Vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummers: 16/513535-10 en 16/514272-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 mei 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1992] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], gedetineerd te Rijksinrichting De Heuvelrug, locatie Eikenstein te Zeist, raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: parketnummer 16/513535-10 feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd een overval op een Albert Heijnwinkel te plegen feit 2: samen met anderen ’s nachts elektronische artikelen en andere spullen uit de woning van [benadeelde 3] heeft gestolen, waarbij die [benadeelde 3] is bedreigd met geweld parketnummer 16/514272-09 feit 1: samen met anderen een scooter heeft gestolen door een kelderbox open te breken feit 2: samen met anderen een kentekenplaat en een achterkap van een motor heeft gestolen feit 3: samen met anderen heeft geprobeerd een motor te stelen door het slot te verbreken feit 4 en feit 5 (telkens): de Leerplichtwet heeft overtreden 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 van parketnummer 16/513535-10 en de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/514272-09 heeft gepleegd op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het dactyloscopisch spoor in de feiten 1 en 2 van parketnummer 16/513535-10 tezamen met de respectieve aangiften – en terzake feit 1 tezamen met diverse getuigenverklaringen en camerabeelden - het wettig bewijs vormt dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Gelet op de wisselende dan wel zeer laat afgelegde verklaringen van verdachte over zijn aanwezigheid op de plaatsen van delict, heeft zij ook de overtuiging dat verdachte bij deze feiten betrokken is geweest. Op grond van de aangiften en verklaring van [benadeelde 4], de onderzoeksbevindingen van de verbalisanten, waaronder de vondsten in de kelderboxen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zo kort na de gepleegde diefstallen, de ter terechtzitting vertoonde beelden en de op bepaalde punten kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte zijn ook de feiten 1 primair, 2, 3 van parketnummer 16/514272-09 wettig en overtuigend bewezen, aldus de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen met betrekking tot de feiten 1 en 2 van 16/513535-10 en de feiten 1 primair, 2 en 3 van parketnummer 16/514272-09 en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De verdediging refereert zich met betrekking tot de feiten 4 en 5 aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging voert het volgende aan. Inzake feit 1 van parketnummer 16/513535-10 kan niet uitgesloten worden dat de vingerafdruk die van verdachte gevonden is op een ander moment dan tijdens de overval op het sigarendoosje terecht is gekomen. Uit het dossier blijkt niet hoelang deze sigaren al op de counter stonden en verdachte komt dagelijks in deze winkel en koopt daar regelmatig sigaren voor zijn vader. Ook ten aanzien van de vingerafdruk inzake feit 2 van parketnummer 16/513535-10 geldt dat niet kan worden vastgesteld dat die ten tijde van de diefstal met geweld is ontstaan. Verdachte heeft verklaard dat hij alleen een aantal dagen voor bedoelde diefstal bij een verkenningsmissie aanwezig is geweest en het is dan ook heel goed mogelijk dat deze vingerafdruk daarvan afkomstig is. Verdachte heeft met betrekking tot feit 1 primair van parketnummer 16/514272-09 verklaard hoe hij aan de scooter is gekomen, namelijk door deze te kopen van iemand in de buurt. Dat aangever het slot dat om de scooter zat kon openen draagt niet bij aan bewijs voor de diefstal, aangezien de mogelijkheid openblijft dat de scooter van aangever niet op slot stond en dat aangever het slot met een reservesleutel heeft geopend. Ook de foto’s van verdachte, zittend op een motor waarvan het slot verbroken is, kunnen inzake feit 3 van parketnummer 16/514272-09 niet als bewijs dienen voor een poging tot diefstal. De raadsman voert aan dat de verdachte heeft verklaard dat hij de verbreking van het slot niet heeft opgemerkt op het moment dat hij op de motor plaatsnam. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Parketnummer 16/513535-10 feit 1 De rechtbank is bij zijn beoordeling uitgegaan van de navolgende, uit getuigen(verklaringen), zich in het dossier bevindend en/of ter terechtzitting waargenomen beeld- en fotomateriaal en deskundigenonderzoek, gebleken feiten en omstandigheden. Op 10 november 2009, om 20.45 uur, rennen twee jongens met bivakmutsen over hun hoofd de Albert Heijn aan de [adres] te [woonplaats] binnen . Eén van deze jongens had een mes met een lengte van ongeveer 20 cm in zijn rechterhand , de andere jongen een op een antracietkleurig vuurwapen gelijkend voorwerp, mogelijk een zogenaamde bibi-gun of ander soort neppistool . De jongen met het mes is volgens getuigen 15 à 16 jaar oud, lichtgetint, 1,72-1,80m lang , tengere bouw, Turks/Marokkaans en heeft een kleine mond. De jongen met het op een vuurwapen gelijkende voorwerp is langer dan de jongen met het mes (ongeveer 1.80-1.85m), is ongeveer 16-17 jaar oud en heeft een licht getinte huidskleur, vermoedelijk van Turks/Marokkaanse afkomst. De beide jongens dragen geen handschoenen. De beide jongens rennen na binnenkomst direct tezamen in de richting van de counter in de Albert Heijn waar onder meer sigaretten worden verkocht. De jongen met het mes slaat vervolgens meermalen met het lemmet van het mes op de balie . Deze jongen roept ook: “Wij willen geld, wij willen geld; maak de kassa open”. De jongen met het op een vuurwapen gelijkende voorwerp richt zijn wapen ook op de 17-jarige Albert Heijnmedewerker [benadeelde 1] en roept daarbij meermalen: “geef geld”. [benadeelde 1] geeft daarop aan dat hij de kassa niet kan openen. De jongen met het mes loopt vervolgens om de balie heen naar de andere daar aanwezige kassa en begint op diverse knoppen van de kassa te slaan. Het lukt hem echter niet om de kassa te openen. Hierna pakt de jongen met het mes een aantal sigaren die op de balie staan en gooit ze direct weg . De jongen met het mes maakt ook een zwaaiende beweging met het mes en slaat of gooit een houder met sigarendoosjes van de balie. Op beeldmateriaal is tevens zichtbaar dat hij met zijn linkerhand een sigarendoosje of -blikje pakt dat in een rek op de counter staat. Daarna rennen de beide jongens naar buiten. Nog dezelfde dag om 21.35 uur wordt door de technische recherche op de vloer voor de balie in de betreffende Albert Heijn een sigarenblikje aangetroffen. Dit sigarenblikje is vervolgens onderzocht, waarbij een vingerafdruk op de voorzijde van het sigarenblikje werd aangetroffen. Twee deskundigen van de KLPD hebben vervolgens deze vingerafdruk onderzocht, waarna gerapporteerd is dat de aangetroffen vingerafdruk identiek is aan een zich op een bij de politie aanwezig (vinger)afdrukkenblad bevindende afdruk van de linkerduim van verdachte. Nadere bewijsoverwegingen Door de verdediging is niet betwist dat de aangetroffen vingerafdruk afkomstig is van verdachte. Wel heeft verdachte, zo begrijpt de rechtbank dit althans, een zogenaamd alternatief scenario aangevoerd. Verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat zijn vingerafdruk mogelijk op het sigarenblik is gekomen toen hij bij een eerdere gelegenheid bij deze Albert Heijn sigaren voor zijn vader heeft gekocht. De rechtbank acht dit alternatieve scenario ongeloofwaardig en overweegt daartoe het navolgende. De rechtbank heeft hierbij allereerst betrokken het tijdstip waarop verdachte met zijn (alternatieve) scenario is gekomen, namelijk eerst ter terechtzitting en derhalve ook eerst na kennisname van het volledige dossier. De rechtbank constateert in dit verband dat verdachte in zijn eerste politieverhoor d.d. 20 januari 2010 heeft gezegd dat hij “wel eens”, in de betreffende Albert Heijn kwam, doch dat hij als hij boodschappen deed dat meestal bij een andere, dichterbij zijn huis gelegen, supermarkt deed . Enige meer concrete datum-en/of tijdsaanduiding wanneer hij in voormelde Albert Heijn aan de [adres] zou zijn geweest, heeft verdachte daarbij niet gegeven. Voorts heeft verdachte in datzelfde verhoor aangegeven zelf niet te roken. Hij heeft er toen geen melding van gemaakt dat hij in deze supermarkt echter wel voor zijn vader sigaren zou hebben gekocht. Evenmin heeft hij dat in drie opvolgende verhoren bij de politie en het verhoor bij de rechter-commissaris gedaan. Eerst ter terechtzitting op 4 mei 2010 heeft verdachte vervolgens verklaard dat hij bij deze Albert Heijn wel eens sigaren voor zijn vader zou hebben gekocht. Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven waarom hij niet eerder met zijn scenario is gekomen, terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid had. De rechtbank constateert bovendien dat verdachte zijn verklaringen op dit punt, met name inzake de frequentie van zijn bezoeken aan de Albert Heijn aan de [adres], voortdurend aanpast aan de aan hem verstrekte uitkomsten van het politieonderzoek. De rechtbank stelt in dit verband voorts vast dat verdachtes verklaring voor het aantreffen van zijn vingerafdruk op het sigarenblikje zo algemeen en vaag geformuleerd is, dat deze geen concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek en/of objectieve verificatie biedt. Verdachte heeft zijn verklaring ook zelf niet nader feitelijk onderbouwd. Evenmin heeft verdachte enige informatie omtrent een mogelijk alibi verstrekt. Ook deze omstandigheden dragen niet bij tot versterking van de geloofwaardigheid van verdachtes relaas. Tevens heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte zelf heeft verklaard rechtshandig te zijn , terwijl de op het sigarenblikje aangetroffen vingerafdruk afkomstig is van zijn linkerduim. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte bij een normale aankoop van sigaren als rechtshandige met zijn linkerduim een op de balie staand sigarenblikje zou hebben aangeraakt. Dit past echter wel in de ook op de beelden zichtbare situatie waarin een overvaller in zijn rechterhand een mes heeft en daardoor slechts met zijn nog vrije linkerhand het betreffende sigarenblikje kan pakken. Tenslotte heeft de rechtbank bij de algehele bewijsbeoordeling meegewogen dat verdachte geen nadere informatie heeft kunnen of willen geven over waar en/of met wie hij, indien hij niet bij de overval aanwezig was, dan wel op de avond van de overval zou hebben verbleven. Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario als zijnde ongeloofwaardig terzijde dient te worden gesteld. Uit de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat er een gewelddadige overval is geweest, waarbij door een van de overvallers, de overvaller met het mes, met zijn linkerhand een sigarenblikje is beetgepakt en/of daarmee is gegooid. Op een op de plaats delict op de grond aangetroffen sigarenblikje is een vingerafdruk aangetroffen. Deze vingerafdruk komt overeen met die van de linkerduim van verdachte. Verdachte heeft voor het aantreffen van zijn vingerafdruk geen geloofwaardige verklaring kunnen of willen geven. Voorts constateert de rechtbank dat verdachte op meerdere punten voldoet aan het gegeven signalement (geslacht, ongeveer dezelfde leeftijd, huidskleur, afkomst, postuur, lengte) van een van de overvallers, te weten dat van de jongen met het mes. Deze feiten en omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte samen met een ander de hem tenlaste gelegde poging tot overval op 10 november 2009 op de Albert Heijn te [woonplaats] heeft gepleegd. 4.3.2 Parketnummer 16/513535-10 feit 2 De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en de behandeling ter terechtzitting onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte ook ten tijde van het misdrijf op de plaats van het misdrijf aanwezig was en bij het misdrijf betrokken was. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken. 4.3.3 Parketnummer 16/514272-09 feit 1 Op 21 november 2009 doet [benadeelde 4] aangifte van diefstal van zijn blauwe scooter, merk Piaggo, kenteken [kenteken]. Hij verklaart dat zijn scooter in de kelderbox van zijn flat in [woonplaats] stond en dat deze scooter door middel van een goedgekeurd slot was afgesloten, dat de scooter daarnaast op het stuurslot stond en dat de sleutels van de scooter er niet inzaten. Tussen 20 november 2009 te 12.00 uur en 21 november 2009 te 17:30 uur is de toegangsdeur van de schuurbox geforceerd en zijn scooter weggenomen. Enkele uren later krijgt aangever een tip van iemand dat zijn scooter in de kelderbox van perceelnummer [nummer] van het [adres] te [woonplaats] zou staan. Wanneer de verbalisanten gaan kijken treffen ze in de kelderbox, behorend bij laatstgenoemd adres, een blauwe Piaggo scooter aan met het kenteken [kenteken], met een slot om de achterband. Aangever kan dit slot in het bijzijn van de politie openen met de sleutel die hij bij zich heeft. Verdachte woont op laatstgenoemd adres en zowel zijn moeder als zijn zus verklaren dat hij de enige is die daadwerkelijk gebruik maakt van de kelderbox. Verdachte verklaart aanvankelijk bij de politie dat hij niets weet van de scooter, maar dat het mogelijk is dat anderen die scooter in zijn kelderbox gezet hebben omdat hij zijn sleutels is kwijtgeraakt. Ter terechtzitting verklaart verdachte echter dat hij de scooter die dag voor € 300,-- in een nabijgelegen parkje heeft gekocht van een jongen die [naam] heet. Hij verklaart dat die jongen hem heeft geholpen de scooter in de kelderbox te zetten, dat die jongen het slot erom heeft gedaan en dat hij slechts de helft heeft betaald van de € 300,--, omdat hij de papieren van de scooter nog moest krijgen. De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte echter ongeloofwaardig. De verklaring van verdachte is zelfs kennelijk leugenachtig voor wat betreft de aanwezigheid van het slot, omdat het slot dat om de scooter zat na het aantreffen daarvan met de sleutel van aangever geopend kon worden. Dit slot kan derhalve niet, zoals door verdachte gesteld, van de door hem genoemde [naam] afkomstig zijn. Hieruit volgt tevens dat de scooter met slot en al moet zijn verplaatst naar de –zich in een ander flatgebouw bevindende- kelderbox van verdachte. Gezien het gewicht van de scooter en de afstand tussen aangevers kelderbox en die van verdachte lijkt het onwaarschijnlijk dat verdachte deze op slot staande scooter alleen heeft vervoerd. Dat verdachte ten overstaan van de politie en de rechtbank wisselende en zelfs leugenachtige verklaringen aflegt omtrent de wijze van verkrijging van deze scooter, draagt bepaald niet bij aan zijn geloofwaardigheid. Voorts blijkt uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting in het kader van het hem onder parketnummer 16/514272-09 tenlastegelegde heeft afgelegd en een aantal zich in verband met die zaak in het dossier bevindende foto’s dat hij zich in de nacht van 20 op 21 november 2009 tussen 01.03 en 02.11 uur samen met anderen in de onmiddellijke nabijheid van de flat van aangever bevond, waarbij ook gepoogd is de motorfiets van aangever weg te nemen. Uit het voorgaande blijkt dat de gestolen scooter slechts enkele uren na de ontdekking van de diefstal door aangever in de kelderbox van verdachte wordt aangetroffen met het slot van aangever nog om de achterband van de scooter. Verdachte heeft voor het aantreffen van de scooter in zijn kelderbox geen geloofwaardige verklaring gegeven. Verdachte heeft zich bovendien in de periode dat de diefstal heeft plaatsgevonden, en wel ’s nachts, met anderen in de directe omgeving van de plek bevonden waar de scooter is weggenomen en is daar betrokken geweest bij een poging tot diefstal van de motorfiets van dezelfde eigenaar als die van de weggenomen scooter. Aldus acht de rechtbank de diefstal van de scooter door verdachte en een of meer andere personen wettig en overtuigend bewezen. 4.3.4 Parketnummer 16/514272-09 feit 2 De rechtbank is van oordeel dat nu de verdachte dit feit ontkent en de gestolen kentekenplaat en achterkap van de motor niet bij hem zijn aangetroffen er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat verdachte bij dit feit is betrokken. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken. 4.3.5 Parketnummer 16/514272-09 feit 3 [benadeelde 4] maakt op dezelfde dag dat hij aangifte doet van de diefstal van zijn scooter er melding van dat de kentekenplaat en achterkap van zijn motorfiets Yamaha, kleur zwart met grijs, kenteken [kenteken], is gestolen. De motor stond geparkeerd voor zijn flat in [woonplaats]. Op 2 februari 2010 verklaart aangever bovendien dat het contactslot van deze motorfiets vernield was. Aan aangever wordt door de politie een serie foto’s getoond die zijn aangetroffen op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte], die volgens de datum en tijd van het toestel genomen zijn op 20 november 2009 tussen 1.03 uur en 02.11 uur. Aangever herkent de daarop afgebeelde motor als de zijne. Ter terechtzitting zijn deze foto’s digitaal vertoond. Anders dan eerder ten overstaan van de politie heeft verdachte vervolgens ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij op de motor heeft gezeten en dat daarvan foto’s zijn gemaakt. Verdachte ontkent echter dat hij samen met anderen heeft geprobeerd deze motor te stelen of dat hij wist dat de anderen dit aan het doen waren. De rechtbank overweegt dat uit de serie van foto’s met opeenvolgende tijdstippen kan worden afgeleid dat de lichten van de motorfiets reeds brandden toen verdachte op de motorfiets zat. Nu deze lichten alleen kunnen branden als het contact aan staat, impliceert dit dat op het moment dat verdachte op de motorfiets zat het contactslot reeds was vernield. Dat het contactslot was vernield is duidelijk zichtbaar op de foto’s en moet –mede gezien de omvang van de schade aan het slot- voor verdachte ook duidelijk zichtbaar zijn geweest. Dit contactslot bevond zich namelijk midden op de kroonplaat waarop het stuur is bevestigd, en derhalve direct in het blikveld van de opzittende. De ervaring leert voorts dat dergelijke sloten alleen op deze wijze worden vernield, als men tevens van plan is het voertuig weg te nemen. Verdachte heeft derhalve moeten weten dat het de bedoeling was de motor te stelen, maar heeft zich desondanks niet gedistantieerd. Integendeel, door zijn handelen heeft hij feitelijk aangegeven in te stemmen met het reeds ingezette begin van uitvoering van voormelde diefstal. De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor onder 4.3.3 is overwogen verdachte in of omstreeks dezelfde periode als waarop hij op de motor van aangever is gaan zitten van dezelfde aangever een scooter heeft gestolen. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat verdachtes wisselende verklaringen omtrent zijn betrokkenheid bij bedoelde motorfiets afbreuk doen aan zijn geloofwaardigheid. In het licht van voorgaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij alleen voor de foto heeft plaatsgenomen op de motor en dat hij daarna weer door is gelopen, niet geloofwaardig. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd deze motor te stelen. 4.3.6 Parketnummer 16/514272-09 feit 4 Naar aanleiding van een melding van de leerplichtambtenaar, is de politie een onderzoek gestart naar het schoolverzuim van verdachte. Blijkens een verzuimoverzicht van de ROC ASA te Amersfoort heeft verdachte in de periode van 15 september 2008 tot en met 9 december 2008 diverse malen de lessen niet bijgewoond, terwijl hij wel op deze school stond ingeschreven en aan hem geen vrijstellingsgronden zoals bedoeld in de Leerplichtwet waren verleend. Verdachte heeft bekend dat hij regelmatig afwezig is geweest zonder geldige reden. Om die reden acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. 4.3.7 Parketnummer 16/514272-09 feit 5 Naar aanleiding van een melding van de leerplichtambtenaar, is de politie een onderzoek gestart naar het schoolverzuim van de verdachte op 2 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.