RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/445754-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2011 in de strafzaak tegen [bedrijf 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], algemeen directeur. gevestigd te [woonplaats],[adres], raadsvrouw mr. S.F. Degen, advocaat te Naaldwijk. 1 Onderzoek van de zaak De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 18 oktober 2010 en 1 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak onder parketnummer 16/446038 tegen [medeverdachte]. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: (samen met een ander of anderen) roekeloos, in elk geval zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig twee personen genaamd [slachtoffer] en [slachtoffer 2] werkzaamheden heeft laten verrichten aan een boei waarbij zij en/of haar mededaders voorafgaand en/of tijdens die werkzaamheden onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen waardoor het aan haar schuld te wijten is dat er tijdens de werkzaamheden een explosie is ontstaan tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. en subsidiair: het als werkgever verrichten of nalaten van handelingen in strijd met artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, indien daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is. 3 De voorvragen Met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding heeft de raadsvrouw van verdachte partiële nietigheid bepleit ten aanzien van het primair tenlaste gelegde voor zover het betreft het verwijt ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel omdat de vermelding van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht op de tenlastelegging ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de bepaling in artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering beoogt enige onduidelijkheid met betrekking tot hetgeen een verdachte verweten wordt, te voorkomen. Gelet op de omschrijving “tengevolge waarvan [slachtoffer] zodanig letsel (…) heeft bekomen dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden” het voor verdachte duidelijk moet zijn dat haar eveneens overtreding van art. 308 Sr wordt ten laste gelegd. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer. De dagvaarding is derhalve geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan in die mate dat geen sprake is van roekeloos handelen maar wel van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend dan wel nalatig handelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Namens verdachte is primair aangevoerd dat niet zij maar de [bedrijf 2]/[bedrijf 1] had moeten worden gedagvaard omdat deze werkcombinatie het contract waarbinnen de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, met de opdrachtgever Rijkswaterstaat (RWS) heeft afgesloten. In elk geval had ook [bedrijf 2] vervolgd moeten worden, want deze had een veel groter aandeel in de combinatie dan verdachte. Daarnaast is RWS nalatig geweest in het verstrekken van een haar bekende veilige werkwijze. Ook is aangevoerd dat de handelingen van [medeverdachte] niet aan haar kunnen worden toegerekend, nu [medeverdachte] geheel zelfstandig het werk uitvoerde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De verdediging heeft aangevoerd dat met [bedrijf 1] niet de juiste rechtspersoon is gedagvaard . De rechtbank overweegt daarbij het volgende. In 2006/2007 is door RWS een opdracht voor onder andere onderhoud aan het vaarwegmeubilair (lichtboeien) langs en op de Neder-Rijn/Lek verleend aan de speciaal voor deze opdracht in het leven geroepen aannemerscombinatie [bedrijf 3]. [bedrijf 2] ([bedrijf 2]) is gespecialiseerd in activiteiten op het gebied van grond-, water- en wegenbouw. De werkzaamheden van verdachte betreffen -zie ook de bedrijfsomschrijving in het uittreksel van de Kamer van Koophandel- het verzorgen van innovatieve technische ontwerpen, alsmede het onderhoud en de ontwikkeling op het gebied van datacommunicatie, vaarwegmarkeringen, zonne-energie en verlichting . [X] van Rijkswaterstaat heeft verklaard dat [bedrijf 1] de specifieke kennis in huis had voor wat betreft de techniek van het vaarwegmeubilair, in het bijzonder de boeien en eerder veiligheidstechnische werkzaamheden aan boeien had uitgevoerd. [getuige] heeft verklaard dat hij vanaf het begin van het betreffende bestek in het project heeft meegewerkt en dat bij de betreffende werkzaamheden altijd iemand van [bedrijf 1] aanwezig was omdat zij de kennis en deskundigheid hadden op dat gebied. [bedrijf 1] bepaalde -volgens hem- wat er moest gebeuren bij deze werkzaamheden aan de boeien waaronder de volgorde en wijze waarop. [medeverdachte] had uitsluitend een arbeidsrelatie met verdachte [bedrijf 1] Niet is gesteld, noch is overigens aannemelijk geworden dat hij door [bedrijf 1] werd verhuurd aan de [bedrijf 2]. of werd betaald door de [bedrijf 2]. Uit het voorgaande volgt dat de verweten gedragingen passen binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en ook onder verantwoordelijkheid van [bedrijf 1] hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [bedrijf 1] terecht is gedagvaard. In mei 2007 zijn de werkzaamheden aan de lichtboeien in de Neder-Rijn stilgelegd vanwege ontploffingsgevaar door gasvorming in de boei. Er kon indertijd aan deze boeien niet volgens de voorschriften in het Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan)worden gewerkt. Partijen zijn daarop overeengekomen dat de boeien zodanig aangepast zouden worden dat het onderhoud in de toekomst veilig zou kunnen geschieden. Er zijn geen nadere afspraken gemaakt om de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de wijze van werken toe te spitsen op de in 2007 geconstateerde gevaarlijke situatie Op 24 februari 2009 is opnieuw aangevangen met de werkzaamheden. Medeverdachte [medeverdachte] is in loondienst bij [bedrijf 1] en was voor dit project verantwoordelijk uitvoerder, belast met supervisie. [medeverdachte] was op de hoogte van het Veiligheids en Gezondheidsplan (V&G-plan), waarin onder meer stond vermeld dat vonkvrij gereedschap moest worden gebruikt. Verdachte had dit gereedschap bij dit werk niet ter beschikking gesteld aan [medeverdachte]. [medeverdachte] dacht aanvankelijk aan een ander type boei te moeten gaan werken, een zogenaamde Waalboei, waarop een gasdetector en een slang konden worden aangesloten om met behulp van koolzuurgas het eventueel in de boei aanwezige knalgas of waterstofgas, waarvan hij wist dat het zeer explosief was, te verdrijven. [medeverdachte] had ervaring met dit type boeien. Bij aankomst op de werkplek trof [medeverdachte] echter een type boei aan met slechts een overdrukventiel voor eerdere propaangasunits. Een type dat ‘ons altijd wel zorgen baarde’.[medeverdachte] heeft over het aantreffen van de boei geen contact opgenomen met RWS omdat daarvoor geen tijd meer was. Hij had geen gassnuffelaar bij zich en heeft ook niet overwogen om deze te halen. [bedrijf 2] heeft het werkschip geleverd met bemanning schipper/kraanmachinist [slachtoffer 2] en matroos [slachtoffer]. [medeverdachte] heeft beide personen, die hij niet kende en die geen ervaring met deze werkzaamheden hadden, vooraf mondeling geïnstrueerd in een door hemzelf opgesteld en door hem als veilig beschouwd stappenplan. De dag voor aanvang van de werkzaamheden heeft hij met [slachtoffer 2] geoefend op een reserveboei die op de wal lag. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het gat van het in deze boei aanwezige ventiel zo groot vond dat losdraaien daarvan en verwijdering van het leertje, voldoende zou moeten zijn om het aanwezige knalgas te laten ontsnappen. Op de eerste werkdag arriveerde [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft toen zijn eerste instructie van [medeverdachte] gekregen. Dit door [medeverdachte] opgestelde plan hield onder meer, voor zover hier van belang, de volgende stappen in: - De boei uit het water lichten. Het overdrukventiel aan de bovenzijde van het boeilichaam opendraaien en de opening vrijmaken door ventiel met dop, veer en rubbertje te verwijderen (het zogenaamde beluchten). - De ketting waarmee de boei in het water op zijn plek wordt gehouden binnenhalen en controleren op slijtage. Deze handeling kan tijdens het beluchten worden uitgevoerd. - Verwijderen van de zonnepanelen en de lamp van de bovenzijde van de boei. Hierbij eerst de stekker uit de lamp trekken. De kabel die aan deze stekker zit mag beslist niet worden doorgeknipt wegens gevaar voor vonken. De elektriciteitskabels van zonnepaneel naar de accu’s kunnen worden doorgeknipt. - Het losdraaien en wegklappen van de knevels om de toren van de boei los te maken van het boeilichaam, het onderste deel van de boei. - De hijshaken aan de boei vastmaken om met de kraan de boeitoren een klein stukje op te tillen met de kraan om resterend gas te laten ontsnappen. Tijdens deze hijsprocedure moest iedereen zich op een veilige plek (achter de kraan) terugtrekken. Tijdens al deze werkzaamheden werd geen gebruik gemaakt van vonkvrij gereedschap. Op 26 februari 2009 lag het werkschip afgemeerd in de Neder-Rijn ter hoogte van kilometerraai 923 binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Er werd gewerkt aan een boei die was voorzien van een plaatje met nummer A4 . [medeverdachte] had ook die dag de leiding. Hij werkte voor de tweede dag met [slachtoffer 2] en [slachtoffer]. De dag ervoor en in de ochtend was er in totaal aan acht boeien gewerkt volgens de vaste werkwijze. [medeverdachte] had die dag gezien dat er aan de kabel die aan de lantaarn vastzat werd getrokken en heeft toen herhaaldelijk gewaarschuwd dat dit gevaarlijk was omdat dit kortsluiting zou kunnen geven. Aan de negende boei, de vierde boei waaraan op 26 februari 2009 werd gewerkt, heeft [medeverdachte][slachtoffer] en [slachtoffer 2] werkzaamheden aan deze boei laten verrichten, terwijl [medeverdachte] zelf met de ankerketting aan het werk was. Hij heeft er niet op toegezien dat de ontluchtingsnippel werd verwijderd. Hij heeft gezien dat eerst [slachtoffer] tijdens het ontluchten in de toren aan het werk was en de lampen en zonnecollectoren demonteerde, die door [slachtoffer 2] werden aangepakt. Hij heeft niet gezien dat de knevels waren opengedraaid en door wie. Hij zag als laatste dat beide personen op de boei zaten. Kort na het ongeval verklaart [medeverdachte] dat hij aan de onderzijde van de boei nog bezig was met de ankerketting. Hij hoorde vervolgens een doffe klap en realiseerde zich dat de boei was ontploft. Als gevolg van de explosie is [slachtoffer] overleden en heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel bekomen. In het NFI-rapport van ir. J.H.L.M. Lelieveld wordt de adequaatheid van de door [medeverdachte] gehanteerde methode beoordeeld. Daaruit blijkt dat bij meerdere stappen in de gehanteerde werkwijze kans op vonkvorming aanwezig is, welke ieder voor zich voldoende zouden kunnen zijn om een explosie te veroorzaken indien de concentratie waterstofgas zich binnen de explosiegrenzen (tussen 4% en 75%) bevindt en er voldoende zuurstof (uit de lucht) aanwezig is. Bij vergelijking met alternatieve werkvoorschriften (methode Pintsch Aben en methode TNO) wordt geconcludeerd dat deze alternatieve methoden tot doel hebben de bron van de explosie weg te nemen voordat er daadwerkelijke onderhoudswerkzaamheden aan de boei plaatsvinden, door gebruik van vonkvrij gereedschap, het meten van de concentratie waterstofgas en door het verdringen van het waterstofgas met CO
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.