RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 08/390 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht, eiseres 1, Stichting Zuidhollandse Milieufederatie, te Rotterdam, eiseres 2, Coöperatie Mobilisation for the environment, te Nijmegen, eiseres 3, eiseressen, gemachtigde: drs. ing. J.G. Vollenbroek, en de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigde: mr. F.S. de Waal, derde belanghebbende: BIOX Group B.V. , vergunninghouder, gemachtigde: prof mr. T van Barkhuysen. Inleiding 1.1 Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BIOX Group B.V."(vergunninghouder) vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren(Wvo) verleend voor het lozen van afvalwater en vergunning verleend als bedoeld in de Wet op de waterhuishouding(Wwh) voor het onttrekken en lozen van water. Dit besluit is op 26 oktober 2006 ter inzage gelegd. Eiseressen hebben hiertegen beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ingesteld. Bij uitspraak van 7 november 2007 heeft de Afdeling het beroep voor wat betreft de verleende vergunning ingevolge de Wvo gegrond verklaard. Bij brief van 22 januari 2008 heeft de Afdeling het beroep voor wat betreft de verleende vergunning ingevolge de Wwh naar deze rechtbank doorgezonden. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 28 april 2010, waar eiseressen bij gemachtigde zijn verschenen. Eiseressen en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. De vergunninghouder is met bericht van verhindering niet verschenen. Overwegingen 2.1 In geschil is de aan de vergunninghouder verleende vergunning op grond van de Wwh met betrekking tot het onttrekken van oppervlaktewater aan en het lozen van afvalwater op het Yangtzehaven. 2.2 De rechtbank stelt vast dat namens de vergunninghouder een gecombineerde aanvraag is ingediend voor een vergunning op grond van de Wm, de Wvo en de Wwh. Daarbij is verzocht om de procedure te coördineren. 2.3 Niet in geschil is dat eiseressen geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. De rechtbank overweegt dat hen dit echter redelijkerwijs niet kan worden verweten, nu verweerder, zoals evenmin in geschil is, heeft nagelaten, overeenkomstig artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit in de Staatscourant te plaatsen. De enkele omstandigheid dat, zoals verweerder stelt, een van de eiseressen wel zienswijzen naar voren heeft gebracht over het ontwerp van het besluit tot milieuvergunning en van dit ontwerp gelijktijdig met het ontwerp van het bestreden besluit kennis is gegeven, op de voor het ontwerp van het besluit tot milieuvergunning vereiste wijze, geeft de rechtbank nog geen aanleiding voor een andersluidend oordeel hieromtrent. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit immers nog niet per definitie dat eiseressen ook op de hoogte waren van het ontwerp van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat potentiële belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:12, tweede lid, van de Awb. De rechtbank ziet in de ernst van het verzuim geen aanleiding om zoals verweerder heeft aangevoerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb vernietiging van het bestreden besluit achterwege te laten. 2.4 Eiseressen hebben vervolgens ter zitting verklaard geen gelegenheid meer te willen om alsnog hun zienswijzen kenbaar te maken. Zij hebben de rechtbank verzocht het besluit te vernietigen, omdat verweerder onvoldoende voorschriften over de visintrek heeft opgenomen in het besluit. Deze voorschriften zijn op grond van de BAT Reference document Industriële koelsystemen (BREF)verplicht. 2.5 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak is voor aanvullende voorschriften, die zien op het tegengaan van visintrek, op te nemen in de Wwh- vergunning. Voorts ziet een vergunning op grond van de Wwh vooral op effecten van waterstromen en waterpeil en ook economische belangen naast op menselijk gebruik gerichte belangen kunnen worden betrokken bij het stellen van voorschriften bij een waterkwantiteitsvergunning. Verweerder verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 oktober 1994 en 18 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.