RECHTBANK UTRECHT Sector kanton Locatie Utrecht zaaknummer: 627526 UC EXPL 09-6208 LH 464 vonnis d.d. 19 mei 2010 inzake [eiser], wonende te [woonplaats], verder ook te noemen [eiser], eisende partij, gemachtigde: mr. J.F. Roth, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V., gevestigd te Den Haag, mede kantoorhoudend te Utrecht, verder ook te noemen KPN, gedaagde partij, gemachtigde: mr. S. Sikkens. Het verloop van de procedure [eiser] heeft een vordering ingesteld. KPN heeft geantwoord op de vordering. [eiser] heeft voor repliek en KPN heeft voor dupliek geconcludeerd. Hierna is uitspraak bepaald. De vaststaande feiten 1.1. [eiser], geboren op [1950], is van 1 februari 1975 tot 1 augustus 2003 in fulltime dienst geweest van (een rechtsvoorgangster van) KPN, laatstelijk als senior medewerker support desk. 1.2. Na van 1975 tot 1980 als administratief medewerker - zonder computer - te hebben gewerkt, is [eiser] van 1980 tot 1990 werkzaam geweest op de afdeling logistiek van KPN. Als systeembeheerder was hij in die tijd regelmatig onderweg en deed hij één tot twee uren beeldschermwerk per dag. Van 1990 tot 1 mei 1999 was [eiser] als functioneel beheerder werkzaam op de afdeling Processen Systemen Implementatie (PSI). Tot juni 1998 verrichtte hij daar gevarieerde werkzaamheden, waarbij hij twee tot drie uren per dag beeldschermwerk deed. Omstreeks april 1998 kreeg [eiser] nek- en schouderklachten, waarvoor hij zijn huisarts consulteerde. In verband met de afbouw van de afdeling PSI heeft [eiser] van juni tot en met december 1998 helpdeskwerkzaamheden verricht. 1.3. Nadat hij in december 1998 boventallig was verklaard, werd [eiser] per 1 mei 1999 herplaatst in de functie van medewerker gebruikservice te Arnhem. Daar was hij, aan de helpdesk, als tweede lijnsmedewerker belast met het aannemen en verwerken van telefonische vragen van consumenten. In deze functie deed [eiser], op/aan een in hoogte verstelbare stoel en bureau, maximaal zes uren beeldschermwerk per dag. Zijn nek- en schouderklachten verergerden. In oktober 1999 heeft [eiser] enkele dagen niet kunnen werken vanwege, wat de arbo-arts aanmerkte als, ziekte aan het ‘bewegingsapparaat’. Omdat de systeembeheerder, van wie [eiser] de beoogd opvolger was, niet (zoals verwacht) vertrok en de aan hem voorgehouden functie van applicatiebeheerder in Arnhem kwam te vervallen, was de toekomst van [eiser] binnen KPN enige tijd niet duidelijk. Hierdoor ontstonden spanningsklachten, in verband waarmee hij zich in februari 2000 ziek meldde. Tot eind augustus 2000 bleef [eiser] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Tot omstreeks november 2000 volgde hij een intern begeleidingstraject. 1.4. Met ingang van 1 december 2000 is [eiser] aangesteld als functioneel applicatiebeheerder in Utrecht. Dit was afwisselend werk, waarin [eiser] gemiddeld drie à vier uren beeldschermwerk per dag deed, op/aan een in hoogte verstelbare stoel en bureau. In deze periode namen de nek- en schouderklachten verder toe. Naar aanleiding hiervan heeft de arbo-dienst van KPN (ArboNed) op 10 juli 2001, in bijzijn van [eiser], diens werkplek onderzocht. Blijkens het hiervan opgemaakte rapport van 17 juli 2001 waren de bevindingen de volgende: ‘Het bureau staat voor de heer [eiser] ca. 5 cm te hoog. Als gevolg daarvan heeft de heer zich aangewend zijn schouders op te trekken hetgeen belastend is voor de nek- en schouderspieren. Documenten worden op het bureaublad gelegd. Hierdoor moeten overmatige hoofdbewegingen gemaakt worden tussen document, toetsenbord en beeldscherm hetgeen belastend is voor de nek en schouderspieren. Uit observatie van de werkhouding blijkt dat de heer zijn arm strekt tijdens het gebruik van de muis. De muisbewegingen worden uitgevoerd vanuit het polsgewricht waarbij de arm stilgehouden wordt. Hierdoor ontstaat een overmatige statische houding van de arm en schouder hetgeen aanleiding geeft tot klachten.’ ArboNed gaf KPN het volgende advies: ‘Geadviseerd wordt gebruik te laten maken van een in hoogte instelbare documenthouder zodat de kijklijn tussen document, toetsenbord en beeldscherm in 1 lijn komt te staan. Geadviseerd wordt de bureauhoogte met ca. 5 cm te verlagen. Omdat een aantal verbindingstukken van het hoog-laag systeem van het bureau ontbreken is de heer geadviseerd hiervoor contact op te nemen met de huismeester. Tijdens het werkplekonderzoek is de werkplekinrichting aangepast en is betrokkene geadviseerd over een juiste werkhouding (ontspannen schouders, muisbewegingen uitvoeren met de onderarm, pols in ontspannen stand).’ 1.5. Op 16 juli 2001 heeft [eiser] zich ziek gemeld. De arbo-arts achtte hem voor 50% arbeidsongeschikt op grond van ‘rsi klachten schouder nek.’ Per 28 augustus 2001 werd hij volledig arbeidsongeschikt bevonden. De arbo-arts diagnosticeerde RSI. In deze periode dat [eiser] wegens ziekte afwezig was, vond een reorganisatie en een verhuizing van zijn werkplek naar een andere locatie plaats. Per 1 september 2001 werd [eiser] aangesteld als senior medewerker support desk, in welke functie hij als tweede lijnsmedewerker belast zou worden met het telefonisch en per e-mail aannemen en afhandelen van vragen en het verwerken van de betreffende gegevens in de computer. De verzekeringsarts van het UWV GAK stelde op 3 mei 2002 de diagnose ‘discopathie C6-C7’ en ‘Cuffsyndroom’ en concludeerde dat [eiser] ‘beperkt (was) ten aanzien van werkzaamheden waarbij hij langdurig (meer dan een uur) beeldschermwerk moet verrichten en waarbij geen mogelijkheid bestaat om na enige tijd van houding te wisselen.’ Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van diezelfde datum blijkt dat de verzekeringsarts van oordeel was dat [eiser] na een uur beeldschermwerk een half uur andere werkzaamheden moest doen alvorens het beeldschermwerk te kunnen hervatten. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] werd vastgesteld op 25-35%. 1.6. In de loop van juni, althans begin juli 2002 heeft [eiser] het werk gedeeltelijk hervat. Op 14 juli 2002, tegen het eind van de wachttijd voor de WAO, heeft hij in overleg met de arbo-arts volledig hervat. Omdat de verzekeringsarts betwijfelde of [eiser] het werken duurzaam zou kunnen volhouden, werd artikel 44 WAO toegepast en kwam de per 15 juli 2002 aan [eiser] toegekende WAO-uitkering voorshands niet tot uitbetaling. [eiser] werd bij zijn terugkeer op zijn werk niet begeleid bij de inrichting van zijn nieuwe werkplek. Er was in hoogte verstelbaar kantoormeubilair beschikbaar, waaruit hij zelf een stoel en een bureau moest kiezen. Op het advies van de arbo-arts, die met het oog op de werkhervatting van [eiser] een training bij een rugadviescentrum (door Winnock, het vroegere RAC) en een hernieuwd werkplekonderzoek geïndiceerd achtte, reageerde KPN vanwege de daaraan verbonden kosten afwijzend. In de zomer van 2002 heeft [eiser], toen een collega met vakantie was, het werk tijdelijk alleen verricht. De nek- en schouderklachten van [eiser] namen weer toe. Omdat uit een meting van de arbeidsbelasting was gebleken dat de supportdesk ‘overbemensd’ was, is een collega van [eiser] overgeplaatst en is een ander systeem van afhandeling van telefoongesprekken ingevoerd. In of omstreeks augustus 2002 heeft KPN besloten de functie van [eiser] te doen vervallen. Tot omstreeks november 2002 heeft [eiser] doorgewerkt, per 1 december 2002 is hij boventallig verklaard. Op 28 januari 2003 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld. 1.7. Op verzoek van KPN heeft de CWI te Rotterdam op 27 februari 2003, op bedrijfseconomische gronden die tot personeelsinkrimping noodzaakten, toestemming verleend de arbeidsverhouding met [eiser] te beëindigen. KPN heeft de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 augustus 2003. Voor zover de arbeidsovereenkomst van partijen hierdoor niet zou zijn geëindigd, heeft de kantonrechter deze ontbonden met ingang van 1 oktober 2003. 1.8. Bij brief van 16 augustus 2004 heeft [eiser] zich jegens KPN op het standpunt gesteld dat zij jegens hem is tekort geschoten in haar zorgverplichting in de zin van artikel 7:658 BW. KPN heeft aansprakelijkheid betwist. Omdat de wederzijdse inschakeling van medisch adviseurs (Cunningham Boschman aan de zijde van KPN en Westerweel Intermediair aan de kant van [eiser]) niet tot nadere overeenstemming leidde, heeft [eiser] de kantonrechter te Utrecht verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen. Bij beschikking van 26 september 2007 heeft de kantonrechter het verzoek toegewezen en een revalidatiearts en een neuroloog benoemd, teneinde vast te stellen of bij [eiser] sprake was van objectiveerbare afwijkingen en te beoordelen of diens gezondheidsklachten door het werken bij KPN zijn veroorzaakt. Bij hun gezamenlijk rapport van 3 juni 2008 hebben dr. G.W. van Dijk, neuroloog te Nijmegen, en dr. J.M. Ruigrok, revalidatiearts te Maastricht, na [eiser] te hebben onderzocht, de door de kantonrechter gestelde vragen aldus beantwoord, dat de diagnose op revalidatiegeneeskundig terrein op ‘chronische aspecifieke klachten van arm, nek en schouders, tegenwoordig KANS geheten, voorheen aangeduid als RSI’ werd gesteld. De neurologische diagnose luidde: ‘tendomyogeen bepaalde klachten van het houdings- en bewegingsapparaat in de nek-schouderregio.’ Bij de beantwoording van de vraag naar het ontstaan van de klachten hebben de deskundigen onder meer gebruik gemaakt van het door partijen in onderling overleg opgestelde overzicht van de werkzaamheden die [eiser] in de loop der tijd voor KPN heeft verricht. Zij concludeerden: ‘Op grond van de huidige stand van het medisch wetenschappelijk onderzoek op het gebied van chronische aspecifieke overbelastingsklachten van nek en schouders (KANS, voorheen RSI), zijn de klachten van betrokkene voor een belangrijk deel te wijten aan de werkzaamheden welke hij verrichtte bij KPN in de periode dat de klachten zijn ontstaan. Behalve de aard van de werkzaamheden op zich, welke vanwege de ongunstige ergonomische omstandigheden heeft bijgedragen aan het ontstaan van de klachten, heeft hierbij zeer waarschijnlijk ook de factor van het ontbreken van een sociale steun van leidinggevenden, een belangrijke invloed op het ontstaan van de klachten gehad.’ Ook op basis van dit deskundigenbericht hebben partijen geen overeenstemming bereikt. [eiser] heeft € 5.759,60 aan deskundigenloon voldaan. De vordering en de standpunten van partijen 2.1. [eiser] vordert dat wordt verklaard voor recht dat KPN op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van zijn werkzaamheden bij KPN geleden schade en dat KPN daarom gehouden is hem deze schade te vergoeden. Voorts vordert [eiser] de veroordeling van KPN om aan hem alle geleden schade, op te maken bij staat, te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot die der algehele voldoening. [eiser] vordert dat KPN wordt veroordeeld hem, als voorschot op deze schade onder algehele titel, te voldoen € 12.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2009 tot de voldoening. Tenslotte vordert [eiser] dat KPN wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis de proceskosten te voldoen, daaronder begrepen die van het voorlopig deskundigenbericht, te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de benoemde deskundigen betaalde loon vanaf de betaling van dat loon tot 17 april 2009, bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis. 2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor KPN, onder meer door verlies aan verdiencapaciteit, schade heeft geleden, omdat tengevolge van het hem opgedragen beeldschermwerk en de omstandigheden waaronder hij dat werk voor KPN heeft verricht chronische nek- en schouderklachten zijn ontstaan. [eiser] baseert zich mede op het deskundigenbericht van 3 juni 2008. In de periode dat [eiser] beeldschermwerk heeft verricht, is KPN tekort geschoten in de op haar rustende zorgverplichting, doordat zij heeft nagelaten tijdig afdoende maatregelen ter voorkoming van RSI-klachten te nemen. Dat beeldschermwerk gezondheidsrisico’s, als die welke zich bij [eiser] hebben verwerkelijkt, in het leven roept, was ruim vóór 1998 algemeen bekend. KPN heeft [eiser] aan een gevaarzettende werksituatie blootgesteld die zijn gezondheidsklachten heeft (of kan hebben) veroorzaakt. KPN heeft geen risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) opgesteld en geen relevant (preventief of reactief) arbeidsomstandighedenbeleid gevoerd. Zij heeft nagelaten [eiser] (periodiek) te instrueren over de gevaren van beeldschermwerk, heeft niet voorkómen dat hij te lang (achtereen) aan een beeldscherm (en telefoon) heeft gewerkt, waardoor sprake was van eenzijdig werk met hoogfrequente handelingen. [eiser] heeft - mede door de achtereenvolgende reorganisaties die hem troffen - onder grote druk moeten werken, op werkplekken waarvan het kantoormeubilair langdurig niet aan zijn persoon was aangepast. Het werkplekonderzoek van juli 2001 was daarom ‘mosterd na de maaltijd’, aldus [eiser]. 3.1. KPN betwist de vordering, allereerst omdat de nek- en schouderklachten van [eiser] niet in de uitoefening van zijn werkzaamheden en door de omstandigheden waaronder hij heeft gewerkt, zijn ontstaan. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om dat aannemelijk te maken. Zijn klachten hebben zich voor het eerst gemanifesteerd in 1998, toen hij nog een gevarieerde functie vervulde en slechts maximaal twee tot drie uren beeldschermwerk per dag deed. Dat de klachten werkgerelateerd zijn, is voorts niet verenigbaar met het feit dat ze persisteerden toen [eiser] zijn werk had gestaakt. Dat [eiser] RSI-klachten ontwikkelde, kan niet worden losgezien van aan zijn persoon gebonden factoren, zoals zijn overige (fysieke en psychische) gezondheidsklachten, de lichaamsbouw en verminderde conditie, zijn plichtsgetrouwheid en gemotiveerdheid, en het feit dat hij hoge eisen aan het werk stelt. 3.2. KPN vecht het oordeel van de in september 2007 door de kantonrechter benoemde deskundigen, vervat in hun rapport van 3 juni 2008, aan. De conclusie, dat de klachten van [eiser] in belangrijke mate zijn te wijten aan de werkzaamheden die hij voor KPN heeft verricht, wordt niet ondersteund door objectieve bevindingen en berust op de ongefundeerde aanname dat van overmatige belasting en ongunstige ergonomische werkomstandigheden sprake is geweest. Gezien het moment waarop de RSI-klachten ontstonden, de aard en omvang van de door [eiser] verrichte werkzaamheden, is het veeleer waarschijnlijk dat de reorganisaties die hem in de loop der tijd hebben getroffen op [eiser] een negatieve invloed hebben gehad en dat deze zijn uitval hebben veroorzaakt. 3.3. KPN heeft haar zorgverplichting jegens [eiser] niet veronachtzaamd. De geldende arbo-normen zijn nimmer overschreden. In 2000 heeft KPN haar managementteams en afdelingen doen voorlichten over het risico van RSI en over de daartegen te nemen maatregelen. Aan het personeel is ook een interactieve website (EVA genaamd) aangeboden, waarmee werknemers zelf kunnen bepalen of hun werkplek aan de daaraan te stellen eisen voldoet. [eiser] heeft altijd over deugdelijk kantoormeubilair en goede computerapparatuur beschikt. Zijn stoel en bureau waren in hoogte verstelbaar. Van hinderlijke reflectie op het beeldscherm was geen sprake. Dat [eiser] nek- en schouderklachten had, is KPN eerst in 2001 gebleken, waarna zijn werkplek door de arbo-dienst is onderzocht. Uit het daarvan opgemaakte rapport volgt dat de toenmalige werkplek in ergonomische zin maar weinig te wensen over liet. Daardoor kunnen de nek- en schouderklachten van [eiser] niet zijn ontstaan. Voor aanvullende maatregelen was daarom geen reden. 3.4. Bij de werkhervatting van [eiser] in juli 2002 mocht KPN volstaan met het ter beschikking stellen van deugdelijk kantoormeubilair, omdat het rapport dat van het eerdere werkplekonderzoek in juli 2001 was opgemaakt aan [eiser] bekend was en hij aan de hand van de hem toen gegeven instructie in staat was zijn nieuwe werkplek, die niet wezenlijk van de eerdere verschilde, adequaat in te stellen. Van KPN kon redelijkerwijs niet verlangd worden de kosten van de door ArboNed geadviseerde training in een rugadviescentrum voor haar rekening te nemen, omdat een dergelijke training niets zou hebben toegevoegd aan de therapeutische behandelingen die [eiser] toen al had ondergaan. In de periode dat [eiser] als medewerker support desk heeft gewerkt (van juli tot december 2002), was de werk- en tijdsdruk dermate laag dat hij niet langer dan een uur achtereen beeldschermwerk behoefde te verrichten. De beoordeling van het geschil 4.1. Partijen verschillen van mening over de verdeling van de stelplicht en bewijslast in een procedure als deze, die betrekking heeft op de vraag naar de aansprakelijkheid voor het ontstaan van RSI. KPN heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat het allereerst aan [eiser] is om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden en dat die schade in en door de uitoefening van zijn werkzaamheden voor KPN is ontstaan. KPN meent dat eerst daarna aan de orde kan komen of zij aan de op haar rustende zorgverplichting van artikel 7:658 BW heeft voldaan. De kantonrechter overweegt hierover in zijn algemeenheid het volgende. 4.2. Uit het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW volgt dat het aan de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een schending van zijn zorgverplichting, is om te stellen en, bij betwisting, te bewijzen dat zijn schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Het tweede lid legt op de werkgever de last te bewijzen dat hij zijn verplichting om voor een redelijk veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen. Om tot aansprakelijkheid van de werkgever te kunnen concluderen, dient derhalve zowel een (causale) relatie te kunnen worden gelegd tussen het werk van de werknemer en zijn schade, als tussen een tekortkoming van de werkgever en die schade. Bij het eerste is het, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, de werknemer die voldoende feiten en omstandigheden moet stellen - en zonodig bewijzen - die het ingeroepen rechtsgevolg kunnen rechtvaardigen. Bij het tweede is de bewijslast omgekeerd, wordt de schending van de zorgverplichting voorondersteld en rust op de werkgever de last om aan te tonen dat hij heeft gedaan wat van hem redelijkerwijs mocht worden verlangd. Bij klassieke arbeidsongevallen en monocausale beroepsziekten leidt dit schema in het algemeen tot een redelijke en billijke verdeling van de stelplicht en bewijslast. Bij multicausale beroepsziekten, zoals RSI, die niet slechts één oorzaak kennen, kan dit anders zijn. Dan dient er enerzijds tegen te worden gewaakt dat de werkgever feiten en omstandigheden moet stellen en bewijzen die voornamelijk in de sfeer van de werknemer liggen en dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor schade die geen verband houdt met de omstandigheden waaronder hij de werknemer heeft doen werken. 4.3. Dit maakt dat, indien de ziekte door andere dan werkgerelateerde factoren kan zijn ontstaan, relatief veel gewicht toekomt aan de vraag naar de relatie tussen werk en schade. Anderzijds staat het dan de werknemer vrij - en zal hij er in de regel ook niet aan ontkomen - om in verband met de op hem rustende stelplicht bewijs bij te brengen dat de werkgever in zijn zorgplicht is tekort geschoten en dat het risico op letsel dat daarvan het gevolg is, zich heeft verwezenlijkt. Hierbij dient gezien de strekking van artikel 7:658 BW, waarmee de wetgever de bewijspositie van de werknemer heeft beoogd te verlichten, te worden voorkómen dat de werknemer er aldus via een omweg alsnog mee wordt belast te bewijzen dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Aan zijn stelplicht behoeven daarom geen al te hoge eisen te worden gesteld, en hij kan er in beginsel mee volstaan aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van het werk. Wat in voorkomende gevallen van de procespartijen mag worden verwacht, i.e. hoe concreet zij hun stellingen zullen hebben in te kleden en te onderbouwen, zal steeds afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat het aan de werkgever is om feiten en omstandigheden te stellen die aannemelijk maken dat niet aan het werk te relateren factoren de oorzaak van de ziekte vormen. Van zijn kant dient de werknemer openheid van zaken te geven over mogelijke aspecten van zijn privésfeer, aanleg en persoonlijkheid die aan zijn ziekte kunnen hebben bijgedragen, nu die aspecten vooral in zijn sfeer liggen. 4.4. Dat [eiser] vanaf april 1998, in ernst toenemende nek- en schouderklachten heeft ontwikkeld, is tussen partijen niet in geschil. In de loop der tijd zijn deze klachten door behandelaars en controlerend artsen bij herhaling als RSI geduid. Gelet op het rapport van de Gezondheidsraad van 27 november 2000 (publicatienummer 2000/22, p. 22) kan worden uitgegaan van de volgende definitie van RSI: ‘RSI is een tot beperkingen of participatie-problemen leidend multifactorieel bepaald klachtensyndroom aan nek, bovenrug, schouder, boven- of onderarm, elleboog, pols of hand of een combinatie hiervan, gekenmerkt door een verstoring van de balans tussen belasting en belastbaarheid, voorafgegaan door activiteiten met herhaalde bewegingen of een statische houding van één of meer van de genoemde lichaamsdelen als een van de veronderstelde etiologische factoren.’ In het deskundigen-bericht van 3 juni 2008 heeft de revalidatiearts Ruigrok de gezondheidsklachten van [eiser] gediagnosticeerd als (KANS
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.