vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 275504 / HA ZA 09-2377 Vonnis van 27 oktober 2010 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid J.L. DE JONG TOURINGCARBEDRIJF ROTTERDAM B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BESSELING TRAVEL B.V., gevestigd te Amersfoort, 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven. Partijen zullen hierna De Jong, Besseling en Achmea genoemd worden. Gedaagden gezamenlijk zullen als Besseling c.s. worden aangeduid. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 januari 2010; - het proces-verbaal van comparitie van 18 maart 2010. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. De Jong en Besseling houden zich bezig met (onder meer) de verhuur van touringcars ten behoeve van personenvervoer. Achmea is de WAM-verzekeraar van Besseling. 2.2. Op 19 januari 2008 stond op een parkeerplaats een touringcar van De Jong geparkeerd naast (onder meer) een touringcar van Besseling. Op enig ogenblik is er brand uitgebroken in de touringcar van Besseling, die is overgeslagen naar de touringcar van De Jong. De touringcar van Besseling is daarbij volledig verloren gegaan en de touringcar van De Jong is beschadigd. 2.3. Op 26 januari 2008 heeft de heer Lang van Deskundigenbureau Lang in opdracht van EvoBus, de leverancier van de touringcar van Besseling, onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand in de touringcar van Besseling. Lang heeft zijn bevindingen opgeschreven in een rapport van 8 februari 2009. In een brief van 1 april 2008 van EvoBus aan Achmea wordt een passage uit dat rapport geciteerd. In dat citaat staat onder meer: “Aangezien het voertuig tijdens de brand aanzienlijk is vernield, kon er - ondanks het omvangrijke zorgvuldige onderzoek van het voertuig - geen direct oorzakelijk verband worden gelegd tussen de technische systemen van het voertuig, in het bijzonder de elektrische apparatuur en het extra verwarmingsapparaat, en de brand. Bovendien kon niet met de vereiste mate van betrouwbaarheid worden uitgesloten, dat een externe vuurbron die niets met het voertuig van doen had, de oorzaak van de brand is geweest, omdat de plaats van de brand niet meer in de oorspronkelijke toestand werd aangetroffen.” 2.4. Ook Achmea heeft onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand in de touringcar van Besseling. In een rapport van 11 februari 2008 staat onder meer: “De oorzaak van de brand is door de enorme ravage niet meer exact vast te stellen. Er kunnen naar mijn mening drie oorzaken zijn: 1. de standkachel van de bus omdat deze in werking was op het moment dat de brand uitbrak en in de kou van januari flink heeft moeten werken om de bus opgewarmd te krijgen. Een standkachel is hier echter op ontworpen waardoor je ook onder dergelijke omstandigheden geen oververhitting met brand als gevolg hoeft te verwachten. Tegen spreekt ook dat de kachel niet het onderdeel lijkt te zijn geweest dat het heetst was in de brand. De behuizing bijv. is nog intact, dus niet gesmolten of zo. Dat zou echter weer verklaard kunnen worden door de straffe wind die van de strandkachel af naar links stond, in de richting van de motor en de radiateuren (resp. midden- en linkerachterzijde). De radiateuren zijn helemaal weggesmolten en ook op de motor zijn enkele onderdelen gesmolten. 2. er heeft mogelijk materiaal van buitenaf (bijv. tegen de uitlaat van de kachel aangewaaid bermgras/hooi of ander brandbaar materiaal) vlam gevat door de hete uitlaat van de kachel waarna de brand zich voortplantte in de motorruimte. 3. de brand is aangestoken door vandalen. Er hebben zich volgens verzekerde wel verdachte jonge personen opgehouden rond de bus. Niet duidelijk is of deze zijn herkend en opgepakt.” 2.5. Namens De Jong zijn zowel Achmea (op 26 februari 2008) als Besseling (op 5 december 2008) aansprakelijk gesteld voor de schade, die zij stelt als gevolg van de brand te hebben geleden. Achmea heeft, mede namens Besseling, aansprakelijkheid betwist. 2.6. Vervolgens heeft Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau B.V. (hierna: Stekelenburg) in opdracht van De Jong een onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. In haar rapport van 8 juni 2009 staat onder meer: “Onderzoek restanten bus van Besseling (…) Van de standkachel werd alleen de metalen behuizing aangetroffen, nog samen met de aluminiumbehuizing van de elektronische regeling (…). Aan het geheel kon door ons op geen enkele wijze meer een oorzaak van de brand worden herleid. ONDERZOEK STANDKACHEL Een standkachel is bestemd voor en bestand tegen hoge temperaturen en mag door een chauffeur op elk moment in werking worden gezet. Diverse veiligheden bewaken het functioneren van de standkachel. De brandstof betreft dieselolie die van de hoofdtank van de bus wordt betrokken. De standkachel heeft een eigen rookgasuitlaat, die met een metalen buis onder de bus wordt gevoerd. OPMERKINGEN Uw vragen in uw schrijven van 27 februari 2009 moeten wij als volgt beantwoorden: a. of de brandoorzaak is gelegen in de bus van Besseling werd door ons vastgesteld dat gelet op de uitgebreide verklaringen van een politieman en van de beide betrokken chauffeurs geen twijfel bestaat dat de brand ontstond in de motorruimte in de achterzijde (motorruimte) van de bus van Besseling b. of de brand is veroorzaakt door een fout van de chauffeur van Besseling werd door ons vastgesteld dat geen aanwijzingen zijn, dat de oorzaak van de brand samen kan hangen met een fout van de chauffeur van Besseling c. of de brand is veroorzaakt door een gebrek aan de bus (gebrekkige zaak) van Besseling op basis van uitsluiting van mogelijke oorzaken moeten wij vaststellen dat de oorzaak van de brand waarschijnlijk een technisch gebrek in de bus van Besseling betreft de juiste oorzaak binnen de bus van Besseling kan door ons echter niet meer worden vastgesteld.” 3. Het geschil 3.1. De Jong vordert samengevat - veroordeling van Besseling c.s. tot betaling van in totaal EUR 57.197,02, vermeerderd met rente en kosten. Genoemd bedrag bestaat onder meer uit een bedrag van EUR 22.500,00 ter zake van schade aan de touringcar van De Jong en een bedrag van EUR 12.765,00 betreffende bedrijfsschade. 3.2. De Jong grondt haar vordering primair op artikel 6:173 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens De Jong moet de touringcar van Besseling worden aangemerkt als een gebrekkige zaak in de zin van dat artikel en is Besseling daarom aansprakelijk voor de schade die De Jong heeft geleden. Subsidiair stelt De Jong dat sprake is van onrechtmatig handelen van de chauffeur van Besseling. Haar vordering jegens Achmea grondt De Jong op artikel 6 van de WAM. 3.3. Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een gebrekkige zaak brengt De Jong in haar dagvaarding onder meer naar voren dat de brand kennelijk spontaan in de motorruimte (ter plaatse van de standkachel) is ontstaan en dat het een feit van algemene bekendheid is dat touringcars niet zomaar in brand vliegen en dat tal van motorische defecten brand tot gevolg kunnen hebben. Ter comparitie heeft De Jong gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat indien er een gebrek aan een motor of een standkachel is, dit gevaar kan opleveren voor zaken of personen. De Jong heeft daartoe aangevoerd dat een standkachel een apparaat is wat heet wordt en waarin brandstof zit, en dat als daarin een gebrek is, er dus een kans bestaat dat de kachel in brand gaat. Volgens De Jong zijn er indicaties dat de oorzaak van de brand gelegen was in de standkachel. Verder heeft De Jong ter comparitie naar voren gebracht dat de doelgroep ermee bekend is dat indien een bus een gebrek heeft, de kans bestaat dat het gevaar oplevert voor personen en zaken. De Jong heeft ter onderbouwing van haar stellingen verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2009 (LJN: BI5044), waarin is overwogen dat van een auto bekend is dat deze, wanneer zij niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert. 3.4. Besseling c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van De Jong in haar vorderingen, althans om deze te ontzeggen, met veroordeling van De Jong in de kosten van de procedure bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Besseling c.s. betwist onder meer dat de oorzaak van de brand was gelegen in (de standkachel van) de touringcar van Besseling. Ook betwist Besseling c.s. de door De Jong gestelde feiten van algemene bekendheid en voert zij aan dat het voor de toepassing van artikel 6:173 BW noodzakelijk is om vast te stellen welk specifiek gebrek tot het bijzonder gevaar heeft geleid. Doordat de touringcar van Besseling volledig is uitgebrand, is dat in het onderhavige geval onmogelijk, aldus Besseling c.s. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Primair: artikel 6:173 BW 4.1. De Jong grondt haar vordering primair op artikel 6:173 BW. In dat artikel is bepaald dat de bezitter van een onroerende zaak waarvan bekend is dat zij, als zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. In de norm van artikel 6:173 BW liggen aldus meerdere vereisten besloten. Om tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:173 BW te kunnen concluderen moet ten eerste komen vast te staan dat de (standkachel van) touringcar niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De Jong stelt dat daarvan sprake was, wat Besseling c.s. betwist. Verder zal onder meer moeten komen vast te staan dat bekend is dat de (standkachel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.