RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 10/4245 en SBR 10/4246 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak [eiser], te [woonplaats], eiser, mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, [A] en [naam], gemachtigde: mr. E.I. Robert, advocaat te Utrecht, over een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder, gemachtigde: C. van den Bergh. Inleiding 1.1 Bij besluit van 15 september 2010 heeft verweerder eisers aanvraag van 2 augustus 2010 om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 december 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij en zijn kinderen tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten. 1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 januari 2011, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. 2.3 Eiser heeft in 2007 met zijn gezin, bestaande uit eiser, zijn vrouw en drie kinderen in Nederland asiel gevraagd. In december 2009 zijn zij asielrechtelijk uitgeprocedeerd geraakt. Eiser en zijn vrouw zijn uit elkaar gegaan, maar niet officieel gescheiden. Eiser is daarna met zijn drie kinderen naar Frankrijk gegaan en heeft daar asiel gevraagd. De jongste dochter van eiser is door zijn (ex) vrouw vanuit Frankrijk mee teruggenomen naar Nederland. Eiser en de twee oudste kinderen zijn via een Dublin-claim in juli 2010 in Nederland terug gekomen. Ten aanzien van het beroep (SBR 10/4245): 2.4 Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft gesteld dat artikel 8 van het EVRM recht biedt op privacy en gezinsleven, waarin ligt besloten een recht op bescherming en onderdak. Deze bescherming geldt in het bijzonder voor kinderen en kwetsbare personen. Eiser heeft gesteld dat de overheid een positieve verplichting heeft dit recht te garanderen. Eiser is een alleenstaande vader en verblijft met zijn 13-jarige kinderen sinds juli 2010 (weer) in Nederland. Hij moet worden aangemerkt als een kwetsbare persoon; hij heeft medische klachten en is op grond van de recente gebeurtenissen nog meer getraumatiseerd. Op grond daarvan dient hem in het kader van artikel 8 van het EVRM bescherming te worden geboden. Eiser heeft voorts verwezen naar de uitspraak van het Europees Comité Sociale rechten van de Raad van Europa (ECSR) van 20 oktober 2009, LJN: BM3650, waarin is vastgesteld dat het op straat laten verblijven van illegale kinderen een schending van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en met name het recht op huisvesting en bescherming van kinderen oplevert. De kinderen dient bescherming te worden geboden op grond van artikel 8 van het EVRM en op basis van het ESH. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat geen sprake is van een voorliggende voorziening. Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) stelt dat de uitzetting van de vreemdeling danwel zijn gezinsleden achterwege blijft in het geval het niet verantwoord is om te reizen. Het enkel indienen van een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw genereert niet een recht op opvang. Dat eiser, op grond van de door zijn (ex)vrouw ingediende herhaalde asielaanvraag op medische gronden, opvang zou kunnen krijgen, wordt door eiser niet gevolgd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gaat altijd uit van de feitelijke situatie en eiser vormt in ieder geval sinds december 2009 geen gezin meer met zijn (ex)vrouw. Eiser en zijn kinderen hebben dan ook geen recht op opvang vanwege de door de (ex)vrouw opgestarte procedure. Voorts levert de enkele toezegging van een IND-ambtenaar geen garantie op recht op opvang op. De stelling van verweerder dat eiser wegens een zelfstandige aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw mogelijk een recht op opvang zou kunnen krijgen, volgt eiser evenmin. Een dergelijke aanvraag kan uitsluitend worden ingediend indien deze kan worden onderbouwd met relevante en recente medische gegevens. Gezien het feit dat eiser geen toegang heeft tot de opvang en ook niet tot andere voorzieningen, is het op dit moment niet mogelijk medische gegevens te overleggen van recente onderzoeken en/of behandelingen waardoor een dergelijke aanvraag geen kans van slagen heeft. Derhalve is geen sprake van een voorliggende voorziening. 2.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers beroep artikel 8 van het EVRM niet slaagt en heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010 (LJN: BM0956). Hierin is door de CRvB verwezen naar zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN: BG8776) en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 mei 2008 (EHRC 2008, 91). Onvoldoende is onderbouwd dat eiser medische problemen heeft, nu de door hem overgelegde medische gegevens dateren van 2008 en derhalve niet recent en actueel zijn. Verweerder heeft uit de overgelegde gegevens opgemaakt dat de behandeling bij de psychiater/behandelaar tijdelijk was en dat geen sprake was van een levensbedreigende situatie, ook niet als de behandeling zou worden gestopt. Ook de stelling dat sprake is van ernstige trauma’s bij de kinderen is niet onderbouwd. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat hij en zijn kinderen beschouwd moeten worden als kwetsbare personen die in het bijzonder recht op bescherming behoeven. Niet is aangetoond dat hun fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd wanneer zij verstoken blijven van opvang. Daarnaast heeft verweerder belang gehecht aan de niet legale status van eiser en zijn kinderen. Verweerder heeft zich over de vraag of sprake is van een voorliggende voorziening op het standpunt gesteld dat de (ex)vrouw van eiser een herhaalde asielaanvraag op medische gronden heeft ingediend, waardoor zij recht had op opvang van overheidswege (via het Centraal Orgaan opvang Asielzoeker (COA)). Vast is komen te staan dat eiser, gelet op het karakter van artikel 64 van de Vw, eveneens gebruik kon maken van deze voorziening, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ten aanzien van de stelling dat eiser geen contact meer heeft met zijn (ex)vrouw en niet is gebleken dat deze vrouw geen contact wil met haar kinderen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de kinderen op deze wijze wel opvang hebben, hetgeen wellicht prevaleert boven een zwervend bestaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van een voorliggende voorziening en eveneens geen zelfstandige aanvraag heeft ingediend op grond van artikel 64 van de Vw, het niet voor de hand ligt vanuit de Wmo wel een dergelijke voorziening te verstrekken. Het COA is in dit geval de aangewezen instantie om voorzieningen te verlenen. 2.6 Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo, voor zover van belang, valt onder de definitie van maatschappelijke opvang het tijdelijk bieden van onderdak. 2.7 Artikel 2 van de Wmo bepaalt dat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. 2.8 Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wmo, kan een vreemdeling voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat in afwijking van het eerste lid in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vw, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven individuele voorzieningen. 2.9 Tussen partijen is niet geschil is dat eiser en zijn kinderen geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat zij niet vallen onder de reikwijdte van artikel 8, eerste lid, van de Wmo. Voorts kunnen zij op grond van artikel 10 en 11 van de Vw geen aanspraak maken op opvang. 2.10 De CRvB heeft in zijn, hiervoor in 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.