RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600248-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 november 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1935] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] A te [woonplaats] raadsman mr. R.G.J. Booij, advocaat te De Meern 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van15 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: de familie [benadeelde familie] heeft gestalkt; feit 2: heeft geprobeerd uit de woning van de familie [benadeelde familie] goederen/geld weg te nemen dan wel huisvredebreuk heeft gepleegd; feiten 3 en 4: een wapen en munitie voorhanden heeft gehad; feit 5: autosleutels, toebehorende aan de familie [benadeelde familie], heeft gestolen dan wel die autosleutels heeft verduisterd dan wel die autosleutels heeft geheeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft aangevoerd dat de passage “(zie zaak 16/610056-07: laatste veroordeling belaging betreft periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007)” in het onder 1 tenlastegelegde dient te leiden tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu uit de inhoud en strekking van deze passage zou volgen dat er sprake zou zijn van een herhaalde strafvervolging voor hetzelfde feit hetgeen in strijd zou zijn met het ‘ne bis in idem’-beginsel. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer niet opgaat. De opgenomen passage in de tekst van de tenlastelegging dient onmiskenbaar als een toelichting op de begindatum van 10 januari 2007 uit het onder 1 tenlastegelegde. Met de wijze waarop de tenlastelegging is ingericht is juist voorkomen dat een herhaalde strafvervolging voor hetzelfde feit plaatsvindt. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 primair en 5 ten laste gelegde feiten en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. De rechtbank kan, volgens de raadsman, tot een bewezenverklaring komen van de onder 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0950/10-000580. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. 4.3.1. Ten aanzien van feit 1: Tussen verdachte en de familie [benadeelde familie] bestaat reeds langer een burenruzie. Op 7 maart 2010 omstreeks 20.25 uur kreeg aangever [benadeelde 1] een sms-bericht van zijn alarminstallatie dat het alarm in de bijkeuken van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] was geactiveerd. De politie is ter plaatse gekomen en heeft in de woning van aangever verdachte aangehouden. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend op 7 maart 2010 de woning van de familie [benadeelde familie] te hebben betreden. Betreden erf Aangever [benadeelde familie] heeft bij de politie op 17 december 2009 verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte in de periode tussen 2007 en 2009 meermalen zijn erf heeft betreden. Verdachte heeft bekend dat hij een aantal malen op het terrein van de familie [benadeelde familie] is geweest. Brieven Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat er door verdachte verschillende brieven zijn verstuurd. Aangever heeft hierbij onder andere verklaard over: - een brief van 6 december 2007, gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin door verdachte is geschreven dat liegen en bedriegen het handelsmerk van de familie [benadeelde familie] is; - een brief van 7 februari 2008, gericht aan de huurders van de woning van de familie [benadeelde familie], waarin door verdachte is geschreven dat de familie [benadeelde familie] hen bespiedt met camera’s en waarin wordt gesproken over ziekelijke gedragingen van de familie [benadeelde familie]; - een brief van 1 mei 2008, gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin door verdachte het terrein van de familie [benadeelde familie] wordt omschreven als een zigeunerkamp; - een brief van 2 november 2009, gericht aan Staatsbosbeheer, waarin door verdachte is geschreven dat de familie [benadeelde familie] zwaar paranoïde is, dat zij van de voorzieningenrechter ongelooflijk op hun donder hebben gekregen en dat zij huurders uit hun woning hebben getreiterd; - een brief van 20 oktober 2008, gericht aan de Belastingdienst, waarin verdachte in de bij de brief behorende bijlage 3 aangeeft dat liegen en bedriegen het handelskenmerk is van de familie [benadeelde familie]. Verdachte heeft bekend de brieven te hebben geschreven. Het schijnen met een lamp Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte meermalen met een lichtgevend voorwerp heeft geschenen in de woning en het gastenverblijf van de familie [benadeelde familie]. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend met een lamp in het gastenverblijf van de familie [benadeelde familie] te hebben geschenen en op 7 maart 2010 ook in de woning van de familie [benadeelde familie] met een lamp te hebben geschenen. Beplakken van de ruiten Aangever [benadeelde familie] heeft bij de politie verklaard dat verdachte de ruit van het gastenverblijf heeft bespoten met een spuitbus, zodat de camera geen beelden meer kon opnemen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de ruiten van het gastenverblijf van de woning van de familie [benadeelde familie] heeft beplakt en besmeerd om het filmen door de familie [benadeelde familie] tegen te gaan. Fotograferen Aangever [benadeelde familie] heeft bij de politie verklaard dat verdachte meermalen de woning en het gastenverblijf van de familie [benadeelde familie] en hun bezoekers heeft gefotografeerd. Op een bij verdachte inbeslaggenomen fotocamera worden foto’s aangetroffen van het erf, de woning, voertuigen en bezoekers de familie [benadeelde familie]. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend het gastenverblijf van de familie [benadeelde familie] te hebben gefotografeerd. Versperren pad Aangever [benadeelde familie] heeft verklaard dat verdachte het pad naar de woning van de familie [benadeelde familie] op 27 mei 2009 heeft geblokkeerd. De politie is ter plaatse geweest om de versperring op te heffen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend het pad eenmaal te hebben versperd. Vernielingen Aangever [benadeelde familie] heeft verklaard dat na aanhouding van verdachte op 7 maart 2010 in de woning van aangever de deur naar de bijkeuken er volledig uit was en dat er beschadigingen zaten op de deurposten. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de deur naar de bijkeuken heeft beschadigd. Aanvullende bewijsoverwegingen Ten aanzien van de wederrechtelijkheid In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 2) bij het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van belaging, het huidige artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, wordt belaging, ook wel “stalking” genoemd, als volgt omschreven: “Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van de benadeelde partij, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van de benadeelde partij, het verspreiden van valse geruchten over het benadeelde partij, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het benadeelde partij, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot de benadeelde partij uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega’s, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt de benadeelde partij vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. De benadeelde partij kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc. Veel benadeelde partijs voelen zich gevangene in eigen huis.” Bij de beoordeling of in het ten laste gelegde geval sprake is geweest van belaging, zal de rechtbank deze opmerkingen bij de beoordeling betrekken. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de familie [benadeelde familie] herhaaldelijk heeft lastig gevallen en daardoor een inbreuk heeft gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft dit gedaan door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals het betreden van het erf van de familie [benadeelde familie], het schijnen met een lamp in het gastenverblijf en de woning, het besmeuren en beplakken van ruiten en door het schrijven van brieven aan diverse personen en instanties. Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de door hem verrichte handelingen uitsluitend heeft verricht ter bescherming van zijn eigen privacy. Verdachte heeft bij de politie vele malen aangifte gedaan tegen de familie [benadeelde familie] en hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn aangiftes wilde ondersteunen met fotomateriaal. Om deze foto's te kunnen maken, heeft hij het erf van de familie [benadeelde familie] betreden. De rechtbank volgt verdachte daarin niet. Zo er al een idee bestond bij verdachte van de schending van zijn privacy door de familie [benadeelde familie], rechtvaardigt dat het gedrag van verdachte niet. De verhoudingen tussen verdachte en de familie [benadeelde familie] waren reeds gedurende lange tijd ernstig verstoord. Gelet hierop en gelet op de frequentie van de gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de grenzen van het maatschappelijk betamelijke ver overschreden heeft. De inbreuken op de levenssfeer van de familie [benadeelde familie] waren dan ook wederrechtelijk. Ten aanzien van de brief aan huurders De verdediging heeft aangevoerd dat uit het bewijs niet kan volgen dat de brief van 7 februari 2008 aan de huurders van de woning, bij de geadresseerden is aangekomen. De rechtbank verwerpt dat verweer. Voor de vraag of sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is niet van belang of deze brief bij de geadresseerden is aangekomen. Zoals verdachte ter zitting heeft verklaard heeft hij de brief geplakt op de deur van de woning die de huurders van de familie [benadeelde familie] huurden. Met deze gedraging heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de familie [benadeelde familie]. Vrijspraak ten aanzien van vernielingen Door aangever [benadeelde familie] is verklaard dat er in en rond de woning van de familie diverse goederen zijn vernield. Met uitzondering van de vernieling van de bijkeukendeur met deurposten op 7 maart 2010 ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de overige vernielingen zijn gepleegd door verdachte. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de binnendeur van de woning van de familie [benadeelde familie] heeft beschadigd. Van de andere vernielingen zal verdachte worden vrijgesproken. Vrijspraak ten aanzien van autosleutels en beeldmateriaal Aan verdachte wordt onder de onder 1 ten laste gelegde belaging verweten dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het voorhanden hebben van autosleutels van de familie [benadeelde familie] en aan het voorhanden hebben van beeldmateriaal, toebehorende aan de familie [benadeelde familie]. Vast staat wel dat de verdachte de autosleutels en het betreffende beeldmateriaal voorhanden heeft gehad, maar dat is op zichzelf niet aan te merken als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de familie [benadeelde familie]. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken. 4.3.2. Ten aanzien van feit 2 Vrijspraak 2 primair Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het aan hem onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit. Bewijs 2 subsidiair Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 ; - de aangifte van [benadeelde 1] d.d. 7 maart 2010. 4.3.3. Ten aanzien van feit 3 Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 dat de ploertendoder in zijn woning aanwezig was; - kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 maart 2010 ; - het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 maart 2010 . Verdachte en de raadsman hebben wel gesteld dat de verdachte niet bewust was van de aanwezigheid van de ploertendoder omdat hij deze kwijt was, maar dat sluit voorwaardelijk opzet op die aanwezigheid niet uit: door het wapen niet op te zoeken en bij de politie in te leveren toen dat kon heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat dat zich nog in zijn woning bevond. 4.3.4. Ten aanzien van feit 4 Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 ; - een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 maart 2010 ; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2010. 4.3.5. Ten aanzien van feit 5 Vrijspraak 5 primair Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het aan hem onder 5 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit. Bewijs 5 subsidiair: Op 17 juli 2003 is door aangever [benadeelde familie] aangifte gedaan van diefstal van een sleutelbos, waaronder verschillende autosleutels. Door de politie worden in de woning van verdachte twee autosleutels in beslag genomen. Door de politie worden de onder verdachte inbeslaggenomen autosleutels geprobeerd in de aan de familie [benadeelde familie] toebehorende Mercedes (personenauto). Deze autosleutels blijken na onderzoek te passen in de sloten van de Mercedes. Verdachte heeft verklaard de autosleutels omstreeks 2004 te hebben gevonden in het bos. De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 5 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, omdat er geen overtuigend bewijs is van toeëigening. De rechtbank deelt dit oordeel van de raadsman niet. Omstreeks 2004 heeft verdachte de autosleutels gevonden in het bos. Op 8 maart 2010 worden de autosleutels aangetroffen in de woning van verdachte. Verdachte heeft over de autosleutels sinds het moment van vinden in het bos als heer en meester beschikt, door deze onder zich te houden zonder deze als gevonden aan de politie te melden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van toeëigening van de autosleutels door verdachte. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. in de periode van 10 januari 2007 (zie zaak 16/610056-07: laatste veroordeling belaging betreft periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007) tot en met 7 maart 2010 (dag van aanhouding in woning [benadeelde familie]) te [woonplaats], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (hierna: fam. [benadeelde familie]), met het oogmerk die fam. [benadeelde familie], te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens) wederrechtelijk en met vorenbedoelde opzet de navolgende op de persoonlijke levenssfeer van de fam. [benadeelde familie] inbreuk makende handelingen verricht: - eenmaal het plegen van huisvredebreuk bij de fam. [benadeelde familie] door hun woning zonder toestemming binnen te dringen en te betreden; - meermalen het plegen van erfvredebreuk; - een brief (van 6 december 2007, p. 102 0-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.