RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/992031-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 maart 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1978] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres]; raadsman mr. C.W. Flokstra, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte er met een ander of anderen feitelijk leiding aan heeft gegeven dat [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006 te Mijdrecht met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door facturen op te maken van schijntransacties tussen de op de facturen vermelde ondernemingen om zo BTW-fraude mogelijk te maken. Subsidiair komt de verdenking er op neer dat verdachte deze valsheid in geschrifte zelf met een ander of anderen heeft gepleegd. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen zoals verwoord in haar requisitoir. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verklaringen die verdachte op 7 oktober 2008 heeft afgelegd, dienen te worden uitgesloten van bewijs, nu verdachte voorafgaand aan het politieverhoor niet is gewezen op zijn recht op consultatie door een advocaat, zoals volgt uit artikel 6 EVRM. Volgens de raadsman is er onvoldoende bewijs dat verdachte valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Bovendien ontbrak bij verdachte de opzet hiertoe. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsoverwegingen Aan verdachte wordt –kort gezegd– verweten dat hij leiding heeft gegeven, danwel heeft meegewerkt aan het opzetten van schijntransacties door het maken van valse facturen, terwijl er geen sprake was van een koopovereenkomst, noch van een intentie tot levering van goederen. Het enige doel van de facturen zou zijn het plegen van BTW-fraude. Deze BTW-fraude wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Bij een dergelijke fraude zijn verschillende vennootschappen in meerdere landen betrokken en het betreft vaak hoogwaardige technologische producten zoals mobiele telefoons of Computer Processing Units (CPU’s). Deze goederen worden voortdurend doorgeleverd binnen een groep van vennootschappen, waarbij wel BTW wordt teruggevraagd maar niet wordt afgedragen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het geldende intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meerdere malen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. De winst, dat wil zeggen de niet afgedragen maar wel teruggevorderde BTW, wordt over de schakels verdeeld. Er wordt dus een fictieve handelsstroom gecreëerd; er wordt niet echt gehandeld. Immers de in- en verkooptransacties en transactievoorwaarden komen niet op een markt tot stand, maar op aanwijzing van een centraal figuur binnen de carrousel. Opgemerkt zij voorts dat geen vereiste is dat BTW-fraude dient te worden aangetoond om tot een veroordeling van valsheid in geschrifte te kunnen komen. Beoordeeld dient te worden of de tenlastegelegde facturen valselijk zijn opgemaakt. Of BTW-fraude daadwerkelijk is gepleegd hoeft niet te worden vastgesteld. De rechtbank dient zich te buigen over de vragen of er in de onderhavige zaak sprake is van schijnconstructies en daarmee het opzettelijk opmaken van valse facturen en voorts of verdachte daar feitelijk leiding aan heeft gegeven of zich daaraan zelf heeft schuldig gemaakt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt: De verdachte verklaart onder andere tijdens zijn verhoor op 07 oktober 2007 dat hij in 2005 op uitnodiging van medeverdachte [medeverdachte ] in Dubai ging werken voor een bedrijf dat handelde in mobiele telefoons. Verdachte deed hier samen met [medeverdachte ] de boekhouding en daar heeft hij eigenlijk allemaal geleerd. Later heeft verdachte zich op verzoek van [medeverdachte ] laten inschrijven als directeur van het bedrijf [bedrijf 1] in Nederland, dat eveneens handelde in elektronica. Van dit bedrijf was [medeverdachte ] eerder directeur geweest. Over de werkwijze van [bedrijf 1] verklaart verdachte onder meer: “Zonder dat wij als [bedrijf 1] met leveranciers onderhandelden, kregen wij via MSN door wat wij van hen hadden gekocht. Van kopen was eigenlijk helemaal geen sprake. Van deze leveranciers kregen wij ook door aan wie wij de verkoopfactuur moesten uitmaken en voor welke stuksprijs wij dat moesten doen. Vervolgens hebben wij een Purchase Order gemaakt aan onze leverancier en kregen wij daarna van hen de facturen.” Verdachte verklaart niet te weten hoe de afnemers aan de gegevens op de Purchase Order kwamen, maar dat deze gegevens in ieder geval niet van hem afkomstig waren. De werkzaamheden, het opmaken van de facturen, verrichtte verdachte samen met [medeverdachte ] en de broer van verdachte, [X]. Verdachte verklaart verder dat hij op aanraden van de mensen uit Dubai een rekening heeft geopend bij de [bedrijf 2] (FCIB) en dat hij de toegangcode’s tot de bankrekening –desgevraagd– heeft doorgegeven aan een persoon in Dubai. Verdachte kreeg uit Dubai instructies om verkoopfacturen op te maken aan de hand van de proforma facturen, welke werden toegezonden vanuit Dubai. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte voorafgaand aan zijn verhoor door de opsporingsambtenaren niet is gewezen op zijn recht op consultatie door een advocaat. In de loop van het onderzoek heeft verdachte wel bijstand van een advocaat gekregen. Desalniettemin heeft verdachte zijn eerdere verklaringen niet ingetrokken of gewijzigd. Ter zitting heeft verdachte erkend dat bovenstaande is gegaan zoals hij tijdens het verhoor van 7 oktober 2007 heeft verklaard. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om bedoelde verklaringen uit te sluiten van bewijs. Het verweer van de raadsman daartoe wordt dan ook verworpen. Verdachte verklaart ter zitting dat hij de instructies voor de facturen in de tenlastelegging via MSN ontving en hij deze facturen heeft opgemaakt. Deze facturen betreffen zendingen, die in de diverse processen-verbaal worden aangeduid als de zendingen 1, 2, 5, 10, 12 en 14, waarbij wordt verwezen naar diverse documenten welke als bijlagen in het dossier zijn gevoegd. Deze zendingen waren allemaal afkomstig uit Engeland. Bij de zendingen is sprake van ongerijmdheden. Zo worden er telefoons vervoerd naar afnemers, terwijl er nog niet is gefactureerd naar en/of is betaald door de afnemers. Dit wijst erop dat van meet af aan al bepaald is welke route de goederen zullen afleggen. Bovendien worden 23 dozen CPU’s (zending 5) binnen zeer korte tijd tweemaal aangekocht en doorverkocht door [naam], voor telkens exact dezelfde prijs. De betalingsopdrachten voor deze zendingen worden gegeven vanaf een IP-adres in Dubai. Opvallend is dat vanaf dit zelfde IP-adres eveneens betalingsopdrachten worden gegeven voor het bedrijf MacDelta en voor Broadcast Ltd, die vaak partijen zijn in de verkoopketens van deze zendingen. Deze stukken geven het beeld van afgestemde geld-, goederen- en factuurstromen die met daadwerkelijke handel niets van doen hebben. Nergens blijkt de intentie om de goederen op de markt te brengen. De rechtbank valt met betrekking tot de werkwijze van [naam] de volgende ongerijmdheden op. Opvallend is dat uit het overzicht van de goederenbeweging blijkt dat de data en volgnummers van de verkoopfacturen niet gelijk oplopen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze facturen achteraf zijn opgemaakt. Verdachte heeft ter zitting hiervoor geen verklaring gegeven. Verdachte heeft voorts ter zitting verklaard dat er namens [naam] nooit werd onderhandeld over de prijs van de gekochte en verkochte goederen. Geconfronteerd met de grote omzet van [naam] in de eerste maand dat verdachte directeur was en de verbazing van de boekhouder daarover kon verdachte geen plausibele verklaring geven. Evenmin kon verdachte verklaren waarom alle betalingsopdrachten van [naam] van haar rekening bij de FCIB werden gedaan vanuit Dubai. Ook kon verdachte niet aangeven wie in Dubai opdracht gaf tot de betalingen, waarom hijzelf als directeur of de andere medewerkers van GSM-[naam] geen opdrachten gaf tot in- en verkoop van goederen en wie die opdrachten dan wel gaf. Desgevraagd verklaarde verdachte alleen dat hij “iemand” in Dubai de codes tot de bankrekening had gegeven. Voorts kon verdachte geen namen geven van “de mensen” in Dubai met wie hij eerder had gewerkt, noch namen van leveranciers en afnemers met wie hij contact had. Ook kon verdachte geen heldere verklaring geven voor het rondpompen van elektronica en geld door Europa, waarvan niet is gebleken dat dit gericht was op het op de markt brengen van goederen. Al deze ongerijmdheden behoeven een verklaring, welke verdachte niet heeft gegeven. Daarbij komt dat verdachte op 8 oktober 2008 verklaart dat hij vanaf begin 2006 op de hoogte was van het feit dat er in Engeland wat aan de hand was met betrekking tot BTW/VAT-(carrousel)fraude en dat men maatregelen nam, maar dat hij verder geen maatregelen had genomen om te voorkomen dat [naam] in een dergelijk fraude terecht zou kunnen komen. Immers was hem vanuit Dubai verzekerd dat er niets aan de hand was. In diezelfde verklaring geeft verdachte aan dat de boekhouder van [naam] hem geschrokken had geattendeerd op de hoge winsten die het bedrijf had gerealiseerd. Hierop kreeg verdachte –zo verklaart hij– twijfels, maar hij heeft zijn handelen voortgezet. De rechtbank komt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot de conclusie dat het in deze zaak gaat om schijntransacties en dat de in de tenlastelegging genoemde facturen valselijk zijn opgemaakt. Derhalve komt thans aan de orde de vraag of verdachte aan deze strafbare gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Uit de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel blijkt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit, ingeschreven stond als directeur en in die zin als leidinggevende kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de vraag of sprake is “feitelijk leidinggeven” sluit de rechtbank aan bij het zogenaamde Slavenburg-criterium en overweegt hierbij dat naar haar oordeel verdachte aan de beide (minimum) voorwaarden voldoet voor strafbaarheid aan feitelijk leidinggeven. Verdachte heeft immers
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.