RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16-711618-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1970] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. Raadsvrouw: mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 9 juni 2010, 15 juni 2010 en 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. A.S. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk van oplichting van banken en/of hypotheekverstrekkers en/of personen; Feit 2: in vereniging diverse banken en/of hypotheekverstrekkers heeft opgelicht; Feit 3: in vereniging diverse malen valsheid in geschrift heeft gepleegd; Feit 4: medeplegen van witwassen van een totaalbedrag van € 179.978,19. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van valse stukken met betrekking tot het pand aan de [adres] te [plaats], zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte alle bedragen heeft witgewassen die op de bankrekening van [bedrijf 2] werden gestort naar aanleiding van vals opgemaakte [bedrijf 2]-facturen, ongeacht of deze door verdachte dan wel [medeverdachte 1] waren gefabriceerd. Volgens de officier van justitie wist verdachte dat het fout zat met de grote bedragen die telkens op de bankrekening van [bedrijf 2] werden gestort en die hij vervolgens steeds op verzoek van [medeverdachte 1] heeft doorgestort. Verdachte had immers al hypotheekfraude gepleegd met betrekking tot zijn eigen woning aan de [adres] te [woonplaats]. Bovendien werd de bankrekening van [bedrijf 2] nooit voor gewone klanten gebruikt maar enkel voor transacties waarin [medeverdachte 1] een rol speelde, aldus de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte van de feiten 1 tot en met 4 dient te worden vrijgesproken. Volgens de raadsvrouw dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad om aan de vermeende criminele organisatie deel te nemen. Verdachte heeft niet geweten dat ten eerste sprake was van een organisatie en ten tweede dat deze organisatie tot oogmerk had het plegen van de ten laste gelegde misdrijven. [medeverdachte 1] heeft immers telkens afzonderlijk contact opgenomen met diverse personen voor het opmaken van valse stukken teneinde hypothecaire leningen en gelden uit bouwdepots te verkrijgen. Verdachte heeft telkens uitsluitend op verzoek van [medeverdachte 1] gehandeld. Bovendien heeft verdachte geen valse bouwnota’s van [bedrijf 2] voor het pand [adres] te [plaats] opgesteld, aldus de verdediging. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte niet betrokken is geweest bij de verkrijging van de hypotheken ten aanzien van de panden [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats]. Verdachte heeft in de veronderstelling verkeerd dat hij met zijn bedrijf [bedrijf 2] daadwerkelijk verbouwingswerkzaamheden zou verrichten in de panden [adres] en [adres], aldus de raadsvrouw. Zodra verdachte duidelijk werd dat dit niet het geval zou zijn heeft hij credit nota’s opgemaakt. Bovendien heeft verdachte de bedragen die verdachte op grond van de facturen van [bedrijf 2] uit bouwdepots heeft ontvangen in opdracht van [medeverdachte 1] doorgestort naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Volgens de raadsvrouw kan verdachte op grond hiervan niet als medepleger worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 2 voor zover dit ziet op het pand aan de [adres] te [plaats] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet betrokken is geweest bij de verkrijging van de hypothecaire lening. Daarnaast heeft verdachte geen valse bouwfacturen opgesteld zodat hij ook dient te worden vrijgesproken van het onttrekken van geldbedragen uit het bouwdepot. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de zes facturen van [bedrijf 2] volledig te goeder trouw heeft opgesteld. Hij heeft namelijk in de veronderstelling verkeerd dat hij de verbouwingswerkzaamheden aan het pand [adres] zou verrichten. Zijn opzet was aldus niet gericht op het valselijk opmaken van bouwnota’s. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat het bedrag van € 5.296,- naar € 5.000,- dient te worden bijgesteld, bestaande uit twee maal € 2.500,- die terug te vinden is op creditnota’s. Daarnaast dient volgens de raadsvrouw het bedrag van € 174.682,19 te worden bijgesteld naar € 132.853,69 omdat in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte wordt uitgegaan van een te hoog bouwdepot. Het bedrag van € 132.853,69 is aan verdachte uitgekeerd en door hem aangewend voor de verbouwingen aan zijn huis. Hij heeft niet kunnen vermoeden dat de geldbedragen die uit zijn eigen bouwdepot kwamen uit misdrijf afkomstig waren, aldus de verdediging. 4.2.1 De bewijsmiddelen Feit 2: oplichting Feit 3: valsheid in geschrift Zaaksdossier 3 ([adres] te [plaats]) Zaaksdossier 4 ([adres] te [plaats]) In het dossier bevinden zich de volgende documenten: - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 22.610,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ; - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 42.840,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ; - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 56.822,50 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ; - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 13.685,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ; - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 43.435,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ; - een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 26.775,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] . [A] heeft namens ABN-Amro aangifte gedaan met betrekking tot de hypotheekverstrekking ten behoeve van het pand aan de [adres] te [plaats]. Op 11 september 2008 is door [B], werkzaam bij [bedrijf] bij het label Florius een aanvraag voor een hypothecaire lening ingediend voor een bedrag van € 450.000,-. De hypothecaire lening is verstrekt aan [medeverdachte 2] en [C]. De hypotheekakte voor de hypothecaire geldlening voor het pand [adres] te [plaats] is gepasseerd op 22 oktober 2008 ten overstaan van notaris mr. T.J. van der Veer. In het hypotheekbedrag ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres] te [plaats], groot € 450.000,-, is een bedrag van € 120.000,- gereserveerd voor een verbouwing. Op grond van ontvangen bouwnota’s is door de ABN-Amro bank via Florius een bedrag van in totaal € 97.861,76 uitbetaald aan [bedrijf 2] te [plaats] . Op 29 oktober 2008 is de hypotheek van de [adres] te [plaats] bij notariskantoor Ottens gepasseerd . Door Aegon is een hypothecaire lening verstrekt ten bedrage van € 410.000,- met daarin opgenomen een bouwdepot voor het bedrag van € 80.000,-. [bedrijf 2] is het bouwbedrijf dat de nota’s voor de verbouwing heeft opgemaakt . [bedrijf 2] is het bedrijf van [verdachte] . [verdachte] heeft ter terechtzitting van 9 juni 2010 bevestigd dat hij geen verbouwingswerkzaamheden verband houdende met de drie nota’s met de factuurbedragen € 22.610,-, € 42.840,- en € 56.822,50 heeft verricht in het pand aan de [adres] te [plaats]. [medeverdachte 2] heeft tegenover de politie verklaard dat er geen verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden in het pand aan de [adres] te [plaats] . [verdachte] heeft ten aanzien van het pand aan de [adres] te [plaats] bouwnota’s gemaakt terwijl hij het pand zelf niet heeft gezien. Verdachte erkent dat hij de drie facturen met betrekking tot het adres [adres] te [plaats] naar [medeverdachte 2] en [C] heeft verzonden. De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van [verdachte] dat het eigenlijk offertes betrof voor nog te verrichten werkzaamheden. [medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting van 15 juni 2010 verklaard dat de werkzaamheden die staan vermeld op de nota’s van [bedrijf 2] gericht aan [medeverdachte 2] en [C] met de bedragen € 22.610,-, € 41.039,26 en € 56.822,50 niet zijn verricht. [medeverdachte 1] heeft deze nota’s ingediend bij de ABN-Amro bank en heeft [medeverdachte 2] en [C] hiervoor laten tekenen zodat de rekeningen aan [bedrijf 2] konden worden betaald. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] gevraagd of hij bereid was om bouwnota’s op te maken en hoeveel hij hiermee wilde verdienen. [verdachte] wilde hier € 5.000,- voor hebben. [medeverdachte 1] ging hiermee akkoord en zo is het geregeld, aldus [medeverdachte 1] ter zitting. In de facturen ten aanzien van [adres] en [adres] wordt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar voorgewend dat bedragen in rekening worden gebracht voor reeds verrichte werkzaamheden. Feit 4: witwassen ABN/Amro en/of Florius heeft op 13 november 2008 een bedrag van € 22.610- gestort op de bankrekening van [bedrijf 2] en op 17 november 2008 een bedrag van € 97.861,75. Deze bedragen zijn betalingen uit het bouwdepot ten behoeve van de [adres] te [plaats]. Door Aegon werd op de rekening van [bedrijf 2] op 11 november 2008 een bedrag van € 70.210,- gestort en op 14 november 2008 een bedrag van € 9.790 . Deze stortingen zijn betalingen uit het bouwdepot ten behoeve van het pand [adres] te [plaats]. In totaal is € 200.471,75 op de rekening van [bedrijf 2], het bedrijf van verdachte, gestort. Verdachte wist dat hij ten behoeve van deze panden valse facturen had opgemaakt en derhalve ook dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen. Hij heeft met betrekking tot de zaaksdossiers 3 en 4 dan ook ten minste het ten laste gelegde bedrag van € 5.296,00 voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij wist dat het door misdrijf was verkregen. Met betrekking tot zijn eigen woning [adres] te [woonplaats] heeft verdachte door oplichting op 8 oktober 2007 een bedrag van € 59.689,02 ontvangen, op 1 november 2007 een bedrag van € 68.450,- gestort gekregen en op 3 januari 2008 een bedrag van € 64.403,69. Dat deze bedragen niet alle betrekking hebben op het uitgekeerde bouwdepot, neemt niet weg dat deze bedragen door oplichting zijn verkregen. Immers terwijl verdachte wist dat hij niet voor [bedrijf 3] werkzaam was, heeft hij voor het verkrijgen van deze hypotheken inclusief bouwdepots, voorgewend dat hij werkzaam was bij [bedrijf 3] . Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte met betrekking tot het pand [adres] te [woonplaats] ten minste het in de tenlastelegging vermelde bedrag van € 174.682,19 voorhanden heeft gehad. 4.2.2 Partiële vrijspraken Feit 2: oplichting Ten aanzien van het pand aan de [adres] te [plaats] is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet betrokken is geweest bij het opmaken van valse stukken op grond waarvan een hypotheek en geldbedragen uit een bouwdepot zijn verkregen zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken. Het dossier biedt diverse aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van verdachte dat hij deze nota’s niet heeft opgemaakt. De lay-out en inhoud van de betreffende bouwnota’s verschillen op diverse aspecten van bouwnota’s van [bedrijf 2]. Tevens zal hij daarom van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen G, H en I worden vrijgesproken. Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het aangaan van hypothecaire leningen met betrekking tot de panden [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats]. Verdachte was alleen betrokken bij het verkrijgen van uitkeringen uit het bouwdepot. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het verkrijgen van de hypothecaire leningen . 4.2.3 Vrijspraak Feit 1: criminele organisatie De rechtbank zal verdachte van feit 1 vrijspreken nu de rechtbank van oordeel is dat de strafbare handelingen die verdachte heeft verricht van te incidentele aard zijn om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken. Verdachte is niet betrokken geweest bij de verkrijging van hypothecaire leningen betreffende de panden aan de [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats]. Verdachte heeft enkel bouwfacturen opgemaakt ten behoeve van de panden [adres] en [adres]. 4.3 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 2. op tijdstippen in de periode van 1 november 2006 tot en met 2 juni 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en / of (een) ander (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.