← Nederland

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP7662

RECHTBANK UTRECHT, NEVENZITTINGSPLAATS ALMELO Sector strafrecht parketnummer: 08/963005-07 datum vonnis: 18 februari 2011 Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie bij het landelijk parket tegen: [verdachte CÖ], geboren te [geboorteplaats] [(land)] op [1981], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. 1. Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 mei 2009, 10 juni 2009, 7 oktober 2009, 13 oktober 2009, 16 februari 2010, 18 februari 2010, 3 maart 2010, 23 augustus 2010, 26 augustus 2010, 27 september 2010, 28 september 2010, 7 oktober 2010, 11 oktober 2010, 12 oktober 2010, 1 november 2010, 2 november 2010, 3 november 2010, 8 november 2010, 7 december 2010, 13 december 2010, 5 januari 2011 en 18 februari 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.A.H.M. Schepers en van hetgeen door de raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 2. De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 36], dan wel daaraan medeplichtig is geweest; feit 2: : zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 29]; feit 3: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 22], dan wel daaraan medeplichtig is geweest; feit 4: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 21], [betrokkene 13] en [betrokkene 2]; Feit 5: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 te Alkmaar en/of Vinkeveen, gemeente De Ronden Venen, en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een ander, te weten [betrokkene 36], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  2. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  3. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 36] en/of - die [betrokkene 36] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  4. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  5. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  6. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  7. en)enige handeling(
  8. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  9. s)wist(
  10. en)of redelijkerwijs moest(
  11. en)vermoeden dat die [betrokkene 36] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 36] en/of - die [betrokkene 36] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  12. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  13. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  14. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  15. s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 36]'s, seksuele handeling(
  16. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(
  17. s)(telkens) - met voornoemde [betrokkene 36] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 36] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - voor die [betrokkene 36] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 36] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [betrokkene 36] als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (
  18. de)werktijd(
  19. en)(en daarmede (aan) (
  20. de)inkomsten) van die [betrokkene 36] als prostituee en/of die [betrokkene 36] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 36] ingeperkt en/of laten inperken en/of - die [betrokkene 36] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 36] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 36] met de 'blote' hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of - die [betrokkene 36] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of - die [betrokkene 36] in (een) positie/situatie(
  21. s)gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(
  22. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie; ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat [verdachte SB] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 te Alkmaar en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een ander, te weten [betrokkene 36], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  23. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  24. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  25. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 36] en/of - die [betrokkene 36] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  26. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  27. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  28. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  29. en)enige handeling(
  30. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  31. s)wist(
  32. en)of redelijkerwijs moest(
  33. en)vermoeden dat die [betrokkene 36] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 36] en/of - die [betrokkene 36] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  34. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  35. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  36. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 36] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  37. s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 36]'s, seksuele handeling(
  38. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende die [verdachte SB] en/of diens mededader(
  39. s)(telkens) - met voornoemde [betrokkene 36] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 36] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - voor die [betrokkene 36] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 36] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [betrokkene 36] als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (
  40. de)werktijd(
  41. en)(en daarmede (aan) (
  42. de)inkomsten) van die [betrokkene 36] als prostituee en/of die [betrokkene 36] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 36] ingeperkt en/of laten inperken en/of - die [betrokkene 36] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 36] (aldus) in een (verder) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 36] met de 'blote' hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of - die [betrokkene 36] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of - die [betrokkene 36] in (een) positie/situatie(
  43. s)gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van die [verdachte SB] en diens mededader(
  44. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie, tot en/of bij het plegen van welk(
  45. e)misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks bovengenoemde periode, in elk geval op of omstreeks 04 februari 2006, te Amsterdam en/of Utrecht en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of (telkens)opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [betrokkene 36] voor voormelde [verdachte SB] (mede) in de gaten te houden en/of te controleren en/of die [betrokkene 36] (mede) naar haar werkplek(ken) te brengen en/of van haar werkplek(ken) op te halen. 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 en/of in of omstreeks de maand mei 2007, althans op of omstreeks 29 mei 2007, te Utrecht en/of Breukelen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een ander, te weten [betrokkene 29], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  46. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  47. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  48. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 29] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 29] en/of - die [betrokkene 29] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  49. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  50. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  51. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 29] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  52. en)enige handeling(
  53. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  54. s)wist(
  55. en)of redelijkerwijs moest(
  56. en)vermoeden dat die [betrokkene 29] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 29] en/of - die [betrokkene 29] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  57. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  58. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  59. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 29] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  60. s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 29]'s, seksuele handeling(
  61. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(
  62. s)(telkens) - met voornoemde [betrokkene 29] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 29] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - voor die [betrokkene 29] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of - die [betrokkene 29] als prostituee laten werken en/of toegezien op (een minimum aan) (
  63. de)werktijd(
  64. en)(en daarmede (aan) (
  65. de)inkomsten) van die [betrokkene 29] als prostituee en/of die [betrokkene 29] (verder) in de gaten gehouden en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 29] ingeperkt en/of - die [betrokkene 29] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen overmaken en/of die [betrokkene 29] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 29] geslagen en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of bedreigd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 29] geen of (
  66. te)weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(
  67. s)kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 29] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(
  68. s)en/of - die [betrokkene 29] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of - die [betrokkene 29] in (een) positie/situatie(
  69. s)gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(
  70. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie. 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 01 september 2005 te Alkmaar en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een ander, te weten [betrokkene 22], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  71. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  72. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  73. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 22] en/of - die [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  74. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  75. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  76. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  77. en)enige handeling(
  78. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  79. s)wist(
  80. en)of redelijkerwijs moest(
  81. en)vermoeden dat die [betrokkene 22] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 22] en/of - die [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  82. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  83. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  84. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  85. s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 22]'s, seksuele handeling(
  86. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(
  87. s)(telkens) - met die [betrokkene 22] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 22] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - voor die [betrokkene 22] woonruimte/onderdak geregeld en/of laten regelen en/of - voor die [betrokkene 22] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 22] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [betrokkene 22] - ook ongesteld - als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (
  88. de)werktijd(
  89. en)(en daarmede (aan) (
  90. de)inkomsten) van die [betrokkene 22] als prostituee en/of die [betrokkene 22] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 22] ingeperkt en/of laten inperken en/of - die [betrokkene 22] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 22] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 22] een - door verdachte en/of verdachtes mededader(
  91. s)geregelde en/of bepaalde - borstvergrotende operatie laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of - die [betrokkene 22] met de 'blote' hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of gedwongen enige tijd in het (ijs)koude water te gaan/blijven staan en/of met de dood bedreigd en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 22] geen of (
  92. te)weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(
  93. s)kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 22] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(
  94. s)en/of - die [betrokkene 22] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of - die [betrokkene 22] in (een) positie/situatie(
  95. s)gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(
  96. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie en/of - (
  97. de)familie(leden) van die [betrokkene 22] (daadwerkelijk) bedreigd en/of laten bedreigen (om te bewerkstelligen dat een aangifte van die [betrokkene 22] zou worden ingetrokken en/of te beletten dat die [betrokkene 22] zou stoppen met haar werk als prostituee); ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat [verdachte SB] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 01 september 2005 te Alkmaar en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een ander, te weten [betrokkene 22], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  98. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  99. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  100. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 22] en/of - die [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  101. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  102. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  103. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  104. en)enige handeling(
  105. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  106. s)wist(
  107. en)of redelijkerwijs moest(
  108. en)vermoeden dat die [betrokkene 22] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 22] en/of - die [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  109. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  110. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  111. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  112. s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 22]'s, seksuele handeling(
  113. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende die [verdachte SB] en/of diens mededader(
  114. s)(telkens) - met die [betrokkene 22] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 22] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - voor die [betrokkene 22] woonruimte/onderdak geregeld en/of laten regelen en/of - voor die [betrokkene 22] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 22] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [betrokkene 22] - ook ongesteld - als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (
  115. de)werktijd(
  116. en)(en daarmede (aan) (
  117. de)inkomsten) van die [betrokkene 22] als prostituee en/of die [betrokkene 22] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 22] ingeperkt en/of laten inperken en/of - die [betrokkene 22] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 22] (aldus) in een (verder) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 22] een - door [verdachte SB] en/of diens mededader(
  118. s)geregelde en/of bepaalde - borstvergrotende operatie laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of - die [betrokkene 22] met de 'blote' hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of gedwongen enige tijd in het (ijs)koude water te gaan/blijven staan en/of met de dood bedreigd en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 22] geen of (
  119. te)weinig weerstand tegen die [verdachte SB] en/of diens mededader(
  120. s)kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 22] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van die [verdachte SB] en/of diens mededader(
  121. s)en/of - die [betrokkene 22] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of - die [betrokkene 22] in (een) positie/situatie(
  122. s)gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van die [verdachte SB] en diens mededader(
  123. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie en/of - (
  124. de)familie(leden) van die [betrokkene 22] (daadwerkelijk) bedreigd en/of laten bedreigen (om te bewerkstelligen dat een aangifte van die [betrokkene 22] zou worden ingetrokken en/of te beletten dat die [betrokkene 22] zou stoppen met haar werk als prostituee), tot en/of bij het plegen van welk(
  125. e)misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks bovengenoemde periode, in elk geval op of omstreeks 27 juli 2005, te Amstelveen en/of Alkmaar en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door van voornoemde [betrokkene 22] geld te ontvangen voor (de betaling van) de huur van haarwoonruimte/onderdak en/of die [betrokkene 22] (op 27 juli 2005) op te zoeken en/of te (achter)volgen en/of (vervolgens) onder druk te zetten en/of in een benauwende situatie te brengen. 4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand november 2006 tot en met 07 februari 2007 te Utrecht en/of Scheveningen en/of Den Haag, (beiden) gemeente Den Haag, en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van (een) ander(en), te weten [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2], en/of - die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  126. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(
  127. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(
  128. en)te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(
  129. s)te bevoordelen uit de opbrengst van hun/haar, [betrokkene 21]'s en/of [betrokkene 13]'s en/of [betrokkene 2], seksuele handeling(
  130. en)met of voor (een) derde(n), immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(
  131. s)(telkens) - met voornoemde [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of - die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] (het) door hen/haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of - die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] onder druk gezet en/of - (mede) door agressief/gewelddadig optreden jegens (een) medeprostituee(
  132. s)- beangstigd en/of - die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens hen/haar en/of hun/haar familie en/of hun/haar vrienden en/of - die [betrokkene 21] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 2] in (een) positie/situatie(
  133. s)gebracht waarin zij zich niet kon(den) onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(
  134. s)uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie. 5. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 07 februari 2007, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Alkmaar en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Amstelveen en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Turkije heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [verdachte SB] en/of [verdachte HB] en/of [verdachte UT] en/of [verdachte MD] en/of [verdachte BI] en/of verdachte ('de [organisatie SB]'), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van - mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en/of - (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die (zware) mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en/of pooiers) en/of - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en/of - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en/of - afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees). De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. Daardoor wordt verdachte niet geschaad in zijn verdediging. 3. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. 4. De voorvragen 4.1 De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak. 4.2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak [betrokkene 22] Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de onderdelen van de tenlastelegging die zich richten op het feitencomplex van 27 juli 2005 op Schiphol. Verdachte is naar aanleiding hiervan op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving, dwang en bedreiging in verzekering gesteld. Op 31 juli 2007 heeft het openbaar ministerie de zaak geseponeerd. De officier van justitie heeft dezelfde feitelijkheden in de tenlastelegging opgevoerd. Een nieuwe vervolging ter zake van dat zelfde feitencomplex acht de raadsman in strijd met het beginselen van een behoorlijke procesorde in het bijzonder het vertrouwensbeginsel. De procedure van artikel 255 Sv had gevolgd moeten worden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van de door de raadsman bedoelde feiten. Het door de raadsman genoemde sepot is een beslissing van het openbaar ministerie uit Haarlem. Sindsdien zijn er nieuwe bezwaren ontstaan, in de vorm van tapgesprekken. Bovendien gaat het om andere feiten. Er is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De beslissing van de rechtbank De feiten Uit een ongedateerd proces-verbaal over wederrechtelijke vrijheidsberoving op Schiphol (pagina 37/17328), blijkt dat verdachte op 27 juli 2005, samen met [verdachte SB], [betrokkene 133] en [betrokkene 96] is aangehouden en in verzekering gesteld wegens opzettelijke vrijheidsberoving, dwang en bedreiging. Op 28 juli 2005 zegt [betrokkene 22] naar aanleiding van dit incident tegen de politie dat ze slachtoffer van mensenhandel is. Op 30 juli 2005 wordt de inverzekeringstelling van verdachte voor drie dagen verlengd. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat het Landelijk Parket op 31 juli 2007 deze zaak heeft geseponeerd, omdat er geen wettig bewijs zou zijn. Het sepot De officier van justitie heeft niet weersproken dat er is geseponeerd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de justitiële documentatie op dit punt. Niet blijkt dat sprake was van een buitenvervolgingstelling, een verklaring dat de zaak is beëindigd of een kennisgeving niet verdere vervolging, zoals bedoeld in artikel 255 Sv. De verdediging heeft dat ook niet aangevoerd. De rechtbank gaat ervan uit dat hier een sepotbeslissing is genomen, zoals bedoeld in artikel 167 Sv. In dat geval is het door de raadsman genoemde artikel 255 Sv niet van toepassing. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de sepotbeslissing ziet op hetzelfde feit als waarvoor verdachte nu wordt vervolgd. De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden. Het gaat om hetzelfde feitencomplex. Dat het feit aanvankelijk door het openbaar ministerie als wederrechtelijke vrijheidsberoving is benoemd en nu als mensenhandel, doet daaraan niet af. De tweede vraag is of het openbaar ministerie, gelet op het vertrouwensbeginsel, kan terugkomen op deze sepotbeslissing. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie alleen op een eerdere sepotbeslissing kan terugkomen als er nieuwe bezwaren zijn. Door te verwijzen naar tapgesprekken heeft de officier van justitie niet duidelijk aangegeven wat in dit geval de nieuwe bezwaren zijn. Daarbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking: - het incident op Schiphol vond plaats op 27 juli 2005; - er is toen al door [betrokkene 22] gesproken over gedwongen prostitutie; - er werden in 2006 al telefoons afgeluisterd ; - begin februari 2007 zijn de meeste verdachten uit het sneeponderzoek, waaronder ook verdachte aangehouden; - verdachte is toen, zo blijkt uit het verhoor bij zijn inverzekeringstelling op 7 februari 2007, ook gevraagd naar het Schipholincident; - verdachte is in april 2007 in vrijheid gesteld; - de sepotbeslissing dateert van 31 juli 2007. Conclusie Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte erop mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden voor deze zaak. Het openbaar ministerie heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van nieuwe bezwaren, zodat de beslissing om verdachte alsnog ten aanzien van deze feiten te vervolgen, in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de feiten die zich afspeelden op Schiphol op 27 juli 2005. 4.3 Tenslotte De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie voor het overige ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5. De beoordeling van het bewijs Leeswijzer Deze paragraaf bevat een aantal onderdelen die betrekking hebben op de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. Deze bewijsmotivering bestaat per feit uit een aantal onderdelen. Eerst worden de kort samengevatte standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven. Onder het kopje bewijsoverwegingen zal de rechtbank vervolgens de feiten vaststellen en daarbij tussen haakjes steeds het nummer van het bewijsmiddel vermelden waaraan het is ontleend. In de bewijsoverwegingen motiveert de rechtbank verder in voorkomende gevallen dat, en waarom, zij afwijkt van door de officier van justitie en de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In dat geval wordt uitgebreider vermeld hoe die standpunten luiden. Ook de eventuele overige bijzondere bewijsoverwegingen komen in de paragraaf bewijsoverwegingen aan de orde. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die hierna in het vonnis zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Onder het kopje conclusie zet de rechtbank uiteen of zij tot een vrijspraak of een bewezenverklaring komt en neemt zij de eventuele bewezenverklaring op. De genummerde bewijsmiddelen zijn, geordend per feit, als bijlage aan het vonnis gehecht en maken daarvan op die wijze deel uit. Feitelijk gedeelte van de tenlastelegging De tenlasteleggingen in de zaken van Sneep II zijn voor wat betreft de mensenhandel toegespitst op de in artikel 273a (oud)/273f en in een enkel geval ook in 250a (oud) Sr, telkens in het eerste lid omschreven onderdelen. De opbouw van de tenlastelegging is steeds dat eerst de onderdelen zijn omschreven, gevolgd door een passage die begint met ‘immers’, welke passage de feitelijke omschrijving bevat. De rechtbank duidt dat deel van de tenlastelegging soms aan als ‘het feitelijk deel van de tenlasteleggging’ of ‘de feitelijke omstandigheden’ maar ook wel als ‘de feitelijkheden’. Met die laatste term wordt dan niet bedoeld: feitelijkheden in de zin van de als dwangmiddel in de delictsomschrijving opgenomen wetsterm. Wanneer dat wél wordt bedoeld, vermeldt de rechtbank dat uitdrukkelijk. Artikel 273f, eerste lid aanhef en sub 4°, Sr - Gebondenheid aan de tenlastelegging De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging er toe strekt voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Afgezien van de wettelijke wijzigings- en aanvullingsmogelijkheden (artikelen 312, 313 en 314 Sv) kan de rechter aan de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg geven die met de bewoordingen ervan niet letterlijk overeenstemt, mits die uitleg met die bewoordingen niet onverenigbaar en ook overigens niet onbegrijpelijk is alsmede ook voor de andere procesdeelnemers duidelijk is. Eventuele kennelijke misslagen kunnen aldus worden hersteld (vgl. HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 en 127). - Tenlastelegging in Sneep II In de zaken die onder de naam Sneep II aan de rechtbank zijn voorgelegd, zijn de tenlasteleggingen die betrekking hebben op mensenhandel, in de meeste gevallen volgens een vast patroon opgebouwd. Primair wordt verdachte verweten dat hij als pleger of medepleger betrokken is geweest, subsidiair is medeplichtigheid tenlastegelegd. In vrijwel alle zaken is onder meer artikel 273f, eerste lid sub 4°Sr, of de corresponderende strafbaarstelling in de vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr, tenlastegelegd. Dit onderdeel ziet op degene die in een door een ander gecreëerde uitbuitingssituatie of situatie van onvrijwilligheid (dat zijn de onder 1° genoemde omstandigheden waarbij een dwangmiddel is gebruikt ) enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Volgens de wetsgeschiedenis is deze culpoze variant ingevoerd met het oog op personen voor wie niet bewijsbaar geldt dat zij zelf de dwangmiddelen hebben aangewend om een vrouw te dwingen of te bewegen zich tot prostitutie beschikbaar te stellen, maar die, in een situatie waarin een vrouw door anderen daartoe gedwongen of bewogen zich prostitueert, zelf iets doet waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de vrouw zich daardoor prostitueert. In gewoon Nederlands: iemand doet iets, waarvan hij weet of moet vermoeden, dat een vrouw die in een uitbuitingssituatie verkeert, zich daardoor prostitueert. - Bewijsvraag Voor alle verdachten is een vrijwel gelijkluidende tenlastelegging uitgebracht. Voor vrijwel alle verdachten is gerequireerd tot bewezenverklaring van het (mede)plegen van mensenhandel bij alle vrouwen. Het is de taak van de rechtbank op basis van de tenlastelegging tot een oordeel te komen. De rechtbank constateert bij beantwoording van de bewijsvraag dat niet alle verdachten op eenzelfde wijze bij de verweten gedragingen betrokken zijn geweest. Daardoor kan in veel gevallen opzet en/of medeplegen niet bewezenverklaard worden. - Sub 4° De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het gedachtestreepje dat ziet op sub 4° in die gevallen bewezen kan worden. In het huidige sub 4° - en de voorlopers daarvan in de inmiddels vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr - heeft de wetgever, voor zover in deze zaak van belang, naar het oordeel van de rechtbank twee situaties strafbaar willen stellen, te weten: 1) een ander met de onder lid 1, sub 1° genoemde middelen dwingen of bewegen, zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of diensten, en 2) onder de omstandigheden van lid 1, sub 1°, enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander zich daardoor beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid of diensten. Onder 1) valt de uitbuiter zelf, onder 2) bijvoorbeeld degene die door de officier is aangeduid als “facilitator”, ofwel een persoon die op de hoogte is van de uitbuiting en daarbij zelf ook enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moeten vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele diensten. De officier van justitie heeft steeds de delictsomschrijving van sub 4° in zijn geheel tenlastegelegd, ook al had zij, zo leidt de rechtbank uit het requisitoir af, soms alleen het oog op het tweede deel van sub 4°. De rechtbank loopt door deze wijze van tenlasteleggen tegen een probleem op. In gevallen waarin de rechtbank niet kan bewijzen dat verdachte zelf de pleger van de uitbuiting was en dus zal vrijspreken van het eerste deel van sub 4°, blijft het tweede deel van dat gedachtestreepje over. Dat tweede deel is: dat verdachte “onder genoemde omstandighe(i)d(
  135. en)enige handeling(
  136. en)heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  137. s)wist(
  138. en)of redelijkerwijs moest(
  139. en)vermoeden dat die vrouw zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten”, waarna onder “immers” de feitelijke handelingen van de uitbuiter volgen. De rechtbank is van oordeel dat de overgebleven zin “onder genoemde omstandigheden enige handeling ondernemen” onvoldoende concreet en feitelijk is. Waar doelt de steller van de tenlastelegging dan op? De genoemde omstandigheden worden daarin immers niet meer genoemd, nu het eerste deel van de tenlastelegging is weggestreept. Bovendien zijn de feitelijkheden die na “immers” volgen, geen uitwerking van “enige handeling” die door verdachte wordt verricht. De feitelijkheden die door verdachte worden verricht, staan namelijk in de tenlastelegging genoemd onder het subsidiair tenlastegelegde, ter invulling van de medeplichtigheid. De rechtbank heeft zich afgevraagd of zij de tenlastelegging verbeterd zou kunnen en moeten lezen in die zin dat de steller van de tenlastelegging het volgende heeft bedoeld ten laste te leggen: dat een medeverdachte (de uitbuiter) de vrouw heeft gedwongen of bewogen, met de dwangmiddelen van lid 1 sub 1°, om zich beschikbaar te stellen voor arbeid en diensten, door de na “immers” genoemde feitelijkheden te verrichten, terwijl verdachte onder die omstandigheden, enige handeling heeft verricht, te weten de handelingen die onder het subsidiair tenlastegelegde staan, ter invulling van de medeplichtigheid. Die feitelijkheden zou de rechtbank daar dan moeten inlezen. Een dergelijke reconstructie is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een uitleg van de tenlastelegging die valt binnen de door de Hoge Raad getrokken grenzen. - De conclusie De rechtbank zal verdachte in dergelijke gevallen (ook) vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het als artikel 273f/273a (oud), onder sub 4°/250a (oud) sub 1° Sr tenlastegelegde. 5.1 [betrokkene 36] (tenlastelegging onder feit 1) 5.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. 5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Tenlastelegging Aan verdachte is primair medeplegen van en subsidiair medeplichtigheid aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 36] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr. Medeplegen volgens de officier van justitie De officier van justitie heeft haar requisitoir bij dit feit niet met een conclusie afgesloten. Aangevoerd is slechts dat de bemoeienis van verdachte met het werk van [betrokkene 36] als prostituee bestaat uit het houden van toezicht en controle voor [verdachte SB] en dat deze taak “wordt ondersteund” door twee taps. De officier heeft niet onderbouwd welke bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte door die taps worden ondersteund en evenmin hoe dit tot een bewezenverklaring van betrokkenheid van verdachte bij alle uit het eerste lid van artikel 273a (oud)/273f Sr tenlastegelegde subonderdelen moet leiden, met andere woorden: op grond waarvan aan de eisen voor opzet en medeplegen voldaan is. Verklaring verdachte en [betrokkene 36] Verdachte is tijdens zijn voorlopige hechtenis in het voorjaar van 2007 diverse keren gehoord maar heeft zich ten aanzien van de tegen hem gerezen verdenkingen steeds op zijn zwijgrecht beroepen. [Betrokkene 36] is zowel door de politie als door de rechter-commissaris gehoord en heeft, kort gezegd, steeds verklaard geen slachtoffer van mensenhandel te zijn. Zij herkent verdachte als ‘[H]’ op de haar getoonde foto 17 bij haar verhoor bij de politie op 21 maart 2007 (pagina 46A/21202). Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 9 oktober 2009 verklaart zij over verdachte dat hij familie van haar man, [verdachte SB], en een beetje bazig is en een rare persoonlijkheid heeft. Maar met haar werk had hij niets te maken en de vraag of hij haar controleerde tijdens haar werk als prostituee beantwoordt ze ontkennend. Overige bewijsmiddelen De enige link die op basis van het dossier tussen verdachte en het werk van [betrokkene 36] te leggen is, zijn de twee door de officier van justitie, als steunbewijs gewaardeerde, tapgesprekken van respectievelijk 4 februari en 15 augustus 2006. In het eerste gesprek vraagt [verdachte SB] aan [H] (de rechtbank begrijpt: verdachte) om even naar [betrokkene 36] te kijken: “Kijk even hoe ze werkt, met wie ze praat daarna moet je komen”. Hoe dit is afgelopen, valt uit het dossier niet op te maken. Het tweede gesprek, van 15 augustus 2006, wordt gevoerd tussen [betrokkene 20], evenals [betrokkene 36] als prostituee werkzaam, en [betrokkene 36]. Het kan uitgelegd worden als een mededeling van [betrokkene 36] dat ze [H] (id.) in de Trompettersteeg (in het Amsterdamse prostitutiegebied) probeert te ontlopen. Zelfs wanneer aangenomen zou moeten worden dat verdachte in het eerste gesprek met een controlerende taak voor [betrokkene 36] belast werd, dan nog ontbreekt elk bewijs voor het gehele complex van aan verdachte verweten strafbare handelingen, ook in de tenlastegelegde deelnemingsvormen. Met andere woorden: er is ten aanzien van verdachte geen bewijs waaraan de tapgesprekken steun bieden. Beide gesprekken zijn noch op zichzelf, noch in combinatie met elkaar voldoende voor een bewezenverklaring van (mede)plegen van of medeplichtigheid aan/bij mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 36]. 5.1.3 De conclusie De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.2 [betrokkene 29] (tenlastelegging onder feit 2) 5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. 5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Telastelegging Aan verdachte is medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 29] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr. Sms-berichten wel, maar tapgesprekken niet bruikbaar voor het bewijs De raadsman stelt dat voor het bewijs geen gebruik mag worden gemaakt van de samenvattingen van tapgesprekken. De rechtbank stelt voorop dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van een geschrift - als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv – die in samenvattende vorm de inhoud van een telefoongesprek bevat. Of van zo een samenvatting in een concreet geval gebruik gemaakt kan worden, is afhankelijk van het oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid ervan. Daarbij kunnen diverse factoren een rol spelen. Uiteraard is ook van belang of de betrouwbaarheid gemotiveerd is betwist. Het zaaksdossier [betrokkene 29] bevat tapgesprekken van een nummer eindigend op 902, in de vorm van in de Duitse taal gemaakte samenvattingen waarvan een vertaling in het Nederlands is gemaakt. Daarnaast zijn er de Nederlandse vertalingen van samengevatte, waarschijnlijk Duitse tapgesprekken van een nummer eindigend op 316, maar de Duitse versies daarvan trof de rechtbank niet in ordner 46H aan. Bij deze samenvattingen doet zich de bijzonderheid voor dat niet alleen de samenvattingen zeer summier zijn, maar ook dat deze in de vorm van lijsten worden weergegeven. In die lijsten worden geen relevante bijzonderheden vermeld, zoals over de wijze waarop is vastgesteld wie aan het gesprek deelneemt of hoe lang een gesprek heeft geduurd. Het is voor de rechtbank daardoor niet mogelijk zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de inhoud van het gesprek. Het is daarom dat de rechtbank deze samenvattingen niet zal gebruiken voor het bewijs. Vaststelling dat de sms-berichten van [betrokkene 29] naar verdachte of vice versa zijn gestuurd Het verweer dat alleen gebruik mag worden gemaakt van sms-berichten waarvan [betrokkene 29] bevestigt dat ze door haar zijn verstuurd, verwerpt de rechtbank op grond van het volgende. [Betrokkene 29] checkt op 27 januari 2007 in bij Hotel Breukelen en geeft daar als telefoonnummer op [XXX]. Met dat toestel zijn telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten verstuurd die in Duitsland zijn getapt op het Duitse nummer [YYY], volgens het loopproces-verbaal en het in de noot genoemde audioproces-verbaal vermoedelijk in gebruik bij verdachte. Niet wordt gerelateerd waarop dat vermoeden is gebaseerd. De rechtbank concludeert dat het toestel bij verdachte in gebruik was op basis van de inhoud van de berichten die onmiskenbaar door [betrokkene 29] verstuurd zijn naar haar partner. Die partner was in die periode verdachte . Die gesprekken en berichten in de periode van 16 november 2006 tot en met 26 januari 2007 zijn gerelateerd op de pagina’s 46H/24124 tot en met 24165. Uit die pagina’s leidt de rechtbank af dat het nummer volledig luidt: [YYY]. Feit van algemene bekendheid is dat 49 het landennummer is van Duitsland. Dat nummer [XXX] is aangetroffen in de onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon [ZZZ]. Dat verdachte dit toestel gebruikte leidt de rechtbank af uit het feit dat het toestel met dit nummer bij hem in beslag is genomen én uit zijn deelname aan het tapgesprek op pagina 46H/24175. Bedoeld nummer, eindigend op […], stond opgeslagen bij de contactpersonen onder de naam “[AD]”. (46H/4959, INB code W.02 gelezen in combinatie met 46H/24186, administratienummer W.02 en 46H/24188). De rechtbank concludeert dat dit […] nummer van [betrokkene 29] in Duitsland is. Daarnaast zijn er op het Duitse nummer [AAA] gesprekken en berichten getapt in de periode van 15 tot en met 18 december 2006 met een toestel met het nummer [BBB]. Die zijn gerelateerd op de pagina’s 46H/24165 tot en met 24171. Het nummer eindigend op […], is eveneens aangetroffen in de onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon, dit keer onder de naam “[A]” (zie wederom 46H/4959, INB code W.02 gelezen in combinatie met 46H/24186, administratienummer W.02 en 46H/24188). De telefoon met dat 06-nummer (eindigend op […]) gebruikte verdachte in zijn tapgesprek met [verdachte SB] op 1 februari 2007 (46H/180). De rechtbank concludeert dat het nummer, eindigend op […] van [betrokkene 29] is omdat verdachte in zijn mobiele telefoon twee nummers onder de naam “[A]” heeft opgenomen, één met de toevoeging D, kennelijk van Duitsland, en één van een mobiel toestel. Uit het dossier blijkt bovendien dat “[A]” zoveel betekent als Liefste, schat e.d. Verdachte had in de periode waarin de gesprekken zijn getapt een liefdesrelatie met [betrokkene 29], zoals onder meer blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris. De rechtbank gebruikt diverse sms-berichten als bewijsmiddelen. Op basis van de hiervoor getrokken conclusie dat de betrokken telefoons bij verdachte respectievelijk [betrokkene 29] in gebruik waren, in combinatie met de inhoud van de gesprekken en de verklaring van [betrokkene 29] bij de rechter-commissaris, concludeert de rechtbank dat verdachte en [betrokkene 29] die sms-berichten hebben gewisseld. Op basis van de sms-berichten kan het volgend vastgesteld worden. Liefdesrelatie, afhankelijkheid, werken in de prostitutie, slaan, vrees voor repercussie familie [Betrokkene 29] is als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Hoewel zij verdachte niet van mensenhandel beschuldigt, stelt de rechtbank op basis van de inhoud haar verklaring en de overige bewijsmiddelen het volgende vast. [betrokkene 29] en verdachte hadden een liefdesrelatie van 2001/2002 tot mei 2009, dus ook in de tenlastegelegde periode (1, 12). Tijdens die relatie is [betrokkene 29] naar Nederland gereisd om hier in de prostitutie te werken

(1). Zij werkte voor verdachte: in een sms-bericht van 16 december 2006 verwijt zij hem : “Geen man die van zijn vrouw houdt laat haar als hoer werken”
(12). Op 29 december 2006 worden verdachte en [betrokkene 29] samen op het Zandpad aangetroffen, [betrokkene 29] verklaart dat zij daar als prostituee werkt
(3). Op 27 juli 2005 wordt zij in het prostitutiegebied het Zandpad in Utrecht aangetroffen als prostituee
(2). Die datum is het begin van de bewezenverklaarde periode. De rechtbank zal dus een kortere periode dan tenlastegelegd bewezenverklaren. Binnen de relatie beet [betrokkene 29] van zich af. Zij verdacht hem ervan dat hij andere vrouwen had en schold hem regelmatig de huid vol. Ze maakte het uit, maar kwam ook steeds weer bij hem terug. Zo schrijft ze het hem ook: ik kom terug, ik ga werken in Nederland en ik neem alle klappen op de koop toe
(14). Zij was emotioneel afhankelijk van hem (6, 9 en 14). Zij verwijt verdachte dat een zekere [betrokkene 108] haar zus heeft verteld dat zij in de prostitutie werkt en dat verdachte haar pooier is. Dat is waarvoor zij altijd bang is geweest (4, 15). Daarmee is de vrees voor repercussies voor haar familie gegeven. Kamers regelen en geld afstaan Uit de inhoud van de sms-berichten leidt de rechtbank af dat [betrokkene 29] het geld dat zij als prostituee verdiende, afdroeg aan verdachte (8, 10, 11, 13, 18). Hij verscheen met haar op het Zandpad
(3). Hij regelde kamers voor haar (5, 7, 16, 17, 19, 20). In tapgesprekken tussen [verdachte SB] en verdachte leest de rechtbank dat verdachte niet alleen zijn vrouw als prostituee liet werken, maar ook een zekere [S] (19 en 20). [Betrokkene 29] verklaart bij de rechter-commissaris dat háár werknaam niet [S] was. [S] was volgens haar de vrouw uit [woonplaats], met wie zij gedurende vier à vijf weken een werkkamer heeft gedeeld. Uit een van de tapgesprekken blijkt dat verdachte met die [S] in januari 2007 bemoeienis had
(19). Daaruit volgt dat verdachte in dat tapgesprek
(19)met ‘mijn vrouw’ [betrokkene 29] bedoelt en [S] bij naam noemt en dat hij voor beiden een werkkamer probeert te regelen in overleg met [verdachte SB]. [Betrokkene 29] voelt zich uitgebuit, zij is alleen goed genoeg om als prostituee voor hem te werken
(10). Zwaar lichamelijk letsel Het is de rechtbank niet duidelijk op basis van welke bewijsmiddelen de officier van justitie tot bewezenverklaring hiervan heeft gerequireerd. De rechtbank heeft dergelijk bewijs niet aangetroffen en zal verdachte daarom van dit (strafverzwarende) bestanddeel vrijspreken. Medeplegen Er is onvoldoende bewijs om dit feit in de tenlastegelegde medeplegenvariant bewezen te kunnen verklaren. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. 5.2.3 De conclusie De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 27 juli 2005 tot en met 7 februari 2007 en in de maand mei 2007, te Utrecht en Breukelen of elders in Nederland en/of Duitsland - een ander, te weten [betrokkene 29] door dreiging met een andere feitelijkheid en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten diensten van seksuele aard en - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [betrokkene 29] en - die [betrokkene 29] door dreiging met een andere feitelijkheid en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen of bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 29]'s, seksuele handelingen met of voor derden, immers hebbende verdachte - met voornoemde [betrokkene 29] een liefdesrelatie onderhouden en die [betrokkene 29] aldus emotioneel van hem, verdachte, afhankelijk gemaakt en - voor die [betrokkene 29] werkplekken geregeld waar zij als prostituee kon werken en - die [betrokkene 29] als prostituee laten werken en - die [betrokkene 29] het door haar met/in de prostitutie verdiend geld gedeeltelijk aan hem doen afstaan en doen overmaken en die [betrokkene 29] aldus in een verder van hem, verdachte, afhankelijke positie gehouden en - die [betrokkene 29] vrees ingeboezemd voor repercussie jegens haar familie. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.3 [Betrokkene 22] (tenlastelegging onder feit 3) 5.3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie requireert tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak. 5.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Tenlastelegging Aan verdachte is onder 3 primair medeplegen van mensenhandel, ten aanzien van [betrokkene 22] tenlastegelegd. Subsidiair is medeplichtigheid aan dit feit tenlastgelegd. De tenlastelegging onder feit 3 bevat een aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud), eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr. De verklaringen van [betrokkene 22] en verdachte [Betrokkene 22] is verschillende keren gehoord door de politie en de rechter-commissaris. Ze legt verklaringen af die als belastend kunnen worden aangemerkt voor [verdachte SB]. Ze verklaart dat ze vanaf eind 2004 een jaar gedwongen voor [verdachte SB] in de prostitutie heeft gewerkt en haar geld aan hem afstond. Over verdachte verklaart zij dat hij niets met haar prostitutiewerkzaamheden in Nederland te maken had. Ze gaf hem wel sporadisch geld, maar daartoe was ze niet verplicht. Het was geld om haar huur mee te betalen. Verdachte heeft zich nooit met haar werkplek, werktijden of haar inkomsten bemoeid en heeft haar ook nooit geslagen of bedreigd of haar familie bedreigd. [Betrokkene 22] verklaart dat verdachte welaanwezig was bij een incident op Schiphol toen ze [verdachte SB] verlaten had en daar door een aantal mannen werd tegengehouden, maar haar toen niet bedreigde. Verdachte verklaart niet over [betrokkene 22]. Overige bewijsmiddelen Er zijn verklaringen van [betrokkene 48], van [betrokkene 47] (de moeder van [betrokkene 22]), en van de prostituees [betrokkene 4 ] en [betrokkene 34]. Zij allen verklaren over [betrokkene 22] in relatie tot [verdachte SB]. Ze verklaren niets over verdachte. De rechtbank laat de stukken die betrekking hebben op het gebeuren op Schiphol op 27 juli 2005 buiten beschouwing. Niet omdat zij niet redengevend kunnen zijn voor het tenlastegelegde nu [betrokkene 22] na 27 juli 2005 niet meer in de prostitutie heeft gewerkt, maar omdat de rechtbank de officier van justitie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er is dus maar één verklaring, te weten die van [betrokkene 22], waaruit de betrokkenheid van verdachte blijkt. Nog daargelaten dat het enkele feit dat verdachte sporadisch geld heeft aangenomen van [betrokkene 22] voor de huur van de woonruimte, geen bewijs oplevert voor het tenlastegelegde feit, is, gelet op het voorschrift van artikel 342, tweede lid, Sv, de enkele verklaring van [betrokkene 22] onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel te komen. Aan beantwoording van de vraag of verdachte bij een en ander als pleger, medepleger of medeplichtige betrokken is geweest, komt de rechtbank derhalve niet meer toe. 5.3.3 De conclusie De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.4 [Betrokkene 21] en [betrokkene 13] (tenlastelegging onder feit 4) 5.4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie requireert tot bewezenverklaring van het telastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak. 5.4.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Inleiding Aan verdachte is het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273f, eerste lid aanhef, sub 6° en 9° Sr. Verdachte is door de politie gehoord en ontkent zich aan mensenhandel te hebben schuldig gemaakt. [Betrokkene 13] en [betrokkene 21] zijn door de politie gehoord en beschuldigen verdachte, kort gezegd, van mensenhandel. [Betrokkene 21] is ook door de rechter-commissaris gehoord. [Betrokkene 13] is na een daartoe strekkend rechtshulpverzoek op 19 oktober 2010 door een Duitse rechter gehoord. Bij dat verhoor is noch de raadsman noch de Nederlandse rechter-commissaris aanwezig geweest. Verdachte heeft zijn ondervragingsrecht daardoor niet op behoorlijke wijze kunnen uitoefenen. Het verweer over het gebruik van de verklaring van [betrokkene 13] De verdediging voert aan dat de verklaring van [betrokkene 13] niet voor het bewijs gebruikt mag worden, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige vragen te stellen en haar verklaring niet in voldoende mate steun vindt in ander bewijs. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie in een geval als het onderhavige, waarin de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist. De raadsman heeft de gehele verklaring van [betrokkene 13] betwist. De rechtbank begrijpt hetgeen hij in verband daarmee heeft aangevoerd aldus, dat zijn bezwaar er in de kern op neerkomt dat hij [betrokkene 13] vragen had willen stellen, omdat de chronologie van haar verklaringen niet duidelijk is. De rechtbank heeft nu te beoordelen of de verklaring van [betrokkene 13] als geheel, met een speciale focus op de chronologie, voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en overweegt daartoe het volgende. De verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 21] over de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde periode [Betrokkene 21] verklaart dat ze verdachte heeft leren kennen in 2003/2004 in Duitsland. Ze krijgen na een paar weken een relatie. Ze gaat met hem naar Nederland en werkt in Alkmaar en Utrecht in de prostitutie. Verdachte neemt al haar geld af. Ongeveer acht á negen maanden later verbreekt ze de relatie en gaat ze terug naar Duitsland. Daar raakt ze bevriend met [betrokkene 13]. Eind 2005 (zo leidt de rechtbank uit de verklaring van [betrokkene 21] af) ontmoeten [betrokkene 21] en [betrokkene 13] bij toeval in een café in Frankfurt verdachte. Verdachte stelt voor dat zij in Saarbrücken gaan werken. Dat doen ze korte tijd. [Betrokkene 13] verdient daar niet zo veel. Daarom vragen de vrouwen aan een zekere [S] en verdachte of ze in Nederland mogen werken, waarna ze enige tijd in Utrecht werken. [H] nam het geld van [betrokkene 21] af ( 2, 3). Ook [betrokkene 13] verklaart over de vriendschap met [betrokkene 21], die ze [V] noemt, de ontmoeting met verdachte in Frankfurt en over Saarbrücken. Volgens haar hebben ze daar eind 2005 gewerkt. Ook zij vertelt dat ze vanwege de slechte verdiensten naar Nederland gingen. Het was verdachte die dat voorstelde. Het was toen januari 2006
(4). De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de vrouwen overeenstemmen en elkaar in zoverre ondersteunen. Ook de chronologie klopt. De verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 21] over de tenlastegelegde periode [Betrokkene 13] verklaart dat ze in oktober 2006 samen met [betrokkene 21] in Den Haag gaat werken. Ze spreken dan met verdachte af dat ze hem en zijn broer [betrokkene 93], 1500 euro per week betalen. Los daarvan hebben ze van verdachte niet veel last. In de tweede helft van november gaat verdachte meer geld van hen vragen. [Betrokkene 21] en [betrokkene 13] verblijven dan in een hotel in Scheveningen. Vanaf dat moment moeten de vrouwen bijna al hun geld aan verdachte geven (1 en 5). [Betrokkene 21] verklaart over deze periode niets specifieks. Ze is er ook niet naar gevraagd. Ze verklaart wel op 8 mei 2007 tegen de politie dat ze – nadat ze vijf jaar lang een relatie met verdachte heeft gehad en voor hem heeft moeten werken in de prostitutie – sinds drie maanden (de rechtbank begrijpt vanaf februari 2007) van hem af is
(1). Bedreigingen en geweld naar vrouwen [Betrokkene 21] verklaart dat [verdachte SB] bedreigend was. Hij bemoeide zich met haar en verdachte en jutte verdachte op om haar onder druk te zetten. [Verdachte SB] was degene voor wie ze bang was: ze was zo bang dat ze in haar verklaring
(1)zijn naam niet durft te noemen. Het staat voor de rechtbank echter vast dat de man wiens naam ze op die plaats in haar verklaring niet durft te noemen, mededader [verdachte SB] is waarover ze elders wel verklaart. [Betrokkene 21] vertelt dat verdachte onder invloed van [verdachte SB] ook steeds vaker klaagt dat [betrokkene 21] niet genoeg verdiende. Ze verklaart ook over het geweld van de mannen tegen andere vrouwen, waardoor ze bang werd (2 en 3). Tegen de politie verklaart [betrokkene 21] op 8 mei 2007 dat ze bang is dat [H] haar moeder en dochtertje iets zal aandoen
(1). Ook [betrokkene 13] verklaart zo over de rol van [verdachte SB] en de aard van de bedreigingen. [Verdachte SB] was de baas. Hij bepaalde wat er wel en niet gebeurde. Hij bepaalde ook hoeveel geld ze moesten afstaan
(5). [Betrokkene 13] was bang voor verdachte omdat ze gezien had hoe hij, [verdachte SB] en [S], met hun vrouwen omgingen. Er werden vrouwen geslagen en onder druk gezet. Ze verklaart dat er werd gedreigd dat ze [betrokkene 21]s kind of haar moeder iets aan zouden doen. [Betrokkene 13] was bang voor hun reactie als ze niet zou doen wat [verdachte SB] en verdachte zeiden
(6). De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 21] elkaar ook ondersteunen op het punt van de angst voor de mannen, de bedreigingen naar henzelf en de familie van [betrokkene 21], en de rol die [verdachte SB] daarbij speelde. Steunbewijs De verklaringen van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] bestrijken gezamenlijk de periode van januari 2006 tot 7 februari 2007. De officier van justitie heeft er echter voor gekozen om alleen de periode vanaf november 2006 tot 7 februari 2007 ten laste te leggen. Juist over die periode verklaart [betrokkene 21] vrijwel niets. Dat plaatst de rechtbank voor de vraag of haar verklaringen dan in voldoende mate steun geven aan de verklaringen van [betrokkene 13] over de feiten die wel zijn tenlastegelegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van het volgende. De verklaringen van [betrokkene 21] ondersteunen, zoals hierboven is vastgesteld, die van [betrokkene 13] als het gaat om de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde periode waarin dezelfde strafbare feiten worden gepleegd. Eigenlijk was er sprake van een doorlopende periode waarin [betrokkene 21] en [betrokkene 13] werden uitgebuit. Daarnaast verklaart [betrokkene 21] bij de politie dat ze sinds februari 2007 ‘van verdachte af is’
(1). Onder die omstandigheden geven de verklaringen van [betrokkene 21] in voldoende mate steun aan de verklaringen van [betrokkene 13]. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [betrokkene 13]s verklaring dat zij en [betrokkene 21] in november 2006 in een hotel in Scheveningen verbleven, ook bevestigd wordt door [betrokkene 21]’s aangifte van diefstal uit de hotelkamer in Scheveningen
(7). De rechtbank stelt vast dat ook op dat punt de chronologie van [betrokkene 13]s verklaring klopt. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 13] voor het bewijs gebruikt kan worden ook al is de verdediging niet in de gelegenheid geweest haar vragen te stellen. Uit de hierboven vastgestelde feitelijkheden leidt de rechtbank af dat verdachte in de tenlastegelegde periode, tezamen met [verdachte SB], [betrokkene 21] en [betrokkene 13] door dwang en bedreiging met geweld heeft gedwongen om het door hen in de prostitutie verdiende geld (gedeeltelijk) aan hem af te staan. De periode Uit de verklaring van [betrokkene 13] kan worden afgeleid dat [betrokkene 21] en zij vanaf oktober, dus ook vanaf november zoals is tenlastegelegd, tot het moment dat ze in het hotel in Scheveningen verbleven, 1500 euro per week afstonden aan verdachte
(5). Uit [betrokkene 21]’s aangifte van diefstal uit haar hotelkamer in Scheveningen van 2 december 2006, waarin ze verklaart al bijna twee weken in dat hotel te verblijven, leidt de rechtbank af dat zij rond 20 november 2006 naar het hotel in Scheveningen zijn gegaan
(7). Met kerst gingen ze naar Duitsland, na oud en nieuw kwamen ze even terug in Nederland. Vanwege de ziekte van [betrokkene 21] is er toen niet veel gewerkt. Aangezien [betrokkene 21] in het ziekenhuis in Duitsland moest worden opgenomen vertrokken beiden weer naar Duitsland. Ze waren in het carnavalsweekend (rechtbank: het weekend van 17 februari 2007) nog in Duitsland en zijn daar dus tot het einde van de tenlastegelegde periode gebleven
(5). De rechtbank acht daarom niet bewezen dat [betrokkene 13] en [betrokkene 21] na 24 december 2006 nog gedwongen of bewogen werden hun geld af te staan. Verdachte heeft [betrokkene 13] wel gezegd dat ze dan maar in Duitsland moest werken, maar het kan niet worden vastgesteld dat ze dat heeft gedaan en evenmin of ze haar geld aan verdachte heeft afgestaan. 5.4.3 De conclusie De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van november 2006 tot en met 23 december 2006 te Scheveningen en/of Den Haag, (beide) gemeente Den Haag, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander - telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van anderen, te weten [betrokkene 21] en [betrokkene 13] en - die [betrokkene 21] en [betrokkene 13] telkens door dwang en door dreiging met geweld hebben gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van hun, [betrokkene 21]s en [betrokkene 13]s, seksuele handelingen met of voor derden, immers hebbende verdachten/of zijn medeverdachte telkens - die [betrokkene 21] en [betrokkene 13] het door hen met/in de prostitutie verdiend geld aan hem, verdachte, doen afstaan en/of doen afdragen en - die [betrokkene 21] en [betrokkene 13] onder druk gezet en mede door agressief/gewelddadig optreden jegens medeprostituees, beangstigd en - die [betrokkene 21] en [betrokkene 13] vrees ingeboezemd voor repressie en repercussie jegens hen en de familie van [betrokkene 21]. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.5 [Betrokkene 2] (tenlastelegging onder feit 4) 5.5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. 5.5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Tenlastelegging Aan verdachte is medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 2] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273f, eerste lid aanhef, sub 6° en 9° Sr. Als dwangmiddel is in de eerste plaats het, door het aangaan van een liefdesrelatie met en het doen afstaan van verdiensten aan verdachte, afhankelijk maken van [betrokkene 2] van verdachte tenlastegelegd. In de tweede plaats is onder druk zetten en vrees inboezemen tenlastegelegd. Verklaring [betrokkene 2] en overige bewijsmiddelen [Betrokkene 2] is door de rechter-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij vanaf eind 2006 twee à drie maanden tot een half jaar in Amsterdam in de prostitutie heeft gewerkt en daarna in Utrecht. Zij zegt verdachte en zijn medeverdachte [verdachte BK] niet te kennen en geen liefdesrelatie met verdachte te hebben (gehad). [Betrokkene 93] kent zij evenmin. Zij verklaart dat zij geen geld hoefde af te staan. Er zijn aanwijzingen in het dossier te vinden dat [betrokkene 2] verdachte, [verdachte BK] en [betrokkene 93] wél kende. Wat met name opvalt is dat op of omstreeks 4 december 2006 de mobiele telefoon van [betrokkene 2] gestolen wordt door een klant en dat door [betrokkene 93] daarna een telefoongesprek gevoerd wordt via die gestolen telefoon met de klant. [Betrokkene 2] bevestigt de diefstal van haar telefoon tegenover de rechter-commissaris. Met een telefoon met hetzelfde nummer [CCC] belt voorafgaand aan de diefstal een zekere [S] op 25, 26 november en 2 december met medeverdachte [verdachte BK] en vraagt hem om hulp. Op 4 december – na de diefstal – belt [S] met een ander mobiel nummer opnieuw naar [verdachte BK]. Een dag later wil een zekere [betrokkene 76] van [betrokkene 93] weten of het telefoonnummer van [S] is veranderd. [Betrokkene 93] antwoordt bevestigend en zegt dat [S] haar telefoon heeft laten stelen. Hoewel er daarom vraagtekens te plaatsen zijn bij de verklaring van [betrokkene 2], levert de enkele verklaring van [betrokkene 14] dat [betrokkene 2] geld aan verdachte moest afstaan, onvoldoende wettig bewijs op om tot een bewezenverklaring daarvan te kunnen komen. Voor het door een liefderelatie afhankelijk maken dan wel het onder druk zetten of vrees inboezemen is geen enkel bewijsmiddel voorhanden. De rechtbank zal verdachte van dit feit dan ook vrijspreken. 5.5.3 De conclusie De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van [betrokkene 2] is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.6 Deelneming aan de criminele organisatie [SB] (tenlastelegging onder feit 5) 5.6.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. 5.6.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Juridisch kader Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie, te weten het plegen van misdrijven, hoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet hoeft te worden bewezen dat verdachte in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De rechtbank behandelt de vraag of de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie kan worden bewezen in drie stappen, te weten: - het bestaan van een organisatie - het oogmerk van de organisatie - de deelneming aan de organisatie door verdachte. Het bestaan van een organisatie Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast. [Betrokkene 94] heeft op 21 februari 2004 verklaard dat hij sinds een maand of twee op de Wallen in Amsterdam werkte voor een groep pooiers, die allemaal uit Duitsland kwamen en elkaar al heel lang kenden. Ze waren genaamd [verdachte SB], [verdachte HB], [M] (de rechtbank begrijpt telkens daar waar over [M]/[M] gesproken wordt: [verdachte NT]) en [C] (de rechtbank begrijpt telkens daar waar over [C]/[C] gesproken wordt: [verdachte UT]). De groep had meisjes voor zich werken in Amsterdam en in Den Haag. [Verdachte SB] was volgens [betrokkene 94] één van de leiders van de groep. [Betrokkene 94] heeft voor die groep als boodschappenjongen gewerkt en hij moest meisjes beschermen tegen lastige klanten
(10). Daarnaast hebben de getuigen [betrokkene 14]
(8)en [betrokkene 4 ]
(9)beiden verklaard dat [verdachte SB] pooier was en dat er verschillende meisjes voor hem in de prostitutie werkten. Hij was ‘de grote man’ en ‘de grote baas’ van de groep die bij hem hoorde. Voorts wordt in tapgesprekken tussen [verdachte SB] en [verdachte UT] (1 en 4) en in een gesprek tussen ene [K] en [verdachte UT]
(3)gesproken over de groep/gemeenschap en wordt gezegd dat [verdachte SB] de baas is. Binnen de organisatie waren bodyguards actief die de vrouwen die als prostituee werkten moesten beschermen. Voor dit werk werden de bodyguards door de organisatie betaald. Of wel rechtstreeks door de mannen, zoals blijkt uit een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte HB]
(20)ofwel door de vrouwen zelf, zoals [betrokkene 36] heeft verklaard
(35). In een tapgesprek tussen [verdachte UT] en [verdachte ZO]
(5), dat twee minuten later gevolgd wordt door een tapgesprek tussen [verdachte UT] en [verdachte SB]
(6), wordt gesproken over de aanschaf en de verdeling van de kosten van kogelwerende vesten voor [verdachte ZO] en anderen (de rechtbank begrijpt: ter bescherming van de bodyguards). [Verdachte UT] zegt hierover dat “wij de helft als bedrijf op ons nemen”. Met deze verdeling (en de bijbehorende betalingsregeling) gaat [verdachte SB] vervolgens akkoord. Blijkbaar heeft [verdachte SB], zo concludeert de rechtbank, als leider van de organisatie het laatste woord hierin. De werktijden van de bodyguards werden bepaald door [verdachte SB], in overleg met [verdachte UT]. Dit leidt de rechtbank af uit drie tapgesprekken die kort na elkaar gevoerd zijn. In het eerste gesprek, tussen [verdachte UT] en [verdachte ZO], beklaagt [verdachte ZO] zich over zijn lange werktijden en vraagt hij of hij thuis mag blijven omdat hij pijnlijke voeten en griep heeft
(17). In een direct daarop volgend tapgesprek overleggen [verdachte UT] en [verdachte SB] hierover en wordt beslist dat [verdachte ZO] om 12 uur á 1 uur kan beginnen met werken
(18). De dag daarop overleggen [verdachte UT] en [verdachte SB] over de werktijden van de bodyguards. [Verdachte SB] is daarbij degene die de beslissing neemt over de aan te houden werktijden
(19). Binnen de organisatie wordt getracht om eenmaal bezette kamers voor de organisatie te behouden: als de vrouw van een deelnemer aan de organisatie een kamer ‘teruggeeft’, wordt dit doorgegeven aan een andere deelnemer zodat een andere vrouw in die kamer kan werken
(2). Verder blijkt uit een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte SB]
(7)dat toen ‘[V]’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte ZO]) en ‘[B]’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte BK]) op 8 januari 2007 door de politie waren aangehouden, vanuit de organisatie voor een advocaat is gezorgd. En als op 7 februari 2007 tenslotte de politie begint met ontmanteling van de organisatie, breekt onrust uit. In een tapgesprek tussen [verdachte NT] en verdachte wordt besproken dat er een inval is gedaan en dat ‘ze’ (de rechtbank begrijpt: de politie) ook achter verdachte aanzitten. Daarop instrueert [verdachte NT] verdachte: “Pak je simkaart, eet het op, kauw erop en slik het door”
(55), kennelijk met de bedoeling sporen uit te wissen. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, onder leiding van in elk geval [verdachte SB]. Als deelnemer kunnen verder in elk geval aangemerkt worden [verdachte HB] (9, 10), [verdachte UT] alias [C](9, 10) en [verdachte BI] alias [A](8, 9). De structuur bestond hierin dat [verdachte SB] veel zaken, zoals de werktijden, bepaalde en die via mededeelnemers, zoals [verdachte UT], liet doorgeven aan de lager op de ladder van de organisatie staande bodyguards. Ook de secundaire arbeidsvoorwaarden (kogelwerende vesten) werden geregeld en via de lijn [verdachte SB]-[verdachte UT] doorgegeven naar de onderste geledingen. De organisatie is gedurende de gehele aan verdachte tenlastegelegde periode in Nederland actief geweest en is daarmee als duurzaam aan te merken. De stelselmatigheid komt tot uiting in de grote hoeveelheid vrouwen die tot slachtoffer van mensenhandel werden gemaakt door de verschillende deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van de organisatie De groep personen onder leiding van [verdachte SB] had, zo verklaren de getuigen [betrokkene 14] en [betrokkene 4], op diverse plaatsen in Nederland een aantal vrouwen voor zich werken als prostituee (8 en 9). Ook andere vrouwen hebben verklaard over seksuele uitbuiting door leden van de organisatie, met betrekking tot henzelf en/of andere vrouwen. Sommige vrouwen verklaren ook over geweld dat daarbij gebruikt werd. De rechtbank verwijst in dit verband naar verklaringen van [betrokkene 11]
(41), [betrokkene 65]
(42), [betrokkene 25]
(45)en [betrokkene 8]
(46). Deze verklaringen worden op hoofdlijnen ondersteund door hetgeen de getuige [betrokkene 55]
(43)verklaart. Voorts heeft [betrokkene 94] verklaard dat de groep meisjes voor zich aan het werk had en heeft hij gezien dat [verdachte SB], [M] en [C] mensen in elkaar sloegen als ze foto’s van meisjes namen. Hij heeft ook verklaard dat [verdachte SB] hem met een vuurwapen heeft bedreigd om te zorgen dat hij voor hem zou blijven werken
(10). In dit verband is ook van belang dat [verdachte ZO] en [verdachte BK] op 8 januari 2007 een onbekend gebleven man op de Wallen in Amsterdam in elkaar hebben geslagen. De man is geslagen en gestompt en hij is tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam geschopt terwijl hij op de grond lag
(11). In een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte SB] van diezelfde 8e januari 2007 zegt [verdachte SB] tegen [verdacht NT] dat [V] en [B] vast zitten en ‘drie dagen hebben gekregen’. [Verdachte NT] zegt dat hij eerst heeft gebeld met [C] om te vragen of ‘ze’ een advocaat hadden gestuurd. [Verdachte SB] zegt daarop tegen [verdachte NT] dat het eerste wat ‘we’ zullen doen, vroeg in de ochtend, is een advocaat sturen
(7). Uit het feit dat [verdachte SB] met [verdachte NT] overlegt over het regelen van een advocaat en zich daarvoor kennelijk verantwoordelijk acht, leidt de rechtbank af dat de mishandeling waarvoor [verdachte ZO] en [verdachte BK] waren aangehouden in het kader van die organisatie was gepleegd. Uit eerder genoemde verklaring van [betrokkene 94]
(10)leidt de rechtbank af dat pooiers die niet tot de organisatie behoorden protectiegeld aan [verdachte SB] moesten betalen. Tot slot blijkt uit verschillende getuigenverklaringen dat leden van de organisatie beschikten over vuurwapens (8, 10, 45 en 47). Tijdens een doorzoeking in een woning in Amsterdam, op 7 februari 2007, zijn onder verdachte een revolver en een aantal patronen in beslag genomen
(12). De mishandeling van prostituees is in de hiervoor genoemde individuele gevallen gepleegd teneinde de betreffende vrouwen te dwingen om als prostituee te werken en hun inkomsten (deels) af te staan. De mishandeling van klanten van prostituees is het gevolg van de werkwijze van de organisatie als het gaat om de bescherming van de vrouwen die – voor de organisatie – in de raamprostitutie werkten. De wapens werden gebruikt om mensen bang te maken en onder druk te zetten. Er is, met andere woorden, sprake geweest van het door verschillende leden van de organisatie meermalen, en dus stelselmatig, plegen van het misdrijf mensenhandel. Ook werden regelmatig daarmee samenhangende misdrijven, mishandeling, wapenbezit en bedreigingen van prostituees en klanten en afpersing van prostituees en hun pooiers gepleegd. Ook daarop had de organisatie het oogmerk. Een organisatie die, zoals de rechtbank bij de vaststelling van het bestaan ervan al heeft overwogen, duurzaam en gestructureerd was, waar werkzaamheden waren verdeeld. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat het oogmerk van de organisatie op het plegen van de in de tenlastelegging onder 4 genoemde misdrijven was gericht. De deelneming door verdachte aan de organisatie Verdachte heeft verklaard dat hij niet in de prostitutie zit, hij is geen pooier. Hij maakt ook geen deel uit van een criminele organisatie. Hij zegt wel eens op de Wallen in Amsterdam te zijn geweest, maar alleen om uit te gaan. De rechtbank leidt echter uit de hieronder te bespreken bewijsmiddelen af dat verdachte in de tenlastegelegde periode verschillende activiteiten heeft ontplooid op de Wallen in Amsterdam en aan het Zandpad in Utrecht. Deze activiteiten hielden het volgende in. Het voor zich laten werken van vrouwen als prostituee Voor het bewijs van deze activiteiten verwijst de rechtbank naar de bewezenverklaringen onder feit 2 [betrokkene 29]) en feit 4 ([betrokkene 21] en [betrokkene 13]) en naar de bewijsmiddelen die aan die bewezenverklaringen ten grondslag liggen. Het oppassen op prostituees Uit een tapgesprek tussen [verdachte SB] en verdachte blijkt dat verdachte in opdracht van [verdachte SB] op het meisje van [verdachte DS] moet passen. [Verdachte SB] zegt dat hij haar van [verdachte DS] heeft afgepakt en als cadeau aan [verdachte BK] heeft gegeven
(53). Het innen van geld van andere pooiers Uit een aantal tapgesprekken waarin verdachte en [verdachte SB] met elkaar spreken over het ‘afrekenen’ en ‘afbetalen van schuld’, leidt de rechtbank af dat er pooiers waren die schulden hadden bij de organisatie. Ze moesten die schulden blijkbaar afbetalen met een vast bedrag per week (‘totdat jij je schuld hebt afbetaald zal ik per week twee van jou nemen/krijgen’). Verdachte moest van [verdachte SB] dat geld innen (50, 51, 52). Het regelen van kamers voor prostituees In twee tapgesprekken tussen [verdachte SB] en verdachte wordt gesproken over het naar Duitsland sturen van een meisje en het plaatsen van een meisje in een andere kamer door verdachte, omdat [A] een nieuwe vrouw heeft meegebracht (54 en 55). De rechtbank leidt uit deze gesprekken af dat verdachte zich ook bezighield met het regelen van kamers voor de prostituees. Uit de aangehaalde tapgesprekken (en uit 56) en de verklaringen van de getuige [S] [betrokkene 21] (57 en 58) blijkt dat verdachte werd aangestuurd door [verdachte SB]. [Verdachte SB] was degene die verdachte opdroeg wat hij moest doen en met wie verdachte overleg pleegde over de te verrichten werkzaamheden. Dat verdachte wist dat het oogmerk van de organisatie bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen, leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte in de tenlastegelegde periode zelf ook is opgetreden als pooier van prostituees. Voorts blijkt uit tapgesprekken dat verdachte geweld richting prostituees niet schuwde en dat hij wist dat met de meisjes werd omgesprongen als waren zij objecten die weggegeven kunnen worden (50 en 53). Op basis van het hiervoor overwogene stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode – in opdracht van [verdachte SB] – de hiervoor omschreven werkzaamheden heeft uitgevoerd. Verdachte behoorde tot de organisatie waarvan [verdachte SB], [verdachte HB], [verdachte UT] en [verdachte BI] deel uitmaakten en met zijn werkzaamheden heeft verdachte het oogmerk van die organisatie, te weten de seksuele uitbuiting van prostituees, ondersteund. Periode van deelneming Het eerste tapgesprek waaruit kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden verricht voor de organisatie dateert van september 2006
(50). De laatste gesprekken zijn van begin februari 2007 (54, 55 en 56). De periode waarin verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie vangt naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan op 1 september 2006 en eindigt op 7 februari
  1. 5.6.3 De conclusie De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 7 februari 2007, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [verdachte SB] en [verdachte HB] en [verdachte UT] en [verdachte BI], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van - mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en - mishandeling, als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en/of pooiers) en - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en - afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees). De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5.7 Afsluitende overwegingen Inleiding De rechtbank zal bij gebrek aan bewijs (veel) minder feiten bewezen verklaren dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank realiseert zich dat dit bevreemding kan wekken gelet op zowel de inhoud van de tenlastelegging als die van het requisitoir. De rechtbank overweegt daarom nog het volgende. Inhoud dossier, tenlastelegging en requisitoir. De officier van justitie heeft in het requisitoir voorbeelden opgesomd van gruwelijkheden waaraan verdachte en zijn mededaders zich naar het oordeel van het openbaar ministerie hebben schuldig gemaakt. Daarbij spreekt de officier in algemeenheden. Zo is genoemd dat de vrouwen zeer vernederende handelingen en bejegeningen moesten ondergaan: (anale) verkrachtingen, brandmerken door middel van tatoeages, op hen urineren, gedwongen abortussen en bepalen door verdachten van de omvang van borstvergroting(en). De rechtbank stelt vast dat de opgesomde handelingen en bejegeningen slechts enkele keren in de tenlasteleggingen van de in Sneep II terecht staande verdachten zijn opgenomen. Het urineren op vrouwen is in geen enkele zaak tenlastegelegd. De rechtbank stelt ook vast dat bij vrijwel alle wél tenlastegelegde handelingen daarvan wegens het ontbreken van bewijs zal worden vrijgesproken. Slechts één keer is bewezen geacht dat een vrouw is bewogen om een tatoeage te laten zetten en in één zaak kan bewezen worden dat verdachte als dwangmiddel bij mensenhandel, met een slachtoffer tegen haar wil seksuele handelingen heeft verricht. De officier geeft verder als voorbeeld dat leden (cursivering van de rechtbank) van de groep vrouwen (cursivering van de rechtbank) aan elkaar cadeau gaven (bijvoorbeeld [betrokkene 39]). De rechtbank stelt vast dat in het hele dossier één keer sprake is geweest van een dergelijk “cadeau”, daar waar [verdachte SB] tegen [verdachte BK] zegt dat hij hem [betrokkene 39] cadeau geeft. Dit is in geen enkele zaak tenlastegelegd. Verder zouden de paspoorten van de vrouwen vaak zijn ingenomen. Dit is bij geen enkele verdachte opgenomen in de tenlastelegging. Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat dit in één geval, bij [betrokkene 22], is gebeurd. Er zou in Vinkeveen tegen groepskorting een bungalowpark zijn afgehuurd om vrouwen en leden van de criminele organisatie onder te kunnen brengen. Tenlastegelegd is het niet. Vrouwen moesten kort na de (borstvergrotende) operatie weer aan het werk gaan. Dit is in geen enkele tenlastelegging opgenomen en de rechtbank heeft het evenmin kunnen vaststellen. Conclusie Samengevat: de inhoud van het requisitoir schetst een beeld van feiten die zouden hebben plaatsgevonden, welk beeld in de tenlasteleggingen niet altijd niet is terug te vinden en in de gevallen waarin dat anders is, slechts in de twee genoemde gevallen in een bewezenverklaring uitmondt. De rechtbank overweegt dat door de formulering van het requisitoir, bedoeld of onbedoeld, de indruk wordt gewekt dat de beschreven praktijk een algemene was. Dat alle vrouwen die in het Sneepdossier als slachtoffer worden genoemd, door het openbaar ministerie becijferd op 120, aan al deze gruwelijkheden blootgesteld zijn geweest. En ook dat alle verdachten zich hieraan hebben schuldig gemaakt, althans daarbij betrokken waren. Dat draagt bij aan een beeldvorming, ook in de media en maatschappij, die op gespannen voet staat met de feiten zoals die op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld. De rechtbank wil niet de ernst van de wel bewijsbare feitelijkheden bagatelliseren of iets afdoen aan de ernst van mensenhandel. De rechtbank hecht er echter aan om het door de officier van justitie geschetste beeld te relativeren, in die zin dat een substantieel aantal van de in het requisitoir genoemde algemeenheden niet zijn tenlastegelegd en geen onderbouwing vinden in het dossier en dat een groot deel van de aan verdachten wel tenlastegelegde feiten niet bewezen kan worden.
  2. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder feit 2 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 273a (oud)/273f Sr. Het onder feit 4 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 273f juncto 47 Sr. Het onder feit 5 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 140 Sr. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 2 het misdrijf: mensenhandel; feit 4 ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] het misdrijf: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd; feit 5 het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  3. De strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
  4. De op te leggen straf of maatregel 8.1 De feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie die ondermeer het seksueel uitbuiten van vrouwen (mensenhandel) tot oogmerk had. Mensenhandel Verdachte heeft gedurende twee maanden, samen met medeverdachte [verdachte SB], twee vrouwen voor zich laten werken in de prostitutie. De vrouwen en, via hen, de familie van een van hen, werden bedreigd en geïntimideerd, waardoor ze hun geld afgaven. Daarnaast heeft verdachte gedurende anderhalf jaar nóg een vrouw voor zich in de prostitutie laten werken. Die vrouw heeft hij emotioneel afhankelijk van zich gemaakt en ook bang voor wat haar en haar familie aangedaan zou worden, waardoor ze haar geld aan hem afstond. De criminele organisatie De criminele organisatie bestond uit een samenwerkingsverband tussen verschillende mannen die als pooier optraden, in die zin dat zij vrouwen als prostituee lieten werken en hen dwongen of bewogen de verdiensten af te staan. De organisatie had bodyguards in dienst die onder meer tot taak hadden de prostituees te beschermen tegen lastige klanten en hen na hun werk te begeleiden naar een taxi. Medeverdachten [verdachte SB] en [verdachte NT] hadden een leidinggevende positie. Op de Wallen in Amsterdam en op het Zandpad in Utrecht speelde de criminele organisatie een belangrijke rol. Prostituees werden benaderd om voor leden van de organisatie in de prostitutie te gaan werken. Er werden ook vrouwen overgehaald die niet eerder als prostituee hadden gewerkt. In sommige gevallen begonnen de pooiers een liefdesrelatie met de vrouwen die zij vervolgens tot slachtoffer van hun mensenhandel maakten en/of werden de vrouwen (op die wijze) ingepalmd en afhankelijk gemaakt en op die manier bewogen om in de prostitutie te gaan werken en hun geld af te staan. In andere gevallen werden ze daartoe gedwongen door het toepassen van – soms grof - geweld, dan wel door dreiging daarmee. Voor de vrouwen werd veelal huisvesting en een werkplek geregeld. De meeste vrouwen maakten lange werkdagen, hadden weinig of geen vrije dagen en kregen weinig of geen gelegenheid om zelf sociale contacten te onderhouden of hun familie te bezoeken. Het door hen verdiende geld stonden ze af aan hun man/pooier. Er waren ook prostituees die niet al hun geld hoefden af te geven, maar wel beschermingsgeld aan de organisatie moesten betalen omdat zij zonder dat niet werden gedoogd. De rol van verdachte in de organisatie Verdachte maakte gedurende ongeveer een half jaar deel uit van de organisatie. Hij vervulde de rol van pooier. 8.2 Het referentiekader Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Deze eis wordt in algemene termen gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van het feit, de generale preventie en de mate van angst die verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een aantal slachtoffers nog steeds inboezem(t)(en). Benadrukt wordt dat er (strafverlichtend) geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat een vrouw ontkent slachtoffer te zijn. De eis wordt ten aanzien van verdachte in het bijzonder, summier onderbouwd door een verwijzing naar de gevorderde veroordeling voor mensenhandel ter zake van zes vrouwen gedurende vijf jaar en deelneming aan een criminele organisatie vanaf
  5. In de inleiding van het requisitoir heeft de officier van justitie gewezen op de recente verhoging van het wettelijk strafmaximum en de inwerkingtreding van de Richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting van het College van procureurs-generaal op 1 september 2010 (Richtlijn strafvordering). Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd, samengevat, dat de officier van justitie bij de strafeis “te kort door de bocht” gaat door alle zaken uit Sneep II op één hoop te gooien en niet per zaak en feit te differentiëren. Oriëntatiepunten LOVS, uitspraken van andere colleges en de rapportages van de NRM Het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS) heeft ten aanzien van mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie geen oriëntatiepunten vastgesteld. De door andere colleges in mensenhandelzaken opgelegde straffen variëren van enkele maanden tot enkele jaren gevangenisstraf, vaak voor meer delicten dan alleen mensenhandel. Een eenduidige lijn is moeilijk vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de rapportages van de Nationaal rapporteur Mensenhandel (NRM). De uitspraken van de rechtbank in Sneep I De rechtbank te Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, heeft op 11 juli 2008 zes medeverdachten in de Sneep I zaken veroordeeld. In die vonnissen heeft de rechtbank een kader voor de strafoplegging bij mensenhandel geformuleerd. Uitgangspunt was een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van acht tot tien maanden per slachtoffer, welk strafminimum door de rechtbank is verhoogd indien er ten opzichte van een slachtoffer sprake was van ernstig geweld, verkrachting, gedwongen borstvergroting en abortus als wettelijke strafverzwaringsgrond. Ook werd rekening gehouden met de rol van de verdachten en de lengte van de bewezenverklaarde periode. Voor deelname aan de criminele organisatie werd een gevangenisstraf van 12 maanden tot uitgangspunt genomen en voor de verdachten die daarbij een leidinggevende rol hebben vervuld een gevangenisstraf van 24 maanden. De arresten van het hof in Sneep I Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arresten van 20 december 2010, in de appelzaken van Sneep I, uitspraak gedaan. Het hof heeft zich niet uitgelaten over het door de rechtbank in Sneep I bepaalde kader en evenmin zelf een aanzet daartoe gedaan. Het hof lijkt een gemiddelde straf te hebben gehanteerd van één jaar per slachtoffer. De rechtbank interpreteert die arresten zo, dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met factoren als ernstig geweld, verkrachting, periode en rol van de verdachten. Van bewezenverklaring van gedwongen abortussen, borstvergrotingen en/of tatoeages is geen sprake geweest. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het hof, hoewel dit niet expliciet is overwogen, bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf ongeveer dezelfde maatstaf heeft gehanteerd als de rechtbank in Sneep I. Het Hof heeft bovendien, anders dan in eerste aanleg, om diverse redenen naast gevangenisstraffen ook geldboetes opgelegd. Verhoging strafmaat en Richtlijn strafvordering De officier van justitie heeft bij requisitoir opgemerkt dat het wettelijk strafmaximum is verhoogd. Die wetswijziging heeft plaatsgevonden per 1 juli 2009 en had tot gevolg dat het strafmaximum van een eventueel op te leggen gevangenisstraf van zes naar acht jaar is gegaan. Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat met dat hogere strafmaximum rekening gehouden moet worden, overweegt de rechtbank dat daarvan, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr, geen sprake kan zijn omdat bedoeld hoger maximum per 1 juli 2009, dus na de bewezenverklaarde periode, van kracht is geworden. Uit het requisitoir is niet duidelijk geworden of de officier van justitie meent dat de rechtbank met de Richtlijn strafvordering rekening moet houden. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank daarom op dat zij niet aan een dergelijke richtlijn gebonden is, terwijl deze op 1 september 2010 in werking getreden richtlijn, blijkens de inhoud ervan, niet geldt voor feiten begaan vóór 1 juli
  6. 8.3 Het kader in de Sneep II zaken Op basis van de hiervoor opgesomde factoren stelt de rechtbank als volgt het kader vast waarbinnen zij de strafmaat zal bepalen in de Sneep II zaken. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen andere dan vrijheidsstraf vereist. Dat is in lijn met het requisitoir. De officier van justitie heeft niet toegelicht of, en zo ja hoe, per feit de hoogte van de geëiste straf is bepaald. De strafeis lijkt echter aan te sluiten bij de door de rechtbank in Sneep I gehanteerde norm. De rechtbank zal die norm in de Sneep II zaken ook toepassen omdat uit een oogpunt van rechtsgelijkheid de verdachten in Sneep II niet zwaarder gestraft mogen worden dan de verdachten uit Sneep I en omdat de recente verhoging van het strafmaximum in deze zaak niet geldt. Wel zal de rechtbank rekening houden met de veroordeling in hoger beroep van de Sneep I verdachten tot gevangenisstraffen én geldboetes. Omdat de rechtbank zoals gezegd alleen een vrijheidsstraf gepast vindt, zal geen geldboete worden opgelegd. Om de rechtsgelijkheid tussen de inmiddels in hoger beroep veroordeelde Sneep I verdachten en de Sneep II verdachten te bevorderen, kiest de rechtbank in de onderhavige zaken voor de bovenkant van de in Sneep I gehanteerde norm van acht á tien maanden. De vrijheidsstraffen vallen daardoor hoger uit dan in de Sneep I zaken in eerste aanleg en sluiten aan bij de straffen die door het hof in Sneep I zijn opgelegd. Vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voor de bewezenverklaarde mensenhandelzaken als uitgangspunt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien maanden per slachtoffer zal hanteren. Dit strafminimum zal worden verhoogd indien er sprake was van geweld, ernstig geweld of verkrachting of wanneer het feit in vereniging werd gepleegd dan wel wanneer het ging om een in vergelijking met de overige zaken lange periode. Voor deelneming aan een criminele organisatie gaat de rechtbank uit van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twaalf maanden, te verlagen als de rol van verdachte in vergelijking met die van anderen ondergeschikt was. Aan verdachten die leiding hebben gegeven aan de organisatie wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 24 maanden opgelegd. 8.4 De strafoplegging bij verdachte Dit betekent voor verdachte het volgende. Hij heeft zich gedurende anderhalf jaar schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van een vrouw. In diezelfde periode heeft hij zich ook gedurende ongeveer twee maanden, samen met een medeverdachte, schuldig gemaakt aan seksuele uitbuiting van twee andere vrouwen. Voor deze mensenhandel ten aanzien van deze vrouwen, waarvan twee in vereniging, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 34 maanden opleggen. Daarnaast heeft verdachte als pooier gedurende ongeveer een half jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie. Hiervoor legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op van twaalf maanden. Aan verdachte wordt daarom een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 46 maanden opgelegd. 8.5 Beslag De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen wapenstok, het pistool, de munitie en drie kogelwerende vesten vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu deze aan verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl zij bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, en de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van het inbeslaggenomen Turkse document en een zak met kleingeld.
  7. De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 36b, 36d en 57 Sr.
  8. De beslissing De rechtbank: niet-ontvankelijkheid officier van justitie Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het recht tot strafvervolging ten aanzien van feit 3 [betrokkene 22]) voor zover dit feit betrekking heeft op het gebeuren op Schiphol op 27 juli
  9. vrijspraak/bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair en feit 4 ten aanzien van [betrokkene 2] tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 2, feit 4 ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2, feit 4 ten aanzien van [betrokkene 21] en [betrokkene 13] en feit 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 2: mensenhandel; feit 4: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd; feit 5: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; - verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 2, 4 en 5 bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 46 (zesenveertig) maanden; - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; beslag - verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen wapenstok, het pistool, de munitie en drie kogelwerende vesten. - gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen Turkse document en een zak met kleingeld. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari
  10. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat, geordend per feit, de genummerde bewijsmiddelen. Ter toelichting op een aantal bewijsmiddelen geldt, voor zover van toepassing, het volgende. Algemeen bewijsmiddel Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Proces-verbaal van verhoor door rechter-commissaris Wanneer hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal van de rechter-commissaris, betreft dit een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo. Telefoontap Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, gespreksnummer, ordnernummer/pagina. Indien het gesprek in een vreemde taal is gevoerd, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal. Sms-bericht Wanneer hierna wordt verwezen naar een sms-bericht, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een getapt sms-bericht waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, volgnummer, ordnernummer/pagina. Indien het bericht in een vreemde taal is geschreven, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal. Foto Wanneer in de bewijsmiddelen wordt gesproken over foto’s uit ordner 16 dan betreffen dit - tenzij anders wordt vermeld – in ordner 16 onder de noemer ‘verdachten-betrokkenen’ of ‘slachtoffers’ opgenomen foto’s. De ordner bevat verder twee ambtsedige processen-verbaal waarin wordt gerelateerd welke foto’s van welke ‘verdachten’ of ‘slachtoffers’ in de ordner zijn opgenomen. Ook wanneer in het voorbereidend onderzoek foto’s zijn getoond onder andere aanduidingen (bijvoorbeeld ‘de fotomap’) maar met een uit de context op te maken corresponderende nummering, gaat de rechtbank ervan uit dat gedoeld wordt op ordner
  11. In die gevallen waarin het bewijsmiddel zelf niet vermeldt wie volgens de in ordner 16 opgenomen processen-verbaal op de getoonde foto zijn afgebeeld, zal de rechtbank dit zelf doen. Zij brengt dit tot uitdrukking door toevoeging in het bewijsmiddel (achter het fotonummer) van de tekst: “de rechtbank stelt vast (…)”, gevolgd door de naam van de persoon die staat afgebeeld op de uit ordner 16 afkomstige foto. Die vaststelling door de rechtbank is gebaseerd op de inhoud van voornoemde ambtsedige processen-verbaal (16/80018004 voor de verdachten en 16/80638067 voor de slachtoffers). Bewijsmiddelen [betrokkene 29] (tenlastelegging onder feit 2)
  12. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 3° Sv, te weten een in de Nederlandse taal vertaald proces-verbaal van een verhoor door rechter Maier bij het Kantongerecht Mannheim, van getuige [betrokkene 29], van 25 november 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige: [verdachte CÖ] noem ik [H]. Foto 17: dat is [H] (de rechtbank stelt vast: [verdachte CÖ]). Ik heb hem in 2001/2002 in Mannheim leren kennen. In mei 2009 zijn we uit elkaar gegaan. We waren in de vorm van een relatie bij elkaar. In 2006 ben ik naar Vinkeveen, Nederland gekomen. [H] was twee jaar voor mij naar Nederland gegaan. We hebben bij kennissen in een park met allemaal kleine huisjes geslapen. Ik ben steeds heen en weer gereden tussen Nederland en Mannheim. Ik was één week à tien dagen aaneengesloten in Nederland. In totaal ben ik met tussenpozen circa drie maanden in Nederland geweest, volgens mij twee à drie jaar. . Ik ben in Utrecht gaan werken en heb daar altijd gewerkt op één keer in Alkmaar. Mijn werknaam was niet [S]: [S] komt ook uit Mannheim en we deelden de kamer: we hebben elkaar in de kamer afgewisseld gedurende misschien vier of vijf weken. Ik heb in mei 2007 € 2.580,-- naar [H] in Turkije overgemaakt. Hij was toen uit de gevangenis gekomen, teruggegaan naar Turkije en had geen geld. Met het geld van de prostitutie heb ik de huur voor de woning in Mannheim betaald. In Nederland heb ik alles zelf betaald. Foto 43 (de rechtbank stelt vast: [betrokkene 29]): dat ben ik.
  13. Een geschrift, te weten een zgn. mutatie van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.