RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummers: 07/389, 07/416-420 F BESCHIKKING VAN DE ENKELVOUDIGE KAMER VAN 18 NOVEMBER 2010 op het op 4 augustus 2010 ter griffie ingekomen beroepschrift ex artikel 67 lid 1 van de Faillissementswet (Fw), tevens houdende een tweetal verzoeken ex artikel 73 en artikel 74 FW, welk beroepschrift is ingediend door:
(5)procedures is gevoerd tussen (één of meer vennootschappen van) Kosako cs. enerzijds en één of meer van haar contractuele wederpartijen anderzijds, waarbij in geen geval tot aansprakelijkheid aan de zijde van Kosako c.s. is beslist; * voor zover voor die aansprakelijkheid wel voldoende grondslag bestaat, het aan franchisenemers is om de bestuurders daarop aan te spreken, omdat de boedel daarbij niet zonder meer betrokken is; * het met regelmaat voorkomt dat groeiprognoses van startende ondernemingen niet worden gerealiseerd, vooral wanneer (zoals in casu) van een ambitieuze groeiprognose sprake is; * een groot aantal van de door appellanten aangevoerde feiten - vooral deze met betrekking tot het realiteitsgehalte van de investering door GCBE S.A.- er enkel toe leidt dat de bestuurders het faillissement eerder hadden moeten uitlokken, maar niet dat het niet tot een faillissement zou zijn gekomen. 4.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris bij de beoordeling van het aan hem voorgelegde verzoek het juiste toetsingskader gebezigd en is hij bij de toepassing van dat kader tot de juiste uitkomst gekomen. De rechtbank maakt de beslissing van de rechter-commissaris en de gronden waarop deze berust daarom tot de hare. Daarbij telt dat in de desbetreffende faillissementen twee ervaren curatoren optreden, van verschillende kantoren, die uitgebreid en consistent gemotiveerd hebben verantwoord welke onderzoekshandelingen zij hebben verricht en waarom het resultaat daarvan hen tot de slotsom brengt dat het bepleite nadere onderzoek niet opportuun is. Er zijn aan de zijde van verzoekers geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die hier tot een ander oordeel leiden. Daarbij is van belang dat de curatoren afdoende hebben weersproken hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent de informatie aan GCBE S.A., haar financiële draagkracht en betrouwbaarheid en de oorzaak van het uitblijven van haar investeringen, alsmede hetgeen is gesteld omtrent de deponering van de jaarrekeningen en de vordering van de fiscus in het faillissement van Oil & Vinegar Brand B.V. Bovendien is ten aanzien van de betaling van EUR 125.000,00 door de franchisenemer in Australië, voldoende aannemelijk dat deze als gevolg van het tekortschieten door het failliete Kosako cs., niet kon worden geïncasseerd. 4.
- Ook telt hier dat door appellanten, tegenover de stellingen van de curatoren, niet voldoende is onderbouwd dat er aan de door hen aangehaalde betalingen aan AMK Interim Management en [B] Advocaten gebreken kleven die voor de uitkomst van het bepleite onderzoek relevant zijn. Dat mr. [A] een toenmalige cliënt van wie hij advocaat was, heeft bewogen tot een investering in Kosako cs., waarvan hijzelf aandeelhouder was, moge vanuit het oogpunt van het advocatentuchtrecht ontoelaatbaar zijn, maar zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt ook hier niet in te zien waarom die investering van belang is voor de uitkomst van bepleite onderzoek. 4.5 Op grond van het al het voorgaande oordeelt de rechtbank het beroep ongegrond en bekrachtigt zij de beschikking waarvan beroep. 4.6 Naar volgt uit de onderbouwing van de gedane verzoeken (tot ontslag en vervanging van de curatoren of tot toevoeging van een medecurator en tot instelling van een commissie uit de schuldeisers), strekken die verzoeken tot ondersteuning van het bepleite onderzoek en de wijze waarop dat plaatsvindt. Nu de rechtbank het bepleite onderzoek niet zal gelasten, dienen de verzoeken op gelijke grond te worden verworpen als waarop het ingestelde beroep is afgedaan.
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond en bekrachtigt de beschikking van de rechter-commissaris van 30 juli 2010; - wijst af het verzoek om een commissie van crediteuren in te stellen; - wijst af het verzoek om de curatoren te ontslaan en te vervangen dan wel om een mede-curator toe te voegen. Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010.