RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/711261-10; 13/726344-07 (vordering na voorw. veroordeling) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 december 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1981] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein. 1 Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter terechtzitting heeft op 9 september 2010, 2 november 2010 en op 29 november 2010 plaatsgevonden. Verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting telkens laten bijstaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging, met bovenvermeld parketnummer, behandeld. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht. 2 De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte opzettelijk twee personen van het leven heeft beroofd en één persoon zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door - met te veel alcohol op - met een te hoge snelheid een kruising op te rijden, terwijl het verkeerslicht voor hem op rood stond, waar hij tegen hun auto is aangereden, danwel subsidiair door aldus deel te nemen aan het verkeer hoogst roekeloos heeft gereden waardoor de slachtoffers werden gedood danwel zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. 3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De verdediging heeft betoogd dat er eenzijdig naar de schuldvraag is gekeken, waardoor doelbewust dan wel met grote veronachtzaming inbreuk is gemaakt op de rechten van verdachte. Dit dient volgens de verdediging tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te leiden. De verdediging heeft gesteld dat er geen onderzoek is geweest naar geruchten dat voorafgaande aan het ongeval er een straatrace is geweest, waarbij naast de bestuurder van de Renault Twingo, [slachtoffer 1], ook de bestuurder van een andere auto betrokken is geweest. Dit zou heel goed de bestuurder van de rode Ford geweest kunnen zijn, de heer [A]. Doordat het onderzoek zich alleen op verdachte heeft gericht, is de (mede)schuld van [slachtoffer 1] aan het verkeersongeval niet naar voren gekomen. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, aldus de verdediging. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank geen enkel aanknopingspunt dat de conclusie rechtvaardigt dat er, voorafgaande aan (dan wel ten tijde van) het verkeersongeval, een straatrace is geweest, waarbij de bestuurder van de auto, waarin de dodelijke slachtoffers zijn gevallen en de bestuurder van de rode Ford of van een andere auto, betrokken zijn geweest. Onderzoek van de politie naar aanleiding van geruchten over een straatrace heeft niets uitgewezen. Dat het onderzoek van de politie enkel gericht is geweest op het aantonen van de schuld van verdachte – en dus niet op objectieve waarheidsvinding – is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier aannemelijk geworden. Van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de rechten van verdachte is daarom geen sprake, zodat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Vaststaande feiten en omstandigheden De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen. Op 24 mei 2010 vond te Utrecht een verkeersongeval plaats op het kruispunt van de Brailledreef en de Taagdreef met de Loevenhoutsedijk. Bij dit verkeersongeval zijn twee personenauto’s betrokken; de bestuurder van een zwarte Volkswagen Lupo is op het kruisingsvlak tegen de rechter zijkant van een blauwe Renault Twingo gebotst. De Volkswagen Lupo werd bestuurd door verdachte. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], die in de Renault Twingo zaten, zijn door dit verkeersongeval overleden. [slachtoffer 1], de bestuurder van de Renault Twingo, heeft door dit verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een zware hersenschudding, een gekneusde long, een scheur in het heiligstaartbeen en een fractuur van de onderarm. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht – op grond van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen ten behoeve van het requisitoir – het onder 1 primair en 2 primair en onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met veel te hoge snelheid, onder invloed van veel alcoholhoudende drank, door een voor hem op rood staand verkeerslicht is gereden, zonder behoorlijk op te letten. Onder die omstandigheden heeft verdachte een auto aangereden, als gevolg waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn komen te overlijden en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op deze omstandigheden moet de uiterlijke verschijningsvorm van het rijgedrag van verdachte worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een ongeval met dodelijke afloop en met zwaargewonden, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. 4.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat de resultaten van het bij verdachte verrichte bloedonderzoek niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Het bloedonderzoek is onrechtmatig, omdat verdachte daarvoor geen toestemming heeft gegeven, aldus de verdediging. Dit behoort te leiden tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. De verdediging heeft voorts betoogd dat het aannemelijk is dat verdachte door groen licht is gereden en dat de maximale snelheid waarmee op de kruising mocht worden gereden 70 km/u betrof. Bij de berekening van de door verdachte gereden snelheid dient van het minimale te worden uitgegaan, te weten 83 km/u, waarmee de snelheidsovertreding van verdachte minimaal te noemen is, aldus de verdediging. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat [slachtoffer 1] heeft bijgedragen aan het verkeersongeval, doordat hij als bestuurder van de Renault Twingo door een rood verkeerslicht zou zijn gereden en hij geblowd zou hebben. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen wat verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 is ten laste gelegd. De handelingen die verdachte daartoe heeft verricht en die de rechtbank, behoudens hetgeen hiervoor onder 4.1 is omschreven, redengevend oordeelt voor deze conclusie zijn de volgende. Bloedonderzoek Van verdachte is, nadat hij op 24 mei 2010 is overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht, bloed afgenomen. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] is gerelateerd dat verdachte voor het afnemen van zijn bloed toestemming heeft verleend. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft deze verbalisant zijn verklaring bevestigd en verklaard dat hij verdachte op de vraag of van hem bloed mocht worden afgenomen ‘ja’ heeft zien knikken. Het resultaat van de analyse van het bloed door het Nederlands Forensisch Instituut bedraagt 1,08 milligram ethanol per milliliter bloed. Rekening houdend met het tijdsverloop tussen het ongeval en het tijdstip van de bloedafname heeft het NFI berekend dat het bloed van verdachte op het moment van het ongeval tussen 1,60 en 2,0 milligram ethanol per millimeter bloed bevatte. De enkele stelling van verdachte dat hij zich niet kan herinneren dat hem toestemming voor de bloedafname is gevraagd, maakt naar het oordeel van de rechtbank de bloedafname en het daarop volgende bloedonderzoek niet onrechtmatig. Voorts zijn er geen gebreken die aan het gebruik als bewijsmiddel in de weg staan. Het verweer op dit punt wordt daarom verworpen. Snelheid Door de politie is vastgesteld dat verdachte, als bestuurder van de Volkswagen Lupo, heeft gereden met een snelheid tussen de 83 en 128 km/u waar ter plaatse 50 km/u was toegestaan. Op grond van nader onderzoek is deze vaststelling bevestigd door het Nederlands Forensisch Instituut. Door rood Door de getuige [getuige] is bij de politie verklaard dat hij op 24 mei 2010 op de Brailledreef te Utrecht op de rechterrijbaan stil stond voor een rood verkeerslicht en dat hij zag dat een zwarte auto hem op de linkerrijbaan passeerde. [getuige] heeft voorts verklaard dat hij heeft gezien dat op het moment dat een Renault Twingo op de kruising reed deze vol in de rechterzijkant is geraakt door de zwarte auto. Hij heeft gezien dat het verkeerslicht pas enkele seconden na de botsing op groen sprong. Opzet of schuld De hiervoor door de rechtbank op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen uit dat verdachte onder invloed van een zeer aanzienlijke hoeveelheid alcohol in zijn bloed een auto heeft bestuurd. Daarbij komt dat hij reed met een veel te hoge snelheid en een rood licht negeerde. Het was weliswaar nacht, maar er bevonden zich meer auto’s op de weg. Op de kruising, rechts voor verdachte, stond een auto stil voor rood. Verdachtes rijgedrag is uitgemond in een verkeersongeval ten gevolge waarvan twee slachtoffers zijn komen te overlijden en één slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Uit deze wijze van rijden volgt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat de verdachte zich op hoogst onverantwoorde en roekeloze wijze in het verkeer heeft gedragen. Dit rechtvaardigt echter niét de conclusie dat verdachte opzet op de dood of het letsel van de slachtoffers heeft gehad, welke conclusie zou betekenen dat hij ten minste "willens en wetens" de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een ongeval met dodelijke afloop zou veroorzaken. De rechtbank overweegt dat bij een ongeval als in de onderhavige zaak het risico bestaat dat niet alleen een ander maar ook de veroorzaker van het ongeval zelf om het leven komt. Op basis van het rijgedrag van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zo duidelijk onverschillig was over de afloop van zijn gedragingen dat daarin een aanvaarding van de kans op de dood van de slachtoffers of op zijn eigen dood ligt besloten; andersoortig bewijs van die aanvaarding van de mogelijkheid van een heftige botsing waardoor een ander dan wel hijzelf het leven zou verliezen ontbreekt. Dat verdachte een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd voordat hij ging autorijden en dat hij vlak voor het verkeersongeval met veel te hoge snelheid reed en door rood licht reed, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Nu naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair is tenlastegelegd, behoort de verdachte daarvan te worden vrijgesproken. Medeschuld van [slachtoffer 1] De rechtbank overweegt hieromtrent dat in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. Dit kan in extreme situaties anders zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat zich een dergelijke situatie hier zeer zeker niet voordoet. De hoeveelheid THC die in het bloed van [slachtoffer 1] is aangetroffen is, zo is door het Nederlands Forensisch Instituut vastgesteld, niet van invloed geweest op zijn rijvaardigheid. Op basis van de inhoud van het dossier is niet vast te stellen of [slachtoffer 1] door een rood verkeerslicht is gereden. Al zou dit zo zijn geweest, dan heft dit naar het oordeel van de rechtbank de schuld van verdachte niet op. Het verweer van de verdediging strekkende tot de eigen schuld dan wel medeschuld van het slachtoffer [slachtoffer 1] wordt daarom verworpen. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.