RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummers: SBR [nummer]0/898 VV, SBR 10/899, SBR 10/900 VV, SBR 10/901, SBR 10/902 VV, SBR 10/903, SBR 10/904 VV en SBR 10/905 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2010 op de verzoeken om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken, inzake [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4], wonende te [woonplaats] respectievelijk [woonplaats], verzoekers, gemachtigde: mr. O.P. van der Linden, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder, gemachtigde: mr. W.M. van der Burgt. Inleiding 1.1 Bij besluiten van 2 november 2009 heeft verweerder verzoekers gelast om voor 1 februari 2010 hun recreatieverblijf op camping ‘De Berekuil’, Arienslaan 5 te Utrecht, plaatselijk bekend perceel [nummer], huisje [nummer], ([verzoeker sub 1]), perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 4]), perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 3]), en perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 2]) en het daarbij gebouwde bijgebouw in overeenstemming te (doen) brengen en gebracht te (doen) houden met de aan hen verleende bouwvergunningen. Aan de opgelegde last wordt geacht te zijn voldaan als beide bouwwerken na voltooiing van de werkzaamheden zijn gebouwd conform bij de bouwvergunningen behorende bouwtekeningen en in een toestand zijn die voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 of als de bedoelde recreatieverblijven en de daarbij behorende bijgebouwen volledig zijn verwijderd en verwijderd blijven. Indien verzoekers voor 1 februari 2010 niet volledig aan de opgelegde last hebben voldaan, verbeuren verzoekers een eenmalige dwangsom van € 20.000,-. 1.2 Bij besluiten van 5 februari 2010 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 2 november 2009 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de termijn waarbinnen verzoekers aan de opgelegde last dienen te voldoen is verlengd tot zes weken na verzending van de besluiten. Bij brief van 4 maart 2010 heeft verweerder meegedeeld akkoord te gaan met een verlenging van de begunstigingstermijn tot de uitspraak van de voorzieningenrechter op de door verzoekers ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening. 1.3 De verzoeken zijn op 22 april 2010 ter zitting behandeld, waar verzoekers, met uitzondering van verzoeker [eiser sub 1], in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde W.M. van der Burgt, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van de beroepen (SBR 10/899, SBR 10/901, SBR 10/903 en SBR 10/905) 2.3 Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken aangaande de chalets van verzoekers stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze chalets eind jaren ’80 dan wel begin jaren ’90 van de vorige eeuw zijn opgericht in strijd met het vigerende bestemmingsplan en zonder een daarvoor vereiste bouwvergunning en vrijstelling. Alle chalets hebben een oppervlakte van 70 m². 2.4 De percelen zijn gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Voorveldse Polder”. De percelen hebben ingevolge het bestemmingsplan de bestemming ‘kampeerterrein’. Bij besluit van 16 januari 2003 heeft de raad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” vastgesteld. Gedeputeerde Staten (GS) van Utrecht hebben bij besluit van 19 augustus 2003 over de goedkeuring van dit bestemmingsplan beslist. Tegen het besluit van GS van 19 augustus 2003 over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” is door diverse personen alsmede door verweerder beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Bij uitspraak van 10 november 2004, LJN: AR5459, heeft de ABRS, kort samengevat en voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan het, in dit geding van belang zijnde, plandeel “Verblijfsrecreatie, camping (Rv(c))”, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van GS wat betreft dat plandeel. 2.5 In een vergadering van 10 juni 2003 heeft de gemeente Utrecht het zogenoemde Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 vastgesteld. In dit Plan wordt onder meer een omschrijving gegeven van de handhavingssituatie van de op het kampeerterrein De Berekuil aanwezige illegale bouwwerken. In het Plan van Uitvoering wordt voorts verwezen naar en voortgeborduurd op het hiervoor genoemde bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder”, welk bestemmingsplan oprichting van chalets op het kampeerterrein toestaat met een maximale oppervlakte van 60 m² en met een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid voor een overschrijding van het bebouwd oppervlak van 10%, en een bijgebouw van maximaal 6 m². In de vergadering van 10 juni 2003 heeft verweerder ingestemd met de start van de eerste fase van het Plan van Uitvoering voor wat betreft de inventarisatie en controle op permanente bewoning alsmede de aanpak van illegale bebouwing. Dit Plan is niet als vastgesteld beleid gepubliceerd, maar geldt voor verweerder als intern te hanteren kader voor handhaving op het terrein van De Berekuil. 2.6 Ter uitvoering van het hiervoor genoemde Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 heeft verweerder verzoekers medio 2007 aangeschreven om de illegaal geplaatste chalets voor 1 juni 2007 te verwijderen en verwijderd te houden. Mede met het oog op deze aanschrijving hebben verzoekers medio 2008 allen bij verweerder een aanvraag om bouwvergunning voor hun chalets ingediend. De aanvragen zagen op het verkrijgen van een bouwvergunning ter verkleining van hun reeds opgerichte chalets tot een oppervlakte van 66 m². Verzoekers hebben bij de aanvraag allen aangegeven, zo is ter zitting gebleken, dat zij hun chalet, met een oppervlakte van 70 m², na het verkrijgen van de legaliserende bouwvergunning zouden verkleinen tot de gevraagde 66 m². 2.7 Bij besluiten van 30 september 2008 ([verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4]) en 19 mei 2008 ([verzoeker sub 2]) heeft verweerder verzoekers vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en een legaliserende bouwvergunning verleend voor het oprichten van een chalet met een oppervlakte van 66 m² en een daarbij behorend bijgebouw. Na het verlenen van deze bouwvergunningen is tijdens een inspectie van deze bouwwerken door inspecteurs van de afdeling Toezicht en Handhaving geconstateerd dat verzoekers hun chalets niet hadden verkleind en dat de bouwwerken derhalve een grotere oppervlakte hadden dan op grond van de bouwvergunning was toegestaan. 2.8 Bij brieven van 28 oktober 2008 ([verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4]) en 8 september 2008 ([verzoeker sub 2]), heeft verweerder verzoekers meegedeeld voornemens te zijn hen een last onder dwangsom op te leggen omdat door verzoekers is gebouwd in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunningen. Verzoeker zijn daarbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Bij besluiten van 2 november 2009 heeft verweerder verzoekers de onder 1.1 vermelde last onder dwangsom opgelegd. De door verzoekers tegen deze besluiten ingediende bezwaren zijn bij besluiten van 5 februari 2010 ongegrond verklaard. 2.9 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). 2.10 Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. 2.11 Tussen partijen is niet in geschil dat de chalets van verzoekers een oppervlakte hebben van 70 m² en dat de chalets derhalve in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunningen zijn opgericht. De aan verzoekers verleende bouwvergunningen zien immers op de oprichting van een chalet van maximaal 66 m². Gelet op vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder bevoegd was om ter zake van het bouwen in afwijking van de aan verzoekers verleende bouwvergunningen handhavend op te treden. Anders dan verzoekers suggereren is dus wel sprake van een door verzoekers overtreden en door verweerder te handhaven norm, namelijk artikel 40 van de Woningwet. Verzoekers hebben aangegeven dat zij na de aan hen verleende bouwvergunningen de mogelijkheid hebben onderzocht om hun chalet overeenkomstig de vergunning te verkleinen tot 66 m², doch dat hen toen pas is gebleken dat het verkleinen van de chalets niet eenvoudig en bijzonder kostbaar is, mede gelet op de constructie van de chalets. Dit komt echter voor rekening en risico van verzoekers zelf en kan geen reden opleveren om van handhavend optreden af te zien. Daarbij komt dat oorspronkelijk de chalets bovendien zonder de vereiste bouwvergunning en vrijstelling waren opgericht, waarmee verzoekers eveneens een door henzelf te dragen risico hebben genomen dat daartegen handhavend zou worden opgetreden. Dat daar lange tijd “geen haan naar gekraaid heeft” zoals verzoekers betogen, maakt volgens vaste jurisprudentie niet dat aan verweerder daarom thans geen bevoegdheid tot handhavend optreden meer zou toekomen. Aanknopingspunten voor het oordeel dat dit in het onderhavige geval anders moet zijn, zijn de rechtbank niet aangereikt. 2.12 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.13 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat legalisatie op korte termijn wel mogelijk is en wel binnen (de te voeren bestemmingsplanprocedure van) het voor camping De Berekuil in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Verzoekers hebben daartoe aangevoerd dat de ABRS in de uitspraak van 10 november 2004 heeft geoordeeld dat de in het (ontwerp)bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” opgenomen maatvoering van chalets van maximaal 60 m² in beginsel niet onredelijk of onjuist is te achten, doch dat eerst na inventarisatie de vraag kan worden beantwoord of de regeling voldoende rekening houdt met individuele gevallen. Verzoekers zullen dan ook in de komende bestemmingsplanprocedure om positivering van hun te grote chalets verzoeken. Zij betogen dat verweerder door thans handhavend op te treden hun mogelijkheden frustreert tot effectieve rechtsbescherming binnen de bestemmingsplanprocedure. Verzoekers hebben ook gewezen op de door hen in april 2010 ingediende aanvragen om bouwvergunning ter legalisering van hun chalets van 70 m². Verweerder heeft aangevoerd niet bereid te zijn verzoekers vrijstelling en vergunning te verlenen voor de oprichting van hun chalets met een oppervlakte van 70 m², daarbij anticiperend op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor De Berekuil. Daarin wordt voor wat betreft de maximale maatvoering voor recreatiewoningen als de onderhavige voortgeborduurd op de maatvoering in het op de camping toeziende plandeel uit het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder”. Volgens verweerder bestaat dus geen concreet zicht op legalisatie. 2.14 De voorzieningenrechter stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Voorveldse Polder” de oprichting van de chalets op de percelen niet toestaat. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder een gedragslijn hanteert die zijn grondslag vindt in het Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 en die er op is gericht oprichting van chalets mogelijk te maken met een oppervlakte van maximaal 60 m², met een vrijstellingsmogelijkheid voor een overschrijding van het bebouwd oppervlak van 10%. Verweerder hanteert deze gedragslijn thans vooruitlopend op het nog vast te stellen (ontwerp)bestemmingsplan voor het kampeerterrein De Berekuil, welk bestemmingsplan volgens verweerder, net als in “Voordorp-Voorveldse polder” zal voorzien in bebouwingsmogelijkheden van chalets op het perceel met een oppervlakte van 60 m² met een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid tot maximaal 66 m². 2.15 Vast staat dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, nog daargelaten dat niet is gebleken dat de in geding zijnde chalets met het in voorbereiding zijnde (ontwerp)bestemmingsplan in overeenstemming zijn. Verder heeft te gelden dat in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht bestaat op legalisatie. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband onder meer naar een uitspraak van de ABRS van 28 november 2007, www.rechtspraak.nl: LJN BB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.