RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/601006-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1955] te [geboorteplaats] gedetineerd in PI Utrecht – Huis van Bewaring Wolvenplein raadsvrouwe mr. C.C.A. Stallen, advocaat te Woerden 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: heeft geprobeerd een agent van de politie van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat hij deze agent van de politie heeft bedreigd; feit 2: [aangever 1] heeft bedreigd. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft aan een poging tot doodslag op een agent van politie, het onder 1 primair ten laste gelegde feit, en aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, het onder 2 ten laste gelegde feit. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde en zij heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde kan naar het oordeel van de raadsvrouwe wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Ten aanzien van feit 2: De neef van verdachte, [X], werd op 8 oktober 2010 aangesproken in de supermarkt C1000 door een medewerker van voornoemde supermarkt op verdenking van diefstal. Verdachte stond op dat moment buiten de winkel en zag dat zijn neef werd aangesproken. Aangever [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat hij hoorde dat verdachte zich ermee begon te bemoeien. Hij hoorde verdachte schreeuwen, terwijl hij in de richting van [aangever 1] keek en wees: “Ik ruk je kop van je romp af! Kom maar even naar buiten dan zal ik je even in elkaar slaan”. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend deze bewoordingen te hebben geuit. De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake was een reële bedreiging, nu verdachte achter het hekje van de uitgang stond en daardoor de winkel niet in kon, waar aangever [aangever 1] zich bevond. De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsvrouwe en overweegt hiertoe als volgt. Gelet op de aard van de bewoordingen die verdachte heeft geuit en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, heeft bij aangever [aangever 1] de redelijke vrees kunnen ontstaan dat verdachte zijn bedreiging – eventueel later – daadwerkelijk zou uitvoeren. De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan ook wettig en overtuigend bewezen. 4.3.2 Ten aanzien van feit 1: Na het gebeuren zoals beschreven onder feit 2, is verdachte naar huis gegaan en heeft hij een mes opgehaald. Met dit mes in zijn zak is verdachte teruggekeerd naar de supermarkt. Ter plaatse zag verdachte verschillende agenten staan. Aangever [aangever 2] was op dat moment ter plaatse aanwezig in zijn functie van hoofdagent van politie. Aangever heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat verdachte aan kwam lopen en hierbij, door zijn manier van lopen en kijken, een agressieve indruk op hem maakte. Aangever [aangever 2] zag dat verdachte in de richting van de ingang van de winkel liep en kennelijk voornemens was om zich met het conflict in de winkel te gaan bemoeien. Hierop is aangever [aangever 2] naar verdachte gelopen en heeft verdachte aangesproken. Verdachte reageerde op een agressieve toon. Aangever [aangever 2] heeft zijn beide handen op de schouders van verdachte geplaatst en hem met geringe kracht naar achteren geduwd. Daarop volgend zag aangever [aangever 2] dat verdachte een mes uit zijn jas pakte en dit mes in de richting van zijn buik hield. Aangever [aangever 2] had op dat moment nog steeds de beide bovenarmen van verdachte vast. Aangever [aangever 2] voelde dat verdachte zijn armen naar voren trachtte te brengen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend het mes, terwijl hij voor aangever [aangever 2] stond, tevoorschijn te hebben gehaald. Verdachte stelt echter dat hij het mes alleen omhoog heeft gehouden en ontkent een stekende beweging te hebben gemaakt met het mes. De rechtbank acht echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het mes een stekende/zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de buikstreek van [aangever 2]. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De aangifte van [aangever 2], waarin gewag wordt gemaakt van een stekende beweging richting zijn buik, wordt ondersteund door de verklaring van verbalisant [verbalisant], die heeft gezien dat verdachte met zijn rechterhand een zwaaiende beweging maakte in de richting van de buikstreek van [aangever 2]. De raadsvrouwe heeft voorts nog aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om iemand van het leven te beroven en zeker niet [aangever 2]. De raadsvrouwe heeft aangegeven dat verdachte het mes heeft opgehaald naar aanleiding van hetgeen even daarvoor was voorgevallen in de supermarkt waar [aangever 2] niet bij betrokken was. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe. Blijkens de verklaring van [aangever 2] had verdachte, toen hij werd aangesproken door [aangever 2], het mes nog in zijn zak. Pas toen [aangever 2] verdachte bij de schouders had vastgepakt en hem naar achter heeft geduwd, heeft verdachte het mes tevoorschijn gehaald. Op dat moment ging het verdachte aldus niet meer om het incident in de supermarkt. De rechtbank overweegt voorts dat verdachte vervolgens heeft getracht de aangever [aangever 2] met het mes in zijn buik te steken. De rechtbank overweegt dat de buik een kwetsbare plek van het lichaam is, alwaar zich vitale delen bevinden. Het met een mes steken in de buik houdt het risico in zich dat als gevolg van die steek vitale organen, die relatief dicht onder de huidoppervlakte van de buik liggen, worden geraakt. Het door verdachte gebruikte mes is van een zodanig formaat dat daarmee steken kunnen veroorzaakt waarbij deze vitale organen daadwerkelijk worden geraakt. De kans dat aangever door deze steken zou komen te overlijden is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aanmerkelijk te noemen. Deze kans is door verdachte willens en wetens aanvaard en op de koop toe genomen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk, in de zin van voorwaardelijke opzet, het slachtoffer van het leven te beroven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.