RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/604065-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 mei 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1948] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [woonadres]. Raadsman mr. S. Arts, advocaat te Breda. 1. Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2. De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: kinderpornografische afbeeldingen heeft verspreid, vervaardigd, ingevoerd, uitgevoerd en/of in zijn bezit heeft gehad en dat verdachte van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. 3. De voorvragen De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 3.1. De geldigheid van de dagvaarding 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat er met uitzondering van de 25 in de tenlastelegging genoemde en uitgeschreven afbeeldingen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding. Volgens de raadsman kan er worden volstaan met het in de tenlastelegging uitschrijven van een aantal afbeeldingen, maar deze afbeeldingen moeten dan wel een representatief algemeen beeld geven van de gehele collectie en voorkomen op de prioriteitenlijst . In dit geval is daar volgens de raadsman geen sprake van, daar nergens wordt gerelateerd dat de beschreven afbeeldingen een representatief beeld geven van de gehele collectie. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de raadsman gewezen op een arrest van de Hoge Raad d.d. 1 juli 2008 (NJ 2008, 454). 3.3. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat het voor verdachte volkomen duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en deze wijze van ten laste leggen eerder door de rechtbank Utrecht is geaccepteerd. 3.4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft voornoemd verweer ten tijde van de terechtzitting van 17 mei 2010 ontijdig verklaard. De rechtbank zal derhalve thans op dit verweer nog een beslissing moeten nemen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hun proces-verbaal niet gerelateerd hebben dat de 25 door hen uitgeschreven afbeeldingen een representatief beeld geven van de gehele collectie kinderpornografische afbeeldingen die verdachte in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank stelt evenwel vast dat de in de tenlastelegging vermelde afbeeldingen grotendeels betrekking hebben op naakt poserende kinderen, hetgeen blijkt uit het aanzienlijk groter aantal nummers van in het proces-verbaal beschreven afbeeldingen dat vermeld is onder het laatste liggende streepje in de tenlastelegging, hetgeen betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt. Daarnaast heeft verdachte zelf ter terechtzitting van 17 mei 2010 verklaard dat zijn collectie kinderpornografische afbeeldingen niet alleen uit naakt poserende kinderen bestond, maar ook uit verdergaande kinderpornografische afbeeldingen, waarop onder meer te zien was dat kinderen seksuele handelen bij en met volwassen personen verrichten. Gelet hierop en op het onderliggende proces-verbaal waarin voormelde afbeeldingen worden beschreven, is de rechtbank van oordeel dat de selectie op de tenlastelegging in ieder geval afbeeldingen uit de prioriteitenlijst bevat en een representatief en algemeen beeld geeft van de bij verdachte aangetroffen collectie kinderpornografische afbeeldingen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk en duidelijk omschreven is en ook overigens voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer strekkende tot partiële nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen en de dagvaarding is daarom geldig. 4. De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad, alsmede dat verdachte van dat misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de bevindingen van de politie en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verspreiden, vervaardigen, invoeren of uitvoeren van kinderpornografische afbeeldingen. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft met betrekking tot het bewijs min of meer hetzelfde verweer gevoerd als hiervoor is omschreven ten aanzien van de vraag naar de geldigheid van de dagvaarding. Volgens de raadsman kan het bezit van de in de tenlastelegging genoemde en uitgeschreven kinderpornografische afbeeldingen bewezen worden verklaard, met uitzondering van de afbeeldingen genoemd onder de nummers 5, 6 en 13. Deze laatstgenoemde kinderpornografische afbeeldingen zijn immers gevonden in de zogenaamde prullenbak op verdachtes computer en verdachte had derhalve geen (voorwaardelijk) opzet op het bezit van deze afbeeldingen. Het bezit van alle overige, ruim 19.000 kinderpornografische afbeeldingen kan volgens de raadsman niet bewezen worden verklaard, daar uit het dossier niet blijkt dat de hiervoor genoemde uitgeschreven afbeeldingen een representatieve selectie betreffen van de gehele verzameling. De raadsman heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat er enkel een bewezenverklaring kan volgen voor 22 in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen (25 minus de 3 afbeeldingen gevonden in de prullenbak op de computer). De raadsman heeft gelet hierop primair verzocht om verdachte vrij te spreken van het bezit van alle overige afbeeldingen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om er van uit te gaan dat er bij de niet uitgeschreven kinderpornografische afbeeldingen sprake is van de lichtste vorm van kinderporno. De raadsman heeft daarnaast verzocht om verdachte vrij te spreken van het verspreiden, vervaardigen, invoeren en/of uitvoeren van kinderpornografische afbeeldingen, daar hiervan geenszins is gebleken. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak verspreiden/vervaardigen/invoeren/uitvoeren kinderporno Uit het proces-verbaal van de politie maakt de rechtbank -evenals de raadsman en de officier van justitie- op dat tijdens het door de politie uitgevoerde onderzoek niet is gebleken dat verdachte zich heeft beziggehouden met het verspreiden van kinderporno. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de kinderpornografische afbeeldingen heeft verspreid. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het vervaardigen en/of invoeren en/of uitvoeren van kinderpornografische films, daar dit geenszins uit het dossier is gebleken. Bewijsoverweging Op 20 november 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres] te Amersfoort . Tijdens voornoemde doorzoeking werden onder andere een computer (Compaq) en een externe harde schijf (La Cie) in beslag genomen. Op voornoemde computer en harddisk samen werden 8758 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen en vastgelegd. Van deze afbeeldingen zijn er 25 beschreven in het proces-verbaal. Vastgesteld werd dat de verdachte de bij hem aangetroffen kinderpornografische bestanden heeft gedownload in de periode gelegen tussen 2 oktober 2001 en 18 november 2008 . Gezien de aanzienlijke hoeveelheid grafische bestanden die toen nog onderzocht moest worden is ervoor gekozen gebruik te maken van een viertal hashsets (KP Utrecht 20080107, KLPD_KP_200801, 2008-08-05-NL-Qualified-CP-Series en 2008-08-05-NL-Qualified-CP). Zodoende konden de hashwaarden (een unieke waarde te vergelijken met een vingerafdruk) van de desbetreffende bestanden op de computer en harde schijf van verdachte vergeleken worden met de hashwaarden van reeds bij de politie bekende kinderpornografische afbeeldingen . De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben in hun proces-verbaal vermeld dat de vergelijking met de hashsets van de politie Utrecht (3.204 hits) en die van de KLPD (16.359 hits) in totaal 19.563 hits opleverde . Hierbij dient evenwel rekening te worden gehouden met het feit dat een hashwaarde van een bestand treffers kan opleveren in beide hashsets. Het bij elkaar optellen van de hits kan dus een onjuist beeld geven . Bovendien dienen volgens het proces-verbaal de aangetroffen files die zijn gevonden met de hashsets 2008-08-05-NL-Qualified-CP-Series en 2008-08-05-NL-Qualified-CP buiten beschouwing gelaten te worden, omdat deze hashsets ook de foto’s in series meetellen, die op zich geen kinderpornografische inhoud hebben . Naar het oordeel van de rechtbank kan het aantal 19.563 afbeeldingen dan ook niet worden bewezen. De verdachte heeft ter terechtzitting van 17 mei 2010 een bekennende verklaring afgelegd . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen, waaronder alle in de telastelegging genoemde en uitgeschreven afbeeldingen, in zijn bezit heeft gehad en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Dat de onder het laatste liggende streepje genoemde afbeeldingen 5, 6 en 13 met betrekking tot het naakt laten poseren van personen de kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, door verdachte in de prullenbak van zijn computer waren geplaatst, maakt dit niet anders, nu deze op eenvoudige wijze, zonder speciale software, weer zichtbaar kunnen worden gemaakt. 4.4. De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op tijdstippen in de periode van 01 oktober 2002 tot en met 20 november 2008 te Amersfoort, een groot aantal afbeeldingen in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit onder meer - het vasthouden en likken en in de mond nemen van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (nummer 2 en 3 op pagina 44 en 45 en nummer 20 op pagina 51 van het proces-verbaal) en - het in de mond nemen van de penis van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt door een persoon die eveneens kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (nummer 25 op pagina 53 van het proces-verbaal) en - het vasthouden van een stijve penis naast het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, terwijl een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (nummer 19 op pagina 50 en 51 van het proces-verbaal) en - het geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van (een) perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.