RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/440610-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1989] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats] thans uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Zwolle raadsvrouwe mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: t.a.v. feit 1 primair: met anderen een overval op een woning heeft gepleegd, waarbij de bewoner werd bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en waarbij de bewoner geweld is aangedaan; t.a.v. feit 1 subsidiair: met anderen gepoogd heeft een overval op een woning te plegen, waarbij de bewoner werd bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en waarbij de bewoner geweld is aangedaan; 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overval, zoals hem is ten laste gelegd onder feit 1 primair, heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting en de verklaringen van de medeverdachten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en wijst daarbij op het ontbreken van het bewijs voor het opzet voor het toegepaste geweld en het opzet op het wegnemen van de sieraden en een relatief klein geldbedrag. Verdachte had de opzet om een groot geldbedrag weg te nemen, samen met drie anderen. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het geweld dat zij hebben toegepast op aangever. Ook kan hem niet worden verweten dat iemand anders uit de groep sieraden en/of minder geld heeft weg genomen. Hierop was zijn opzet immers niet gericht. Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair is de raadsvrouwe van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het geweldselement. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Onderstaande voetnoten verwijzen steeds naar het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van politie met nummer 2010072749 C, welk proces-verbaal doorlopend is genummerd tot en met p. 1255. Daar waar gesproken wordt over aanvullende of andersoortige processen-verbaal wordt dit vermeld. De rechtbank is bij zijn beoordeling uitgegaan van de volgende, door de daarbij genoemde wettige bewijsmiddelen onderbouwde, feiten en omstandigheden: Feit 1 Op 22 maart 2010 wordt door de buurvrouw van aangever [slachtoffer] opgemerkt dat er geen beweging is in het huis van aangever. Uiteindelijk belt mevrouw [A] de politie . Deze gaan met behulp van de reservesleutel die zij in bezit heeft bij aangever [slachtoffer] naar binnen. Zij treffen de heer [slachtoffer] liggend op zijn buik op de grond van zijn slaapkamer aan. Zijn handen en voeten zijn gebonden en hij ligt met zijn gezicht in een kussen. Ook is om zijn hoofd en mond een doek met tape gewikkeld. Zijn gezicht vertoont veel aangezichtsletsel. De politie ziet ook dat de woning overhoop is gehaald . Aangever heeft verklaard dat er op zondagochtend werd aangebeld. Toen hij opendeed zag hij dat er jongens aan de deur stonden die hem beet pakten en aan de kant duwden. Eén van de mannen had een revolver in zijn hand. Zij hebben hem op het bed neergegooid en er werd iets voor zijn mond gedaan, zodat hij niet kon schreeuwen. Door de andere persoon werden zijn benen vastgebonden. Ook werd hij door een van de jongens geslagen. Achteraf mist hij € 60,= uit zijn portemonnee. . Als gevolg van de overval heeft het slachtoffer het navolgende lichamelijke letsel opgelopen: - ernstige onderkoelingsverschijnselen; - zware hersenschudding; - diverse bloeduitstortingen/kneuzingen/zwellingen in/aan het gelaat; - diverse bloeduitstortingen/zwellingen aan/op zijn lichaam; - gekneusde ribben; - pijnlijke rechterheup; - diverse ontvellingen aan zijn bovenlichaam. Verdachte [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij was benaderd door [medeverdachte 1], die had hem verteld dat de tip waarschijnlijk van [B] afkomstig was. [medeverdachte 1] had hem verteld dat er € 75.000,= te halen zou zijn. Omdat hij geld nodig had besloot hij mee te gaan. Op zaterdagavond 20 maart 2010 is hij met [medeverdachte 1] naar de woning gereden. Omdat het niet goed voelde, zijn zij weer weggegaan. In de nacht werd hij wederom telefonisch benaderd door [medeverdachte 1], waarop hij besloot om de overval de volgende ochtend te plegen. Ook vertelde [medeverdachte 1] hem dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden meegaan. In de auto werd afgesproken dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als eersten naar binnen zouden gaan. Dan zouden hij en [medeverdachte 2] volgen. Eenmaal binnen zag hij de man in de slaapkamer. [medeverdachte 3] zat op de man, zodat deze niet weg kon komen. Ook [medeverdachte 1] liep naar de man om hem in bedwang te houden. [medeverdachte 2] was ook in die kamer. Hij zelf doorzocht een kamer in de woning en zag dat de meterkast kennelijk al doorzocht was, omdat de deur openstond. Hij zag later dat de man vastgetaped was. Hij hoorde gebons uit de kamer komen waar de man zich bevond. [medeverdachte 2] heeft hem na de overval verteld dat [medeverdachte 2] het gebons had veroorzaakt . Bij de politie heeft verdachte [verdachte] als volgt verklaard. Op 20 maart 2010 heeft hij de situatie reeds met medeverdachte [medeverdachte 1] verkend. De volgende ochtend zijn zij er weer naar toe gegaan, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Er zou € 75.000,= in het huis aanwezig zijn. Volgens hem was er geen duidelijk plan. [medeverdachte 1] had een wapen. De man is met grijze tape vastgebonden. Deze rol lag in de auto van [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft gezien dat [medeverdachte 3] met zijn knie op de nek van de man zat, om de man rustig te krijgen. Hij heeft niet gezien wie de man het letsel heeft toegebracht . Deze verklaring wordt gedeeltelijk ondersteund door de verklaring van de medeverdachten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [B] hem op een verjaardag in Oldebroek heeft verteld dat bij zijn opa geld lag. Hij had hem ook gezegd dat als er iets zou gebeuren, hij wilde meedelen in de opbrengst. [B] is [B] en zijn stiefopa is de heer [slachtoffer]. [B] kon zelf niet meedoen, omdat hij zijn kinderen thuis had. Hij verklaart dat hij de voorverkenning met medeverdachte [verdachte] heeft gedaan. Er is niet gesproken over tapen, maar het werd wel meegenomen en daarom was hij ervan uitgegaan dat het slachtoffer zou worden getaped. Hij had in de auto [B] een sms gestuurd met de tekst dat het niet gelukt was, [B] had er niet op gereageerd . Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft hierover het volgende verklaard. In de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] werd erover gesproken. Toen besloten was om er heen te gaan, is [medeverdachte 3] eerst langs huis gereden om een pistool te halen, om daarmee te dreigen. De anderen waren daarvan op de hoogte. Volgens hem was er van tevoren weinig afgesproken. [medeverdachte 1] en hij gingen als eersten naar de woning, ter plaatse bedachten hij en [medeverdachte 1] de rolverdeling, [medeverdachte 1] zou het wapen op de buik van de man zetten en hij zou de mannen dan de woning in duwen. Daarna zou hij, [medeverdachte 3], de man tapen. Het wapen van [medeverdachte 1] was geladen. Het pistool van [medeverdachte 3] niet. . [medeverdachte 1] heeft de man met zijn pistool tegen het hoofd getikt. De tape lag in de auto van [medeverdachte 1] en was meegenomen uit de woning van [medeverdachte 2]. De bruine tape kwam uit de woning van de man. De man werd door verdachte [medeverdachte 3] de slaapkamer in gedreven en op zijn bed gelegd. De man werd echter niet rustig en beiden vielen tussen de bedden op de grond. Omdat de man niet rustig werd heeft [medeverdachte 3] hem gezegd dat hij hem zou omleggen. [medeverdachte 2] kwam toen en heeft de man met zijn hoofd op de grond geslagen, waarna de man door [medeverdachte 2] en hem werd getaped. De mond, handen en voeten van de man werden door hen getaped. Op dat moment werd de woning door de anderen doorzocht. Toen zij de woning verlieten dacht [medeverdachte 3] dat zij de man voor dood achter hadden gelaten. Verdachte [medeverdachte 3] heeft sieraden meegenomen . Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft hierover het volgende verklaard. Met zijn vieren zijn zij in de woning van de man geweest. Er zou daar een groot geldbedrag in de meterkast liggen. Hij is samen met [verdachte] naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] had een pistool bij zich en die was de hele tijd bezig bij de man bij het bed. [medeverdachte 3] heeft de man ook vastgetaped. Ook [verdachte] had een pistool bij zich, waarmee hij de man ook heeft geslagen. [verdachte] zat bovenop de man en beukte in op die man met zijn handen. Ook heeft hij [verdachte] met bruin tape gezien. Ook sloeg [verdachte] de man met zijn handen op zijn hoofd. Hij heeft de woning rond gekeken en zag in de keuken een portemonnee met daarin kleingeld en passen. Hij heeft de portemonnee onaangeroerd laten liggen. Hij is naar buiten gelopen en heeft met [medeverdachte 1] in de auto gewacht op de anderen . Als getuige heeft [medeverdachte 2] ter zitting verklaard dat de [verdachte] waarover hij heeft verklaard [verdachte] is. Hij wilde zijn naam niet noemen, omdat hij hem er buiten wilde houden. Het is echter niet zo dat [verdachte] de dingen heeft gedaan waarover hij in zijn verklaring bij de politie heeft verteld dat [verdachte] die gedaan zou hebben. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 2] heeft gehoord dat [medeverdachte 2] in de woning is geweest met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hadden aangebeld bij de woning. De bedden waren door de worsteling uit elkaar geschoven en de man was er tussen gevallen. Later zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] naar binnen gegaan. [medeverdachte 2] had de man met zijn hoofd op het beton geslagen, om te weten te komen waar het geld zou liggen, omdat zij het geld niet konden vinden in de woning. Volgens [medeverdachte 2] had een ander een kussen op het hoofd van de man gedrukt. Dit was [medeverdachte 1]. De man was vastgetaped met bruine tape uit de woning en het huis was doorzocht. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hadden flink liggen worstelen met de man, en [medeverdachte 3] had de man een klap gegeven. [medeverdachte 1] had als eerste de woning verlaten omdat hij het niet meer aan kon. [medeverdachte 2] had een tip gekregen. De vader van die tipgever was een kennis of aangetrouwde familie van de man . Getuige [getuige 2] geeft, omdat zijn naam rondging als mogelijke dader, de politie ongevraagd informatie, inhoudende dat hij van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft gehoord dat zij in de woning waren geweest, samen met iemand waarvan hij de naam niet kent. Eerst gingen twee van de vier mannen naar binnen en later zouden de twee afgewisseld hebben met de twee die aanvankelijk in de auto - op de uitkijk - bleven wachten. [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] heeft de man met een pistool geslagen. De man zouden zij op zijn buik hebben gegooid, waarbij iemand een been in de nek van de man hield. [medeverdachte 3] heeft de man getaped. De man zou flinke weerstand hebben geboden en er zou geen leven meer in de man hebben gezeten, op het moment dat zij de woning verlieten. Hij weet dat [B] een van de naasten is van het slachtoffer. [B] had hem de uitzending van tv op zijn laptop laten zien . Bewijsoverwegingen Uit het hiervoor weergegeven bewijs volgt dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tezamen een overval hebben gepleegd, die werd vergezeld van grof geweld tegen het slachtoffer. Gezien de voorverkenning, de voorbespreking bij [medeverdachte 2] thuis, de wetenschap bij de deelnemers met welk doel zij 21 maart 2010 samen op pad gingen, de wijze waarop de overval is gepleegd en zij tezamen weer huiswaarts keerden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en dat dit kan worden geduid als het “medeplegen” van die overval. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (voorwaardelijke) opzet was gericht op het gebruik van geweld. Immers, verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hielden er rekening mee dat het slachtoffer thuis was - wat gezien de dag en het tijdstip van de overval ook voor de hand lag - en zij namen wapens en tape mee om daarmee geweld tegen het slachtoffer te gebruiken dan wel met het gebruik daarvan te dreigen. Zij hebben daarmee allen de kans op de koop toe genomen dat zijzelf en/of hun mededaders daarbij ook geweld zouden gebruiken. Eenmaal in de woning is vervolgens grof geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het handelen van zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.