← Nederland

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5042

RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600051-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Somalië), wonende te [woonplaats], thans verblijvende PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein Raadsman mr. G.A. Speelman, advocaat te Amersfoort.

  1. Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
  2. De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: een fles Martini Viero heeft gestolen bij de [bedrijf 1]; feit 2: [aangever 1] heeft bedreigd; feit 3: [aangever 1] heeft mishandeld.
  3. De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
  4. De beoordeling van het bewijs 4.
  5. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaring van [aangever 1], op de verklaring van [getuige], op de bevindingen van de politie met betrekking tot de camerabeelden en op de ter terechtzitting bekeken camerabeelden. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. De aangifte wordt in dat geval immers niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. 4.
  6. Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat de aangifte met betrekking tot de bedreiging niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman er op gewezen dat de verklaring die verdachte geeft voor het bij zich hebben van de fles Martini op grond van het dossier en de aanwezige camerabeelden niet uit te sluiten valt. Het is volgens de raadsman heel goed mogelijk dat verdachte de betreffende fles Martini Viero reeds in Leeuwarden had gekocht en hij deze al voor het betreden van de [bedrijf 1] te Utrecht in zijn mouw had gestopt. 4.
  7. Het oordeel van de rechtbank 4.3.
  8. Vrijspraak feit 2 Betreffende de bedreiging van [aangever 1], ontbreekt steunbewijs. Nu enkel op grond van de verklaring van voornoemde [aangever 1] geen bewezenverklaring kan volgen, zal de rechtbank verdachte van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging vrijspreken. 4.2.
  9. Bewijsoverwegingen feiten 1 en 3 Door aangever [aangever 1] werd tegenover de politie verklaard dat hij op 14 januari 2010 werkzaam was bij de [bedrijf 1] aan de [adres] te Utrecht en dat hij daar probeerde om samen met collega [getuige] een man uit de winkel te krijgen. Deze man liep namelijk tegen de regels in te bedelen in de [bedrijf 1]. Daar de man niet voldeed aan hun mondelinge verzoek om de winkel te verlaten hebben zij hem vastgepakt en richting de uitgang van de winkel gebracht. Dit naar de uitgang brengen verliep volgens aangever al worstelend en de man begon agressief te worden. Op het moment dat de man de winkel weer in wilde om kennelijk achtergelaten spullen bij de balie op te halen voelde voornoemde [getuige] een fles in de linkermouw van de man. De man haalde op verzoek de fles uit zijn mouw en deze fles Martini Viero was volgens aangever afkomstig uit de [bedrijf 1]. Nadat de politie gebeld was werd de man steeds agressiever. Aangever probeerde te voorkomen dat de man wegging. Aangever zag en voelde dat de man hem bij zijn keel greep, dat de man begon te knijpen en dat het pijn deed. Ook werd hij door de man geschopt tegen zijn rechterknie, waarop hij pijn voelde . De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige]. Laatstgenoemde heeft namelijk tegenover de politie verklaard dat hij iets hards in de linkermouw van de man voelde en dat dit een fles Martini bleek te zijn. Ook heeft hij verklaard dat hij zag dat de man aangever met kracht tegen het been schopte . Naast voornoemde verklaringen zijn er bewakingsbeelden aanwezig die zijn opgenomen op 14 januari 2010 in voornoemde [bedrijf 1]. Deze beelden zijn door een verbalisant bekeken en uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen. Volgens deze verbalisant is te zien dat verdachte een fles uit zijn mandje pakt en naar het etiket kijkt (07:01:52), dat verdachte de fles laat zakken en naast zich laat hangen (07:02:00), dat verdachte zich met zijn rug naar de camera draait, dat verdachte zijn rechterarm met daarin de fles voor zich omhoog brengt ter hoogte van zijn borst en dat verdachte in zijn linkerhand op dat moment nog steeds het mandje vast heeft (07:02:02) . Voorts zijn op verzoek van de officier van justitie ter terechtzitting een aantal camerabeelden bekeken. De rechtbank heeft derhalve uit eigen waarneming kunnen vaststellen dat verdachte een fles in zijn winkelmandje heeft staan (camera 8, 07:02:13) en dat verdachte een slaande beweging maakt in de richting van aangever (camera 7, 07:10:59) De verklaring van verdachte dat hij de fles al in zijn bezit had voordat hij de winkel inging acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op voornoemde feiten en omstandigheden. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om de behandeling van de zaak te heropenen, teneinde te onderzoeken of er al dan niet door verdachte uit de fles is gedronken. Dit zegt immers niets over de vraag of verdachte de fles al of niet in zijn bezit had toen hij de [bedrijf 1] in Utrecht binnen ging omdat hij buiten zicht van bewakingscamera’s (waarvan beelden bewaard zijn) uit de fles kan hebben gedronken. De rechtbank acht -gelet op het voorgaande- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. 4.
  10. De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
  11. op 14 januari 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fles Martini Viero, toebehorende aan [bedrijf 1].
  12. op 14 januari 2010 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1] bij zijn keel heeft gegrepen en tegen zijn benen heeft geschopt, waardoor voornoemde [aangever 1] pijn heeft ondervonden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
  13. De strafbaarheid 5.
  14. De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op. feit 1: diefstal; feit 3: mishandeling. 5.
  15. De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
  16. De strafoplegging 6.
  17. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren. 6.
  18. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zoals hiervoor weergegeven bepleit om verdachte vrij te spreken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Bij een eventuele strafoplegging dient volgens de raadsman een vrijheidsstraf opgelegd te worden gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Indien de rechtbank overgaat tot oplegging van de ISD-maatregel heeft de raadsman uitdrukkelijk verzocht om deze te beperken tot één jaar. In één jaar kan er zijns inziens, gelet op de houding van verdachte, voldoende worden bereikt. In het geval de ISD-maatregel wordt opgelegd voor de duur van 2 jaren heeft de raadsman verzocht om een tussentijdse toets na één jaar. 6.
  19. Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de hiervoor genoemde feiten. Verdachte heeft er bij deze feiten blijk van gegegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van andere mensen en geen respect te hebben voor andermans goederen. De persoon van verdachte Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte d.d. 4 maart 2010, opgemaakt door J. Mertens, reclasseringswerker, onder meer -zakelijk weergegeven- inhoudende dat: Voornoemde reclasseringswerker van mening is dat verdachte een ernstig aan alcohol verslaafde man is en dat de indruk bestaat dat er beperkingen zijn op verstandelijk niveau, maar dat deze beperkingen tot op heden niet getest zijn. Vrijwillig wil verdachte zich niet laten helpen en een gedwongen kader is er eerder niet geweest. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Tot op heden heeft verdachte alle zorg en hulp gemeden. De reclassering is van mening dat er een hoog risico bestaat dat verdachte zich zal onttrekken aan eventuele voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling. Van de zijde van de reclassering wordt geadviseerd om de ISD-maatregel op te leggen. In dit gedwongen kader zou verdachte gediagnosticeerd kunnen worden en zou er een afgestemd hulpaanbod geboden kunnen worden. Ter terechtzitting is voornoemde reclasseringswerker gehoord als getuige-deskundige en deze heeft verklaard dat zij niet negatief staat tegenover de door de raadsman voorgestelde ISD-maatregel voor de duur van één jaar. In één jaar zou volgens haar ook reeds veel bereikt kunnen worden en daarnaast zou dan beter beoordeeld kunnen worden in hoeverre verdachte gemotiveerd is om een eventuele behandeling te ondergaan om van zijn alcoholverslaving af te komen. - de inhoud van een de verdachte betreffend omvangrijk uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 februari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven.Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De rechtbank is op grond van de bevindingen van de Reclassering Nederland van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Het is immers in het verleden gebleken dat verdachte eerder aangeboden zorg mijdt of niet continueert. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld en de voornoemde feiten begaan zijn na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Het betreft de volgende drie vonnissen:
  20. Politierechter Zwolle (07-460066-09) d.d. 10 april 2009;
  21. Politierechter Utrecht (16/600108-09) d.d. 9 maart 2009;
  22. Politierechter Utrecht (16/601428-08) d.d. 23 december
  23. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. De maatregel strekt er bovendien mede toe een bijdrage te leveren aan een oplossing voor verdachtes verslavingsproblematiek. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaar opleggen. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. Immers voor een effectieve uitvoering van de maatregel is noodzakelijk dat daarvoor de volledige termijn van het programma van 2 jaar beschikbaar is. De rechtbank acht het met het oog op een tussentijdse beoordeling van de voortgang van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent informeert.
  24. De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57 , 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
  25. De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: diefstal; feit 3: mishandeling - verklaart verdachte strafbaar; - gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor 2 (TWEE) jaar; - bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 (NEGEN) maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis bericht over de voortgang van de tenuitvoerlegging van deze maatregel; - beveelt met het oog hierop de oproeping van de veroordeelde, diens raadsman en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip; - bepaalt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering zal worden gebracht op de duur van de maatregel; Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 april 2010.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.