RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 09/1060 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 16 juli 2010 inzake Stichting Natuurbehoud Stelling van Honswijk e.o., gevestigd te Tull en ‘t Waal, eiseres, tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Houten, verweerder. Inleiding 1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 maart 2009, waarbij verweerder, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder voorwaarden aan V.o.f. Absolute AirAdventure Paragliding Holland (verder: vergunninghouder) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft verleend ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van een deel van het perceel, kadastraal bekend [nummer], sectie [sectie], nummer [nummer], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats] (verder: het perceel) voor niet-gemotoriseerde paragliding-activiteiten. 1.2 Het beroep is, gevoegd met zaak nr. SBR 09/1027, behandeld ter zitting van 4 mei 2010, waar eiseres is verschenen bij gemachtigden B. Harskamp en M.A. Limburg-Ensing, secretaris respectievelijk penningmeester van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. G.J. Bosch en drs. K. Helling, beiden werkzaam bij de gemeente Houten. Vergunninghouder is verschenen bij A.C.M. Oudshoorn en V. Verbon. Tevens zijn ter zitting verschenen [A] en mevrouw [B], eigenaren van het perceel. 1.3 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst. Aan vergunninghouder zijn nog nadere stukken toegezonden. Het beroep is vervolgens, in overleg met partijen, behandeld ter zitting van 19 mei 2010, waar eiseres is verschenen bij B. Harskamp en M.A. Limburg-Ensing voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. G.J. Bosch en drs. K. Helling voornoemd. Vergunninghouder is verschenen bij A.C.M. Oudshoorn en V. Verbon. Tevens zijn verschenen [A] en mevrouw [B] voornoemd. Overwegingen 2.1 Bij brief van 18 november 2007 heeft vergunninghouder, samen met de eigenaar van het perceel [A], aan verweerder toestemming gevraagd om een deel van het perceel te mogen gebruiken voor niet-gemotoriseerde paragliding-activiteiten. Verweerder heeft dit verzoek op 23 juli 2008 gepubliceerd in Houten Actueel, waarbij een ieder is uitgenodigd mondeling en/of schriftelijk zienswijzen in te dienen bij verweerder. Van deze gelegenheid heeft onder meer eiseres gebruik gemaakt. 2.2 Het perceel is gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied”. Het perceel heeft ingevolge het bestemmingsplan de bestemming “Landelijk gebied II”. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, door verweerder is abusievelijk verwezen naar artikel 5 van de planvoorschriften, zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden bestemd voor: Hoofddoeleinden: - uitoefening van het agrarisch bedrijf; - behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden. Ondergeschikte doeleinden: - … - dagrecreatie - … Het doel “dagrecreatie” is beperkt tot: - de bestaande dagrecreatieve voorzieningen; - de aanleg en het gebruik van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeerplaatsen en visoevers; - de aanleg en het gebruik van naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen. 2.3 De rechtbank stelt vast dat het voorgestane gebruik van het perceel strijdig is met de hiervoor vermelde planvoorschriften, nu de paragliding-activiteiten niet kunnen worden gerangschikt onder bestaande dagrecreatieve voorzieningen. 2.4 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Hieruit volgt dat in dit geval de WRO van toepassing is. 2.5 Nu het bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid om vrijstelling voor het project te verlenen. kan daaraan slechts medewerking worden verleend door middel van het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. 2.6 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college van Burgemeester en Wethouders. In dit geval is van deze delegatiebevoegdheid gebruik gemaakt. 2.7 Vooropgesteld wordt dat de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, eerste lid, van de WRO een discretionaire bevoegdheid betreft, die door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. Indien de gronden van het beroep daartoe aanleiding vormen dient beoordeeld te worden of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, deugdelijk is gemotiveerd en of verweerder de gevraagde vrijstelling bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen verlenen. 2.8 Naar aanleiding van het verzoek van vergunninghouder is ten behoeve van de vrijstellingsprocedure een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, als bedoeld in artikel 19 van de WRO. In de ruimtelijke onderbouwing wordt met betrekking tot de ruimtelijke effecten van het plan opgemerkt dat door de brandweer is aangegeven dat bij een bezoekersaantal van 15 tot 20 personen geen problemen worden verwacht, aangezien er dan geen grote verkeersstromen zijn die het verkeer op de [straat] extra belemmeren. Bij grotere bezoekersaantallen verwachten de hulpdiensten problemen aangezien de [straat] een smalle weg is. Ten aanzien van de gevolgen voor landbouw, natuur (flora en fauna) en landschap is onder meer vermeld dat de vogels in het broedseizoen zijn beschermd op grond van de Flora- en Faunawet. In verband daarmee wordt de voorwaarde opgenomen dat niet in het broedseizoen (van april tot en met de eerste week van juli) gevliegerd mag worden. De verstorende invloed op foeragerende vogels is in het voedselrijke seizoen (zomermaanden augustus en september) kleiner dan in het winterseizoen (vanaf oktober). Van belang wordt geacht dat er voldoende rustige plekken in het gebied aanwezig blijven zodat de vogels tijdens het paragliden “uitwijkmogelijkheden” hebben. Gezien het grote belang van foeragerende vogels in de winter wordt paragliding na oktober niet meer toegestaan. 2.9 Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben op 24 februari 2009 voor het gebruik van het perceel voor niet-gemotoriseerde paragliding-activiteiten een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de WRO afgegeven. 2.10 Bij besluit van 5 maart 2009 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van het perceel voor niet-gemotoriseerde paragliding-activiteiten. Op grond van artikel 15 van de WRO in samenhang bezien met artikel 19a, eerste lid van de WRO mogen aan genoemde vrijstelling voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen. Verweerder heeft met inachtneming van deze artikelen aan de vrijstelling de volgende twee voorwaarden verbonden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.