RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 09/1224 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eisers], wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde: mr. M.J.G.H. Verviers, advocaat te Utrecht en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede, verweerder, gemachtigden: mr. A. Sanders en P. de Bree, werkzaam bij de gemeente Wijk bij Duurstede Inleiding 1.1 Bij besluit van 30 september 2008 heeft verweerder aan [A] (hierna: vergunninghouder) een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een machineberging en hooi- en stro-opslag op het perceel [perceel] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 25 augustus 2010, waar eisers zijn verschenen, vertegenwoordigd door gemachtigde voornoemd. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door gemachtigde voornoemd. Tevens is vergunninghouder verschenen. Overwegingen 2.1 Eisers hebben allereerst aangevoerd dat het bestreden besluit namens burgemeester en wethouders is genomen door een persoon die niet daartoe gemandateerd is. De rechtbank stelt naar aanleiding daarvan vast dat het betreden besluit van 23 maart 2009 is genomen door het waarnemend hoofd van de afdeling Dienstverlening namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede. Niet is gebleken dat aan genoemd waarnemend hoofd mandaat is verleend om namens verweerder te beslissen op de bezwaren. Het bestreden besluit is dan ook onbevoegd genomen, zodat het reeds op deze grond voor vernietiging in aanmerking komt. Anders dan namens burgemeester en wethouders is gesteld, is een bevoegdheidsgebrek niet een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd kan worden. 2.2 Bij brief van 19 mei 2009 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede het onbevoegd genomen besluit van 23 maart 2009 alsnog bekrachtigd. Nu het bevoegde orgaan daarmee het bestreden besluit inhoudelijk heeft overgenomen en het terugverwijzen van de zaak louter vanwege dit punt dus niet tot een andere uitkomst zal leiden, zal de rechtbank het bestreden besluit alsnog inhoudelijk beoordelen aan de hand van de overige beroepsgronden van eisers en beoordelen of er aanleiding bestaat om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dienaangaande overweegt zij als volgt. 2.3 De rechtbank gaat bij haar inhoudelijke beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft bij besluit van 17 september 2007 aan vergunninghouder met toepassing van artikel 6, achtste lid onder c, van het bestemmingsplan Buitengebied 2003 vrijstelling verleend voor het bedrijfsmatig vervaardigen en verkopen van haardhout op het perceel. Dit als nevenactiviteit bij het op dat moment aanwezige agrarische bedrijf. Het bedrijf is in 1928 opgericht en sindsdien ter plaatse gevestigd. Vergunninghouder heeft op 21 augustus 2008 een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een machineberging en hooi- en stro-opslag op het perceel. Bij besluit van 30 september 2008 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Het beroep is gericht tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde bouwvergunning. 2.4 Eisers hebben aangevoerd dat vergunninghouder in de loop der jaren zijn agrarische activiteiten heeft afgebouwd en de hoofdactiviteiten in de onderneming thans handel in hout en paardenhouderij zijn. Deze activiteiten kunnen echter niet als agrarische activiteiten worden beschouwd. Van een agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften is dan ook geen sprake, zodat het bouwplan niet ten dienste staat van een agrarisch bedrijf. Volgens eisers is er slechts sprake van het hobbymatig houden van dieren en is er daarnaast geen sprake van winstgevendheid van de activiteiten. Voorts heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van een agrarisch bedrijf en het bouwplan niet getoetst aan de ter plaatse geldende bestemming. De vergunning had om deze reden moeten worden geweigerd, aldus eisers. 2.5 Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied 2003 de bestemming ‘agrarisch gebied met landschapswaarden’. Het perceel heeft verder de aanduiding: P (paardenhouderij). Op grond van artikel 6, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de plankaart als ‘agrarisch gebied met landschapswaarden’ aangewezen gronden bestemd voor: a. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en andere werken; (…) c. de bedrijfsuitoefening die hierna is vermeld bij de aanduiding waarmee de desbetreffende gronden op de plankaart zijn aangeduid: aanduiding: bedrijfsuitoefening: paardenhouderij paardenhouderij, zonder rijhal of kantine; met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde en andere werken. Op grond van artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften, wordt in deze voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijf een bedrijf dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het fokken of houden van dieren, met uitzondering van paardenhouderijen. 2.6 Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of hier sprake is van een agrarisch bedrijf. De rechtbank overweegt dat artikel 6, eerste lid, in combinatie met artikel 1, aanhef en onder 6 van de planvoorschriften met zich meebrengen dat het in beginsel op de weg van verweerder ligt om zelf actief te onderzoeken of het bouwplan dient ten behoeve van een agrarisch bedrijf als bedoeld in de planvoorschriften. In deze planvoorschriften is immers uitdrukkelijk vermeld dat het moet gaan om gebouwen behorend bij agrarische bedrijven, terwijl het in dit bestemmingsplan ook gaat om een bepaalde vorm van agrarische bedrijvigheid. Weliswaar kan verweerder toegegeven worden dat in deze planvoorschriften niet de eis van een volwaardig bedrijf of soortgelijke term gesteld wordt, maar dat laat onverlet dat op enige manier voldoende helder moet zijn dat het bouwplan ten dienste staat van een agrarisch bedrijf zoals omschreven in deze planvoorschriften. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet uit de motivering van het bestreden besluit. In het bestreden besluit en de mondelinge toelichting ter zitting is het standpunt ingenomen dat er geen onderzoeksplicht zou bestaan en verwezen naar het vertrouwen dat verweerder moet kunnen stellen in de juistheid van de aanvraag. Dat laatste is echter een ander aspect van de beoordeling van een bouwaanvraag: uiteraard moet verweerder beoordelen of hetgeen wordt aangevraagd qua gebruik past binnen de bestemming; wanneer er grond is om aan te nemen dat een ander gebruik wordt beoogd dan hetgeen wordt aangevraagd, is verweerder zelfs verplicht de gevraagde bouwvergunning te weigeren. Daarnaast dient verweerder zelf toetsing aan de planvoorschriften te verrichten. Dat een aanvrager verantwoordelijk is voor de volledigheid en juistheid van zijn aanvraag doet hier niet aan af. Met eisers is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder een onderzoeksplicht heeft naar de vraag of de bebouwing ten dienste staat van een agrarisch bedrijf als omschreven in de planvoorschriften. Gelet hierop is de motivering van het bestreden besluit onjuist en is het bestreden besluit op dat punt niet in overeenstemming met artikel 7:12 van de Awb, dat voorschrijft dat besluiten op bezwaar dienen te berusten op een deugdelijke motivering. 2.7 De rechtbank merkt in dit verband echter wel op dat deze onjuiste motivering van het bestreden besluit haaks staat op hetgeen namens verweerder naar voren is gebracht in de hoorzitting bij de bezwarencommissie en op hetgeen in het verweerschrift is gesteld. Daaruit komt naar voren dat namens verweerder in de bezwaarfase wel enig onderzoek is gedaan naar de aard van het bedrijf van vergunninghouder. Zo blijkt uit de gedingstukken dat verweerder op 23 december 2008 een veetelling heeft gehouden bij vergunninghouder en heeft bezien of er een daarmee overeenstemmende milieuvergunning was. Gelet op toen geconstateerde omvang van de veestapel, zoals die ook blijkt uit de door vergunninghouder in beroep overgelegde landbouwtellingsgegevens over de jaren 2004 tot en met 2008, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er niet slechts sprake is van hobbymatig boeren, maar dat er sprake is van een bedrijf dat overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het fokken of houden van dieren. Dat de omvang van de veestapel de afgelopen jaren is afgenomen, zoals eisers stellen, vindt geen bevestiging in deze landbouwtellingsgegevens. Op basis van die gegevens dient te worden geconcludeerd dat de omvang van de veestapel gelijk is gebleven. Bovendien is er blijkens die landbouwtellingsgegevens en de toelichting van vergunninghouder ter zitting sprake van een gemengd bedrijf en is ook de akkerbouw relevant voor de vraag of sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf zoals hier is toegestaan. Uit de planvoorschriften blijkt voorts niet dat sprake moet zijn van winstgevende bedrijfsactiviteiten wil er sprake kunnen zijn van een agrarisch bedrijf, zodat naar het oordeel van de rechtbank een verdergaand onderzoek niet was aangewezen. Nu op grond van het voorgaande voor de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat het bouwplan ten dienste staat van een agrarisch bedrijf zoals ter plaatste op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. 2.8 Nu het beroep om hiervoor vermelde redenen gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van eisers in deze procedure. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 322,-). Tevens dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 23 maart 2009; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers, begroot op € 644,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 150,- eisers vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2010. De griffier: De rechter: mr. G.M.T.M. Sips mr. V.M.M. van Amstel afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.