RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 10/786 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker, gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni, advocaat te Utrecht over een besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigden: [X] en mr. F. Sevriens. Inleiding 1.1 Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder verzoekers aanvraag van 5 januari 2010 om afgifte van een laissez passer voor het Verenigd Koninkrijk afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Bij verzoekschrift van 8 maart 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat aan hem een laissez passer wordt verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft. 1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 maart 2010, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [X] en mr. F. Sevriens. Als tolk was aanwezig mevrouw [Y]. Overwegingen 2.1 Volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Verzoeker, in het bezit van de Filippijnse nationaliteit, heeft bij faxbericht van 5 januari 2010 bij verweerder een aanvraag voor een laissez passer ingediend om naar het Verenigd Koninkrijk te reizen van 22 maart tot 7 april 2010. Verzoeker heeft daarbij als reden opgegeven dat hij is uitgenodigd om op 25 maart 2010 de Sir Stanley Tomlimson Memorial Lecture te houden voor het Institute of Asia Pacific Studies van de University van Nottingham. Verzoeker heeft daarbij verder aangegeven dat er, omdat hij na de uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg Europese Gemeenschappen van 30 september 2009 in de zaak [verzoeker] tegen de Raad van de Europese Unie (LJN: BJ9830) niet meer vermeld staat op de zogeheten EU-terroristenlijst, geen beletselen meer bestaan voor verstrekking van een laissez passer. Een afschrift van de op 4 januari 2010 gedateerde uitnodiging van de co-director van dat Instituut, dr. [Z], heeft verzoeker ter onderbouwing met de aanvraag meegezonden. 2.3 Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder deze aanvraag, onder verwijzing naar artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet (hierna: de wet) en naar het door verweerder gehanteerde beleid, afgewezen, omdat geen sprake is van een aantoonbare humanitaire noodzaak om te reizen naar het buitenland. 2.4 Na een hoorzitting op 25 februari 2010 heeft verweerder bij besluit van 26 februari 2010 het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij allereerst op het standpunt gesteld dat verzoeker niet de vluchtelingenstatus bezit. Verder voldoet verzoeker niet aan de criteria voor de verstrekking van een laissez passer op basis van het (algemene) beleid. Omdat geen sprake is van deelname aan vredesbesprekingen met de Filippijnse autoriteiten of van het bijwonen van een eigen rechtszaak in Luxemburg, wordt evenmin voldaan aan het door verweerder speciaal voor verzoeker gehanteerde beleid. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het door verweerder gevoerde beleid ruimer is dan het criterium van artikel 25, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlijn). 2.5 Verzoeker heeft in beroep, evenals in bezwaar - samengevat - aangevoerd dat hij, hoewel hij niet als zodanig is toegelaten, een erkend vluchteling is, en al sinds 1989 (bedoeld wordt 1987) in Nederland verblijft. In dit verband heeft verzoeker gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 december 1992 (LJN: AQ1377) en van 21 februari 1995 (LJN: AP9462) en op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 september 1997 (LJN: AL5974). Vanwege zijn vluchtelingenstatus dienen hem, op grond van artikel 28 van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Vlv), dan wel op grond van artikel 25, eerste lid, van de Definitierichtlijn, reisdocumenten verstrekt te worden. Het restrictieve beleid van verweerder is niet in overeenstemming met de Definitierichtlijn, omdat er geen dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zijn die zich daartegen verzetten, althans dat standpunt is door verweerder niet ingenomen, aldus verzoeker. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. 2.6 De aanspraken van niet-Nederlanders op de verstrekking van reisdocumenten voor vluchtelingen, dan wel reisdocumenten voor vreemdelingen zijn neergelegd in de artikelen 11 tot en met 15 van de wet. 2.7 Artikel 14 van de wet bepaalt dat aan andere in een der landen van het Koninkrijk toegelaten vreemdelingen dan bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13, die geen reisdocument van een ander land kunnen verkrijgen dan wel die kunnen aantonen dat van hen redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij van een ander land een reisdocument aanvragen, kan binnen de grenzen bij deze wet bepaald, een reisdocument voor vreemdelingen worden verstrekt. 2.8 Artikel 15, tweede lid, van de wet bepaalt dat in bijzondere gevallen aan een vreemdeling die zich tijdelijk op het grondgebied van een der landen van het Koninkrijk mag bevinden en niet in aanmerking komt voor verstrekking van een reisdocument op grond van artikel 14, een nooddocument dan wel een reisdocument voor vreemdelingen kan worden verstrekt. 2.9 Artikel 6 van de Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001 bepaalt dat de Minister van Buitenlandse Zaken naast de in de wet genoemde gevallen tevens aanvragen in ontvangst neemt voor en gaat over tot de verstrekking van laissez passer’s ten behoeve van de in artikel 15, tweede lid, van de wet bedoelde personen. 2.10 De gerectificeerde beleidsregels verstrekking laissez passers op grond van de Paspoortwet (29 oktober 2001, DPC/VV/878, gepubliceerd in de Staatscourant van 2 november 2001, 213, en van 4 februari 2005, 25, hierna: de beleidsregels) luiden - voor zover thans van belang - als volgt. Artikel 15, tweede lid, van de wet biedt de grondslag voor een belangenafweging tussen het reisbelang van de individuele vreemdeling en het algemene belang van goede interstatelijke betrekkingen. De Minister beoordeelt, op grond van de hiervoor vermelde artikelen, in welke gevallen een vreemdeling in aanmerking kan komen voor een laissez passer, een nooddocument. De Minister voert daarbij een restrictief beleid. Het belang van de vreemdeling om in het bezit te worden gesteld van een laissez passer wordt afgezet tegen de mogelijke schade die de afgifte van een dergelijk reisdocument kan hebben voor de interstatelijke betrekkingen tussen Nederland en de staat waarvan de aanvrager onderdaan is. De Minister zal aanvragen om afgifte van een laissez passer in Nederland eerst inwilligen indien sprake is van een aantoonbare humanitaire noodzaak om te reizen. Een dergelijke noodzaak bestaat ondermeer in geval van ernstige ziekte van de aanvrager, diens echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.