RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/711688-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 maart 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen), wonende te [woonplaats] , aan de [adres] , gedetineerd te PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van de vrijheid heeft beroofd, door hen met tape vast te binden en een vuurwapen op hen te richten; feit 2: samen met een ander door geweld en/of bedreiging met geweld: geld, hennep en een paspoort van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gestolen, en/of hen heeft afgeperst. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beide tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, met dien verstande dat niet kan worden bewezen dat verdachte geld en een paspoort heeft gestolen. De officier baseert zich hierbij op de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ), die wordt ondersteund door de processen-verbaal van de Forensische Opsporing, de verklaring van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), het NFI-rapport en een positieve Foslo-confrontatie. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig, nu hij pas in een laat stadium een verklaring heeft afgelegd en verdachte niet de naam van de medeverdachte wil noemen. Voorts is de verklaring van verdachte in strijd met een aantal feiten en omstandigheden uit het procesdossier. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging wijst daarbij op het volgende. De verklaringen van [slachtoffer 2] , die in deze zaak cruciaal zijn, zijn leugenachtig, althans ongeloofwaardig en kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarnaast hebben getuigen slechts verklaard over wat zij van anderen hebben gehoord, reden waarom hun verklaringen niet doorslaggevend kunnen zijn. De verklaring van verdachte wordt op een groot aantal punten door de inhoud van het procesdossier bevestigd, zodat van zijn verklaring dient te worden uitgegaan. Met betrekking tot feit 1 merkt de verdediging nog op dat het vasttapen niet (helemaal) is gelukt en voorts het enkele richten met het vuurwapen geen vrijheidsberoving oplevert. Nu uit de camerabeelden blijkt dat een en ander zich heeft afgespeeld in een tijdsbestek van slechts 8 minuten, kan geen sprake zijn van daadwerkelijke vrijheidsberoving. De verdediging stelt dat gelet op de omstandigheden de formele wederrechtelijkheid ontbreekt. Op grond hiervan dient vrijspraak te volgen. Met betrekking tot feit 2 merkt de verdediging op dat zowel aan de hand van de verklaring van verdachte, als aan de hand van de verklaring van [slachtoffer 2] (de enige direct betrokkenen in deze zaak), niet kan worden vastgesteld dat geld, een paspoort of hennep is gestolen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Inleiding Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer 1] heeft de politie gesprekken gevoerd met zijn naasten. Daaruit is gebleken dat hij op 27 en 28 januari 2010 wanhopig heeft geprobeerd EUR 20.000,- bij elkaar te krijgen. Hij heeft zijn vriendin, [getuige] , daarover verteld dat hij en zijn vriend [slachtoffer 2] met anderen een wietdeal hadden gesloten en dat zij op 27 januari zijn geript. Daarbij zijn ze in de schuur van [slachtoffer 1] woning in Amerongen bedreigd met een pistool en vast getapet. 4.3.2 Gebeurtenissen 27 januari 2010 De rechtbank kan niet exact vaststellen wat zich heeft voorgedaan in de schuur. [slachtoffer 1] is overleden en heeft daarover geen verklaring kunnen afleggen tegenover de politie. Verdachte heeft niet de naam van zijn kennis willen noemen die hem die dag vergezelde. Verdachte en [slachtoffer 2] hebben uiteenlopende verklaringen over het gebeurde afgelegd. Kort gezegd heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij de schuur binnenkwam, hij meteen een pistool op zijn hoofd kreeg, dat hij en [slachtoffer 1] werden vast getapet en dat zijn geld en paspoort werden meegenomen. [slachtoffer 2] heeft verdachte als één van de daders aangewezen. Verdachte heeft verklaard dat de kwaliteit van de wiet niet goed was, waardoor de koop niet doorging. Volgens verdachte is [slachtoffer 2] met de wiet naar zijn auto gelopen, teruggekomen met een pistool en heeft hij het geld van verdachte en zijn metgezel geëist. Verdachte en zijn metgezel hebben hem overmeesterd en vervolgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vast getapet, waarop ze zijn vertrokken, zonder de wiet. Geen van de twee verklaringen acht de rechtbank zonder meer betrouwbaar. De verklaring van [slachtoffer 2] niet omdat de rechtbank het waarschijnlijk acht dat er wiet werd verhandeld in de schuur, terwijl [slachtoffer 2] consequent ontkent dat dit het geval was. Ook op de verklaring van verdachte valt het nodige af te dingen, nu zijn relaas niet kan verklaren waarom [slachtoffer 1] vrijwel meteen na het gebeurde op 27 januari tegen zijn vriendin roept: “we zijn geript, we zijn geript”. De rechtbank acht wel waarschijnlijk dat er op 27 januari 2010 een wietdeal plaatsvond in de schuur behorend bij de woning van [slachtoffer 1] in Amerongen. Ook verdachte heeft verklaard dat er wiet zou worden verhandeld die dag tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enerzijds en verdachte en een kennis anderzijds. De politie heeft voorts op 28 januari 2010 een weegschaal en enkele lege aluminium zakken, die sterk roken naar hennep, aangetroffen in de schuur. 4.3.3 Feit 2 Uit de inhoud van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 2] kan de rechtbank niet met voldoende overtuiging vaststellen dat verdachte een hoeveelheid hennep, geld en/of een paspoort heeft weggenomen, noch dat verdachte genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte hiervan. Ook overigens blijkt niet uit de inhoud van het procesdossier dat verdachte, dan wel de persoon die hem op dat moment vergezelde hennep, geld en/of een paspoort toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft weggenomen. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken. 4.3.4 Feit 1 Wel stelt de rechtbank vast, nu de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 2] op die punten overeenstemmen, dat verdachte en zijn mededader op enig moment in de schuur [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onder schot hebben gehouden en hen hebben vast getapet. Redengevende feiten en omstandigheden Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 januari 2010 te Amerongen [slachtoffer 2] bij zijn nek heeft beetgepakt en een nekklem heeft aangelegd. Daarop heeft verdachte [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt. Voorts heeft verdachte verklaard dat zijn mededader het wapen op [slachtoffer 1] heeft gericht. Verdachte heeft tape gepakt en de handen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vastgetapet. Verdachte heeft geprobeerd de benen van [slachtoffer 1] te tapen. Verdachte heeft verklaard dat het tapen van de beide mannen nodig was, zodat hij en zijn mededader weg konden komen. Ook hebben verdachte en zijn mededader de autosleutel van [slachtoffer 1] op zolder gegooid zodat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet (gemakkelijk) weg konden komen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] met zijn handen op zijn rug gebonden lag. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zijn handen en voeten door verdachte werden vastgetapet, terwijl een andere man een pistool op hem gericht hield. Het oordeel van de rechtbank Uit deze omstandigheden, in samenhang bezien met de verklaring van verdachte waarin hij aangeeft wat zijn bedoeling met deze handelingen was, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn mededader genoemde personen opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat geen sprake kan zijn van daadwerkelijke vrijheidsberoving gelet op het korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld, nu ook gedurende een periode van een paar minuten sprake kan zijn van een zodanige beperking van de bewegingsvrijheid dat dit als vrijheidsberoving dient te worden aangemerkt. Uit de verklaringen leidt de rechtbank tevens af dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte en zijn mededader. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde. De verdediging heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen nu het ten laste gelegde bestanddeel “wederrechtelijk” niet bewezen kan worden gelet op de omstandigheden waaronder het een en ander zich afspeelde. Zelfs al zou het zo zijn dat verdachte en zijn mededader onder schot zijn gehouden door [slachtoffer 2] (hetgeen de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – niet heeft kunnen vaststellen, maar ook niet heeft kunnen uitsluiten), dan nog is bij de vrijheidsberoving geen sprake van het ontbreken van wederrechtelijkheid. Uitgaand van het relaas van verdachte, hadden verdachte en zijn mededader op enig moment het wapen in handen waardoor de dreiging van de zijde van [slachtoffer 2] voorbij was. De vrijheidsberoving die daarop volgde, was derhalve wel degelijk wederrechtelijk. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. op 27 januari 2010 te Amerongen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader, opzettelijk wederrechtelijk de handen en de voeten van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met tape vastgebonden terwijl zij zich in een schuur van een woning bevonden en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat gelet op de omstandigheden de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. De verdediging stelt daarnaast dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt, nu verdachte zich diende te verdedigen tegen de aanranding door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hierbij heeft verdachte voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de rechtbank van oordeel is dat de noodweersituatie reeds voorbij was, dan stelt de verdediging dat gezien de psychische situatie van verdachte aan hem een beroep op noodweerexces toekomt. Bij verdachte ontstond een zodanige psychische druk, dat hem daarnaast een beroep op psychische overmacht toekomt. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat verdachte strafbaar is en dat het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. 5.3 Het oordeel van de rechtbank 5.3.1 De strafbaarheid van het feit De rechtbank overweegt dat zo al zou worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van verdachte, het bestaan van een noodweersituatie ten tijde van plegen van het feit niet aannemelijk wordt geacht. Verdachte heeft immers verklaard dat [slachtoffer 2] eerst het wapen op verdachte en zijn mededader heeft gericht en dat de mededader vervolgens het wapen heeft afgepakt van die [slachtoffer 2] , waarbij verdachte [slachtoffer 2] heeft overmeesterd en hem en [slachtoffer 1] heeft vastgebonden met tape. Met het afpakken van het wapen en het overmeesteren van [slachtoffer 2] was de noodweersituatie ten einde. Onder de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader inmiddels de beschikking hadden verkregen over het wapen is niet aannemelijk geworden dat (nog steeds) sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer. Evenmin wordt gelet op de door verdachte geschetste omstandigheden een rechtvaardiging anderszins voor diens gedrag aanwezig geacht. Hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 4.3.4. is overwogen over de formele wederrechtelijkheid. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid. Gelet op het voorgaande zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd. 5.3.2 De strafbaarheid van verdachte Ook het beroep op noodweerexces en psychische overmacht wordt verworpen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte door de veronderstelde wederrechtelijke aanranding in een hevige gemoedstoestand is geraakt. Verdachte lijkt juist, gelet op zijn verklaring, uiterst koelbloedig te hebben gehandeld. Niet alleen heeft hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vastgebonden met tape. Ook heeft hij bewust de autosleutels van [slachtoffer 1] op de zolder van de schuur gegooid. Zijn handelingen waren, wederom blijkens zijn eigen verklaring, ook niet gericht op verdediging tegen een aanval, maar erop gericht om weg te kunnen komen dan wel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet weg konden komen. Het beroep op noodweerexces zal dan ook worden verworpen. Voorts overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Zoals hiervoor overwogen blijkt niet dat bij verdachte sprake was van een zodanige heftige gemoedstoestand. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verdachte strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.