse zwelling/bloeduitstorting bij het linker ooglid, een breuk in zijn linker oogkas, een schedelbasisfractuur aan de rechterkant van zijn hoofd en een zware hersenkneuzing. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat van [verdachte] heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven. Uit de verklaringen in het dossier blijkt niet dat de [verdachte] tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt of geschopt. Evenmin is gebleken van een gezamenlijk plan van [verdachte] en de medeverdachten gericht op de dood van [slachtoffer 1]. De rechtbank zal [verdachte] dan ook van het primair onder 1 ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag, vrijspreken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 [verdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] geduwd heeft. [verdachte] zegt dit gedaan te hebben om partijen uit elkaar te willen houden en om de boel te sussen. Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 3], [getuige 2] en [medeverdachte 1], waaruit blijkt dat [verdachte] geduwd en geslagen heeft richting [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] op dit punt niet geloofwaardig. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, dat gepleegd is door de groep tegen [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een groep vormde die geweldshandelingen heeft verricht tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Ten aanzien van feit 1 subsidiair overweegt de rechtbank dat niet bewezen is dat [verdachte] tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt of geschopt, zoals reeds hierboven is overwogen bij feit 1 primair. De rechtbank zal verdachte derhalve partieel vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid in de tenlastelegging, te weten het veroorzaken van enig lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1]. Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat de kopstoot richting [slachtoffer 2] geen losstaand incident is, maar deel uit maakt van de geweldshandelingen van de groep als geheel, zodat [verdachte] ook daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de raadsman. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat [verdachte] of een van de medeverdachten geduwd of getrokken heeft aan het lichaam van [slachtoffer 2], zodat [verdachte] daarvan zal worden vrijgesproken. Voor het overige is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan openlijke geweldpleging gericht tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.