Vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/711435-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1983] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats] raadsman mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: Primair: heeft geprobeerd haar 5 maanden oude zoontje [slachtoffer] te doden door hem heftig heen en weer en/of op en neer te schudden, waardoor het hoofdje van die [slachtoffer] heftig heen en weer en/of op en neer werd geschud/bewogen. Subsidiair: haar zoontje zodanig heen en weer en/of op en neer heeft geschud dat hij als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Meer subsidiair: heeft geprobeerd haar zoontje zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem heftig heen en weer en/of op en neer te schudden. Feit 2: haar zoontje heeft mishandeld door hem te knijpen en of te slaan. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van het AMK, de medische verklaringen en het geconstateerde letsel inclusief de foto’s, de verklaring van de moeder van verdachte mw. [getuige 1], de verklaring van mw. [getuige 2] en dhr. [getuige 3] en de verklaring van mw. Koedoot. De officier van justitie stelt zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer]. Verdachte wist wel dat haar handelingen niet goed waren, maar zij heeft niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar handelingen zouden kunnen leiden tot de dood van [slachtoffer]. Zij dient derhalve vrijgesproken te worden van het onder 1 primair tenlastegelegde feit poging tot doodslag. Verdachte heeft juridisch gezien wel aanvaard dat haar handelingen zwaar lichamelijk letsel als gevolg konden hebben. Dit blijkt uit het feit dat zij zowel door mw. [getuige 2] als haar moeder in een vergelijkbare situatie als het tenlastegelegde feit is gewaarschuwd. Verdachte is ook geschrokken van de waarschuwing van haar moeder en heeft gedacht: “Waar ben ik mee bezig”. Desondanks heeft verdachte geen hulp gezocht en op 25 juli 2008 heeft zij wederom heftig met haar zoontje [slachtoffer] geschud. Uit de beschrijving van de politie en mw. Koedoot, waar verdachte heeft voorgedaan hoe zij met [slachtoffer] heeft geschud, blijkt dat het zeer heftig was. Dit schudden heeft bij [slachtoffer] geleid tot zwaar lichamelijk letsel. Tot nu toe lijkt het niet te gaan om blijvend letsel, maar eventueel blijvend letsel kan nog niet worden uitgesloten. Derhalve is er sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en is de officier van justitie van mening dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat het onder 2 tenlastegelegde slaan van [slachtoffer] niet bewezen kan worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 1en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat het onder 2 ten laste gelegde slaan niet bewezen kan worden. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. De rechtbank grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden. Op 25 juli 2008 komt [vader], de vader van [slachtoffer] (verder te noemen [slachtoffer]) die geboren is op [2008], thuis. Verdachte gaat enige ogenblikken later weg. [slachtoffer] begint te huilen en haalt moeilijk adem. Hij verslapt en de vader van [slachtoffer] belt met 112, waarna [slachtoffer] door de ambulance naar het ziekenhuis wordt gebracht. In het ziekenhuis de Gelderse Vallei te Ede wordt hij onderzocht door kinderarts T. van Mierlo. [slachtoffer] was binnen gekomen met bomberende (bolle, gespannen) fontanel, hij is somnolent (slaperig), spugen en moeite met adem halen. Bij lichamelijk onderzoek zien zij diverse blauwe plekken, mogelijk een oude scheenbeenfractuur en een subdurale bloeding links. [slachtoffer] had een flink hematoom op zijn linker bil, dat steeds duidelijker werd en een hematoom op zijn linker bovenbeen 8 bij 8 cm lateraal. Op de linker en rechterzijde van de kaak, naast de kin, zaten 2 hematomen. Links van de kaak zit een plek die lijkt op een duimafdruk. Symmetrisch op de bovenarmen, onder de oksel, zaten kleine punt bloedinkjes. [slachtoffer] wordt vervolgens overgeplaatst naar het WKZ omdat er forse hersenbeschadiging is. De kinderarts Van Mierlo maakt een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). In het WKZ wordt vastgesteld dat [slachtoffer] retinale bloedinkjes en oude bloedinkjes in de retina heeft. Op basis van deze informatie is het AMK van oordeel dat het klinisch beeld past bij toegebracht letsel in de vorm van stomp geweld zich uitend in bloeduitstortingen van verschillende datum. Verder passen de verschijnselen van de opname bij een schudincident. Het AMK vermoedt dat er sprake is van kindermishandeling en doet op 30 juli 2008 aangifte. In de brief van het UMC aan de huisarts wordt tevens geconcludeerd dat het letsel van [slachtoffer] past in het kader van ‘inflicted traumatic brain injury’en ‘shaken baby syndroom’. Verdachte verklaart dat zij op 24 juli 2009 met [slachtoffer] is gaan douchen. Zij is uitgegleden en haar zoontje kwam hierbij met zijn hoofdje links tegen de deurpost terecht. [slachtoffer] had een rood plekje aan de linker kant van zijn hoofdje en hij huilde, maar verdachte zag verder geen bijzonderheden. Door de schrik van het uitglijden heeft verdachte [slachtoffer] hard bij zijn billen en onder zijn okseltjes gepakt. Ook vertelt verdachte dat zij [slachtoffer] drie keer van geringe hoogte in de box had laten vallen. De moeder van verdachte, [getuige 1], verklaart over de omgang van verdachte met [slachtoffer] dat zij verdachte tegen [slachtoffer] hoorde schreeuwen als hij huilde. Ook zag zij dat verdachte [slachtoffer] met haar duimvingers hard in zijn wangetjes kneep. Soms pakte verdachte [slachtoffer] dan wild op en schudde zij [slachtoffer] door elkaar om vervolgens [slachtoffer] hard op de commode te zette. De moeder van verdachte heeft tegen de vader van verdachte, [A], verteld dat zij 3 keer heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] door elkaar schudde. De moeder van verdachte heeft verdachte daarop aangesproken. De vader van verdachte heeft ook één of twee keer gezien dat verdachte met haar duim en vingers hard in de wangetjes van [slachtoffer] kneep om hem stil te krijgen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij zich een keer kan herinneren dat haar moeder haar een paar keer aanraakte op haar arm en zei dat ze rustig met [slachtoffer] moest doen. Haar moeder schudde haar min of meer wakker. Ze schrok ervan want het was helemaal niet de bedoeling. De vader van [slachtoffer] heeft een keer gezien dat verdachte [slachtoffer] door elkaar schudde. Ook de onderbuurvrouw [getuige 2] en de onderbuurman [getuige 3], hebben gezien dat verdachte [slachtoffer] in zijn wangetjes kneep en hem met kracht door elkaar schudde zonder daarbij het hoofdje te ondersteunen. [getuige 2] heeft toen aan verdachte uitgelegd dat dit slecht is voor de hersenen en het hoofdje van [slachtoffer]. Zij verklaart dat verdachte zodra [slachtoffer] huilde hem begon te knijpen en als hij niet ophield met huilen begon te schudden, ook nadat zij had uitgelegd dat dit niet goed was. De conclusie van het forensisch medisch onderzoek door forensisch arts L.L.B.M. van Duurling is dat de combinatie van medische bevindingen bij [slachtoffer] in de vorm van subduraal hematoom, retinabloedingen en diverse onderhuidse bloedingen zeer waarschijnlijk zijn ontstaan in het kader van een heftig schudincident. Het hersenletsel en de retinabloedingen ontstaan direct aansluitend aan het schudincident. Gezien het redelijk milde klinische beloop van het subduraal hematoom bij [slachtoffer], heeft dit incident vermoedelijk vlak voor (tijdsduur minuten tot enkele uren) het optreden van de acute klinische symptomen van [slachtoffer] op 25 juli 2008 plaatsgehad. Niet uit te sluiten valt dat eerder soortgelijke incidenten hebben plaatsgehad. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de verklaring van verdachte over de val tegen de deurstijl, dat 27 uur voor de klinische noodsituatie zou hebben plaatsgehad, de oorzaak is geweest van de verschijnselen zoals die bij [slachtoffer] op 25 juli 2008 rond 17.30 uur optraden. De medische literatuur leert dat er zelden tot nooit sprake is van ernstig of levensbedreigend letsel na een val van beperkte hoogte. De uitgebreide onderhuidse bloedingen, de presentatie van meerdere hematomen, de aanwezigheid in een cluster en het kleurverschil in de bloeduitstortingen wijzen erop dat op meerdere momenten niet-accidenteel trauma heeft plaatsgevonden bij [slachtoffer]. Verdachte verklaart, geconfronteerd met de de uitkomst van de forensische rapportage, dat [slachtoffer] op 25 juli 2008 maar bleef huilen. Zij heeft hem op schoot genomen en ging met hem hobbelen. Dit deed zij altijd als zij machteloos was of even niet meer wist wat zij moest doen. Zij heeft bij de politie met een pop voorgedaan hoe dat hobbelen ging. Door de verbalisant wordt omschreven dat zij de pop op schoot nam en onder de oksels vastpakte. Ze wipte met haar voeten op en neer, waarbij haar voeten los van de grond kwamen. De pop bewoog heftig horizontaal heen en weer. Het hoofd van de pop werd hard van voor naar achteren, verticaal, heen en weer geslingerd. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat het zo gegaan is als zij bij de politie heeft voorgedaan. Verdachte heeft ook tegen de gezinsvoogd, A. Koedoot, verteld dat ze machteloos was van het huilen van [slachtoffer]. Ze deed voor dat ze [slachtoffer] onder zijn oksels pakte en hem op schoot nam en met haar benen op en neer ging. Het leek alsof ze hup paardje hup deed met [slachtoffer] maar dan heel heftig, aldus Koedoot. Verdachte zei tegen haar dat ze het misschien wel te hard had gedaan. Zoals ze het voordeed kwam het bij Koedoot over alsof het veel te hard was gegaan en dat [slachtoffer] door de lucht vloog. Mw. Koedoot moest er later van bijkomen omdat het zo heftig was wat verdachte had voorgedaan. Verdachte verklaart ook dat zij [slachtoffer] wel eens pijn deed door hem wat strakker vast te pakken. Zij kneep hem dan wat harder. Zij wist op sommige momenten ook dat zij dat deed en op andere momenten niet. Het is vier of vijf keer voorgekomen voor 25 juli 2008 dat verdachte [slachtoffer] ruwer heeft behandeld. Ze herinnert zich niet dat ze in de wangetjes van [slachtoffer] heeft geknepen. Bewijsoverwegingen Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de opzet heeft gehad – ook niet in voorwaardelijke vorm – op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank zal haar daarom vrij spreken van het primair ten laste gelegde feit. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 subsidiair Opzet De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wel bewezen is.Het is een feit van algemene bekendheid dat baby’s dusdanig kwetsbaar zijn, dat met het schudden van een baby ernstig letsel kan ontstaan. Verdachte is ook meerdere keren door verschillende mensen op haar gedrag en de mogelijke gevolgen daarvan aangesproken. Zij herinnert zich in ieder geval nog één keer dat zij door haar moeder is aangesproken en schrok daar ook van. Door het hard schudden van [slachtoffer] heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat er bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen optreden. Op grond hiervan acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen. Het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, doet hier niet aan af, aangezien er in casu geen sprake is van een zodanige geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat bij verdachte elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Zwaar lichamelijk letsel De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht. In dat artikel wordt een opsomming gegeven van wat als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (HR 14 februari 2006, LJN AU8055). Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In het plan van aanpak van de gezinsvoogdij is te lezen dat het lijkt alsof [slachtoffer] geen nadelige gevolgen over zal houden aan het zeer ernstige letsel dat hem is toegebracht, maar [slachtoffer] zal regelmatig onder controle moeten blijven. Er is wel sprake van een ontwikkelingsbedreiging in die zin dat hij een verhoogde kans op epilepsie en een waterhoofd heeft. Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid dat er zeker volledig herstel plaatsvindt. Derhalve komt de rechtbank toe aan bewezenverklaring van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door te knijpen. Door meerdere getuigen is gezien dat verdachte [slachtoffer] op verschillende momenten in zijn wangetjes heeft geknepen en zelf verklaart zij ook dat zij hem soms wat harder heeft geknepen. In het ziekenhuis blijkt dat [slachtoffer] meerdere blauwe plekken heeft. De conclusie van het forensisch medisch onderzoek is dat de uitgebreide onderhuidse bloedingen, de presentatie van meerdere hematomen, de aanwezigheid in een cluster en het kleurverschil in de bloeduitstortingen erop wijzen dat op meerdere momenten niet-accidenteel trauma heeft plaatsgevonden bij [slachtoffer]. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte [slachtoffer] ook geslagen heeft, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.