RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/440535-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1976] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [woonadres] raadsman mr. S.D. Kurz, advocaat te Utrecht
(3)hennepoogsten in werking zijn geweest. De koolstoffilters waren door het gebruik ter plaatse matig vervuild”. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [betrokkene 1] over de mate van vervuiling van koolstoffilters heeft verklaard tegenstrijdig is. Zijn stelling dat het filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters dermate vervuild was dat de filters minimaal 3 hennepoogsten in werking zijn geweest, wordt door hem niet nader onderbouwd. De rechtbank zal de door [betrokkene 1] gestelde mate van vervuiling om die reden bij haar beoordeling buiten beschouwing laten en zal enkel uitgaan van zijn constatering dat het filtermateriaal van de koolstoffilters vervuild was. Uit de door [betrokkene 1] geconstateerde overige feiten en omstandigheden, te weten het stof op de assimilatielampen, de aangetroffen kalkaanslag, het hennepafval en de restkluiten met afgeknipte steel en wortels van hennepplanten, leidt de rechtbank af dat verdachte in ieder geval één keer eerder heeft geoogst. De stelling van de verdediging, dat verdachte 9 à 10 weken voorafgaande aan de doorzoeking in het pand is gaan wonen en dat hiervoor Polen in het pand hebben gewoond, acht de rechtbank bij gebreke van enige nadere onderbouwing niet aannemelijk. Uitgaande van de periode voor een volledige hennepoogst van 70 dagen, de ouderdom van de plantjes in ruimte 2 van ongeveer 7 dagen oud, en de omstandigheid dat verdachte op 7 september 2009 materiaal heeft aangeschaft, acht de rechtbank de periode van 1 september 2009 tot en met 10 december 2009 bewezen. 4.
- De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
- hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 10 december 2009 te Maarssen opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt in een pand gelegen aan de [adres] nummer 2 en de [adres] nummer 9j aldaar een hoeveelheid van in totaal 376 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
- hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 10 december 2009 te Maarssen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
- De strafbaarheid 5.
- De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op. feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. 5.
- De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
- De strafoplegging 6.
- De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft, gelet op het feit dat verdachte vaker is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 6.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd verdachte een werkstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal betekenen dat verdachte zijn werk verliest. Gelet op de financiële situatie is oplegging van een geldboete niet passend, aldus de raadsman. 6.
- Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opbouwen en in stand houden van een tweetal hennepkwekerijen. Een ernstig feit nu dit soort kwekerijen een onderdeel zijn van de keten die het gebruik van softdrugs faciliteert. Een keten die uit is gegroeid tot een aanzienlijke organisatie en die veelal gepaard gaat met het plegen van andere strafbare feiten. De teelt en verhandeling van softdrugs veroorzaken onrust in de samenleving. Verdachte heeft daarbij een illegale stroomvoorzieningen aangelegd door af te tappen voor de meter. Een dergelijke elektrische installatie levert (brand)gevaar op voor de betreffende woning en de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk om al de gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Uit het strafblad van verdachte van 6 juli 2010 volgt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld wegens het handelen in strijd met een in de Opiumwet gegeven verbod. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een werkstraf, zoals door de raadsman is betoogd, een gepasseerd station is. Alles afwegende, is een gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden. Een gedeelte van deze straf, te weten 2 maanden, wordt voorwaardelijk opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, kan worden volstaan.
- De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
- De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: * omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2010.