vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector civiel, handelskamer zaaknummer / rolnummer: 288217 / HA ZA 10-1332 Vonnis van 16 februari 2011 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E-CONNECTION WIND HOLDING B.V., gevestigd te Bunnik, eiseres, advocaat mr. A.C. van Campen, te Uden, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENECO NEW ENERGY B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E-CONNECTION OFFSHORE B.V., gevestigd te Bunnik, gedaagden, advocaten mr. M.H. Koster en mr. A.I.M. van Mierlo, te Rotterdam. Eiseres zal hierna E-CWH genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Eneco c.s. worden genoemd en afzonderlijk Eneco en E-CO. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 4 augustus 2011 - het proces-verbaal van comparitie van 22 december 2010. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. E-CWH bezat tot eind 2009 alle aandelen in E-CO. Binnen laatstgenoemd bedrijf zijn voorbereidende werkzaamheden verricht ten aanzien van de ontwikkeling van een zestal windmolenparken, welke offshore op Nederlands grondgebied zouden worden gerealiseerd. Sedert 11 juni 2009 handelde E-CO onder de namen van die windmolenparken met de aanduiding ‘B.V. i.o’, aangezien het in de bedoeling lag elk windmolenpark te zijner tijd in een ‘eigen’ dochtervennootschap onder te brengen. Eén van de windmolenparken draagt de naam P12-WP en zou een capaciteit van 120 mw (megawatt) krijgen. Dit windmolenpark zal hierna steeds P12-WP worden genoemd. 2.2. De - andere - volledige dochtervennootschap van E-CWH, E-Connection Project B.V., hierna: E-CP, heeft voor onder meer P12-WP op naam van E-CO een vergunning aangevraagd, welke benodigd was ingevolge de Wet Beheer Rijkswaterstaatwerken, hierna de Wbr. Op 23 november 2006 heeft de instantie die over de aanvraag diende te beslissen, de (toenmalige) Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, beslist dat de aanvragen buiten behandeling worden gelaten op de grond (ontleend aan de Algemene wet bestuursrecht) dat de daaraan ten grondslag gelegde gegevens onvoldoende zijn om daarop te kunnen beslissen. E-CP heeft daartegen beroep ingesteld. De beroepschriften zijn door E-CP aan de staatssecretaris gezonden, die ze heeft doorgezonden aan de bestuursrechter in de rechtbank te Arnhem, die de beroepschriften op zijn beurt heeft doorgezonden aan de bestuursrechter in deze rechtbank. 2.3. Bij mondelinge uitspraak van 2 oktober 2008 heeft de bestuursrechter in deze rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat tegen de bestreden besluiten niet het rechtsmiddel van beroep, maar dat van bezwaar openstond. De beroepsschriften zijn door de bestuursrechter aan de staatssecretaris gezonden om als bezwaar te worden afgedaan. 2.4. Op 19 februari 2009 heeft de staatssecretaris op het bezwaar beslist. Daarbij is het bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden beslissing gehandhaafd. Het buiten behandeling laten van de aanvragen heeft de staatssecretaris niet langer gegrond op een voorschrift uit de Algemene wet bestuursrecht, maar op een voorschrift uit de Wet milieubeheer. In verband met het feit dat inmiddels ter zake van de locatie waarop P12-WP was gepland, door een ander bedrijf, Nuon, een vergunning ingevolge de Wbr was aangevraagd, deze aanvraag volledig was bevonden en in behandeling was genomen en hieruit een exclusiviteitsrecht van Nuon voor dat windmolenpark voortvloeide, heeft de staatssecretaris voorts besloten dat de beslissing op de aanvragen van E-CP ‘tot nader order wordt aangehouden’. Tegen de beslissing van de staatssecretaris van 19 februari 2009 is geen beroep ingesteld. Het windmolenpark dat Nuon op de desbetreffende locatie wil verwezenlijken, draagt de naam ‘Beaufort’. 2.5. Ten aanzien van de windmolenparken kon een subsidie worden aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken. Deze subsidieregeling was gebaseerd op het Besluit stimulering duurzame energieprojecten, hierna: het SDE. De aanvraagprocedure wordt de SDE-tender genoemd. Het uiterste tijdstip waarop een subsidie-aanvraag kon worden gedaan, was 1 maart 2010 te 17.00 uur. 2.6. Op 26 juni 2009 is tussen E-CWH en Eneco een overeenkomst gesloten, waarbij ook E-CO rechten en plichten op zich heeft genomen. E-CWH heeft daarbij een exclusief recht aan Eneco verleend tot koop van de 100% aandelen in E-CO. De overeenkomst luidt, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als volgt: - het kooprecht van Eneco kan worden uitgeoefend zodra ter zake van tenminste één van de zes windmolenparken een onvoorwaardelijke en onherroepelijke vergunning uit hoofde van de Wbr is verleend; - de koopprijs voor de aandelen van E-CO bedraagt EUR 7.500,00 per mw voor elke mw die is of wordt verleend op grond van een Wbr-vergunning op of na het moment van de overdracht van de aandelen; - indien een Wbr-vergunning wordt verleend na de sluitingsdatum van de SDE-tender geldt voor dat deel van de koopprijs een bedrag van EUR 5.800,00 per mw; - voor zover op grond van het voorgaande EUR 5.800,00 per mw is betaald, heeft E-CWH recht op EUR 1.700,00 per mw aan nabetaling indien het project waarop de desbetreffende Wbr-vergunning betrekking heeft, alsnog wordt gerealiseerd; - indien Eneco na de verkrijging van de aandelen in E-CO een Wbr-vergunningsaanvraag (waarop nog niet positief is beslist) intrekt, is zij E-CWH EUR 7.500,00 per (in die aanvraag betrokken) mw verschuldigd; deze som bedraagt EUR 5.800,00 indien ten tijde van de intrekking de sluitingsdatum van de SDE-tender reeds was verstreken; - Eneco is aan E-CWH een onvoorwaardelijke commitmentfee verschuldigd van EUR 250.000,00; - (artikel 10.1) Eneco en E-CO staan er jegens E-CWH voor in dat zij op eerste schriftelijk verzoek een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht krijgt als opgenomen in bijlage E bij de overeenkomst, te weten een volmacht die E-CWH het exclusieve recht verschaft om namens E-CO bezwaar- en beroepsprocedures te voeren teneinde onherroepelijke Wbr-vergunningen te verkrijgen, inclusief de benodigde procesvolmachten voor rechtskundige bijstand; - (artikel 10.2) Eneco en E-Co staan er voorts jegens E-CWH voor in dat zij de exclusieve bevoegdheid heeft om volledig naar eigen inzicht te handelen bij het al dan niet verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 10.1; - (artikel 10.3) de kosten die voortvloeien uit de door E-CWH op basis van de onder artikel 10.1 vermelde volmacht te verrichten werkzaamheden komen voor rekening van E-CWH; - (artikel 10.7) E-CWH zal geen gebruik maken van de volmacht zonder tijdig voorafgaand overleg (zonder dat Eneco hiermee een recht van goedkeuring heeft) over de manier waarop E-CWH van de volmacht gebruik maakt en de te verzenden correspondentie en processtukken; - (artikel 10.8) indien E-CWH ondanks verzoek daartoe geen volmacht verkrijgt of de volmacht wordt ingetrokken zonder gelijktijdige verstrekking van een nieuwe volmacht, dient Eneco haar per aangevraagde Wbr-vergunning een vergoeding te betalen - voor zover nog niet geschied - van EUR 7.500,00 per mw. 2.7. In bijlage E bij de overeenkomst, zoals genoemd in artikel 10.1 ervan, is bepaald dat de volmacht wordt gegeven door E-CO ‘of LOCATIE BV’. Ook is daarin bepaald dat E-CWH zich bij de uitvoering van de volmacht zal laten leiden door de doelstelling van het verkrijgen van een passende onherroepelijke Wbr-vergunning, alsmede dat de volmacht onverlet laat ‘de bevoegdheid om op grond van de Overeenkomst de Volmacht en/of aanvraag voor de Wbr-vergunning in te trekken’. Na het sluiten van de overeenkomst zijn door Eneco en E-CO zes volmachten aan E-WCH verstrekt, voor elk van de zes geplande windmolenparken één. Deze volmachten voldeden - naar de letter genomen - geheel aan hetgeen daaromtrent in de overeenkomst was voorgeschreven krachtens de verwijzing naar bijlage E, zij het dat in de voor P12-WP verstrekte volmacht was opgenomen dat deze volmacht onverlet laat ‘de bevoegdheid om de Volmacht en/of aanvraag voor de Wbr-vergunning in te trekken’ (de woorden ‘op grond van de Overeenkomst’, zoals in bijlage E voorgeschreven, zijn in die volmacht niet opgenomen). In de volmacht die zag op P12-WP was als volmachtgever vermeld ‘P12-WP i.o. namens deze handelend E-CO’. Deze vermelding berustte op de (onjuiste) veronderstelling van Eneco en E-CO dat de naam van de aanvrager van de Wbr-vergunning voor P12-WP, aanvankelijk E-CO zelf, tussentijds was veranderd in ‘P12-WP i.o.’. 2.8. Op 2 november 2009 is aan E-CP een Wbr-vergunning verleend ter zake van één van de zes windmolenparken, niet zijnde P12-WP. Daardoor is de voorwaarde vervuld waaronder Eneco haar kooprecht kon uitoefenen, hetgeen zij toen ook heeft gedaan. Op gelijke datum is aan Nuon een Wbr-vergunning verleend ten aanzien van haar windpark Beaufort. Tegen die laatstgenoemde vergunningverlening heeft E-CP, als belanghebbende, namens E-CO beroep ingesteld bij de bestuursrechter in deze rechtbank. Voorts heeft zij ten overstaan van de bestuursrechter in de rechtbank te Rotterdam namens E-CO een voorlopige voorziening gevorderd, inhoudend dat de aan Nuon verleende vergunning wordt geschorst. De laatstgenoemde bestuursrechter heeft bij mondelinge uitspraak van 3 februari 2010 het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, nu (gelet op de vermelding van ‘P12-WP i.o. namens deze handelend E-CO’ als opdrachtgever) niet van een voldoende volmacht was gebleken op grond waarvan E-CP het verzoek namens E-CO kon indienen. 2.9. Voorafgaand aan deze beslissing was tussen partijen reeds onenigheid ontstaan over de vraag of Eneco c.s. ermee instemde dat E-CP met gebruikmaking van de verstrekte procesvolmacht het tegen Nuon gerichte verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig ging maken. Eneco c.s. beantwoordde ook toen deze vraag ontkennend, stellende dat dat verzoek in hoofdzaak betrekking heeft op het dwarsbomen van Nuon in haar subsidie-aanvraag in het kader van SDE-tender en dat zulks met de verkrijging van een Wbr-vergunning door E-CO niets van doen heeft. Eneco c.s. heeft dat standpunt bij brief van 2 februari 2010 aan E-CP meegedeeld en voorts in die brief vermeld de verzoekschriftprocedure niet in te zullen trekken, doch overleg te wensen met E-CP over de wijze waarop zij in de toekomst van haar volmacht gebruik gaat maken. 2.10. E-CWH en E-CP hebben op enig moment na de genoemde beslissing van de bestuursrechter van 3 februari 2010 aan Eneco c.s. te kennen gegeven dat zij namens E-CO een hernieuwd verzoek bij de bestuursrechter willen indienen tot het treffen van de genoemde voorlopige voorziening, ditmaal met gebruikmaking van een duidelijke (proces)volmacht daartoe. Zij hebben bij die gelegenheid een afschrift van het (concept van het) verzoek tot de voorlopige voorziening aan Eneco c.s. doen toekomen. In dat stuk vermeldt E-CWH als gronden van haar verzoek onder meer dat de schorsing van de aan Nuon verleende vergunning voor P12-WP de toegang tot de SDE-tender zal doen herleven. De gronden van dat verzoek zijn op hoofdlijnen gelijkluidend aan de gronden van het eerder ingediende (doch niet ontvankelijk verklaarde) verzoek om een voorlopige voorziening. 2.11. E-CO heeft op 10 februari 2010 een nieuwe volmacht ter zake van P12-WP aan E-CP afgegeven, welke (voor zover hier van belang) gelijkluidend was aan de eerdere volmacht, zij het dat in de latere volmacht duidelijk is vermeld dat deze door E-CO zelf aan E-CP is verstrekt. 2.12. Nadien is er nog vervolgoverleg geweest tussen partijen ten aanzien van de vraag of de afgegeven volmacht ertoe strekte dat E-CP namens E-CO (opnieuw) aan de bestuursrechter de genoemde voorlopige voorziening vraagt met gebruikmaking van - onder meer - de hiervoor omschreven gronden die zien op de toegang voor P12-WP tot de SDE-tender. Hun standpunten hebben zich daarbij niet gewijzigd. E-CP heeft vervolgens afgezien van de indiening van een nieuw verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. 3. Het geschil 3.1. E-CWH vordert samengevat - dat, uitvoerbaar bij voorraad:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.