RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/601104-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 maart 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven te [woonplaats], [adres], gedetineerd te PI Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein, raadsman mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 met geweld,heeft geprobeerd geld en/of een auto te stelen van [benadeelde partij] en/of heeft geprobeerd die [benadeelde partij] te dwingen tot afgifte van voornoemde goederen; feit 2 een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad; feit 3 een auto van [benadeelde partij 2] heeft verduisterd; feit 4 primair: [benadeelde partij 3] heeft opgelicht, door zich voor te doen als bonafide koper van haar auto; subsidiair: een auto van [benadeelde partij 3] heeft verduisterd. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging merkt in de eerste plaats op dat wordt ingestemd met het ad informandum gevoegde feit. Ten aanzien van feit 3 merkt de verdediging op dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van zowel het primaire als het subsidiaire onder feit 4 tenlastegelegde merkt de verdediging op het vereiste opzet telkens ontbreekt, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 1 stelt de verdediging dat niet bewezen kan worden dat verdachte de auto wilde wegnemen. Evenmin kan het ten laste gelegde geweld en het beweerdelijk letsel van [benadeelde partij] niet worden bewezen, zodat verdachte van dit feit deels dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal overgaan tot behandeling van de feiten in chronologische volgorde. 4.3.1 Vrijspraak feit 3 Aangever [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] of aangever) heeft verklaard dat hij aan verdachte een Volvo type 440 heeft uitgeleend. Volgens aangever zou verdachte de auto begin november 2009 terugbrengen. De auto is vervolgens niet door verdachte teruggebracht. Sinds eind oktober 2009 is er volgens aangever geen contact meer geweest met verdachte. Aangever kon verdachte niet bereiken. Verdachte heeft verklaard dat de auto een leenauto was en dat de afspraak was dat hij de auto zou teruggeven. Verdachte heeft verklaard dat hij twee of driemaal contact heeft gehad met [X], een verkoper van het bedrijf van [benadeelde partij 2], en dat deze gesprekken telkens gingen over het retourneren van de auto. Volgens verdachte heeft hij de auto uiteindelijk conform de met [X] gemaakte afspraak in een straat achtergelaten, ongeveer 100 meter verwijderd van zijn huisadres. Tevens heeft verdachte verklaard dat het kan kloppen dat hij in die tijd minder goed te bereiken was, omdat hij in die periode is verhuisd en zijn mobiele telefoonnummer heeft veranderd. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden als genoemd in de verklaring van verdachte onvoldoende kunnen worden weerlegd door de inhoud van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal. Dit brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich de auto opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken. 4.3.2 Feit 4 Aangeefster [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] of aangeefster) heeft verklaard dat zij op 21 oktober 2010 een afspraak heeft gemaakt met een man die zich had voorgesteld als [A]. Deze man, die aangaf de Italiaanse nationaliteit te bezitten, had op haar advertentie gereageerd waarin zij haar auto, een Audi A4 (hierna: de auto), te koop aanbood. [A] heeft vervolgens een proefrit gemaakt. Om de verkoop van de auto aan [A] te voltooien, zijn [benadeelde partij 3] en [A] samen op 2 november 2010 naar de ABN Amro Bank te Heemstede gereden, alwaar [A] [benadeelde partij 3] liet zien dat hij via internetbankieren een bedrag van € 29.000,00 overschreef naar haar rekeningnummer. Teneinde de auto op naam van [A] over te doen schrijven, zijn zij naar het postkantoor gereden. Daar aangekomen gaf [A] aan dat hij zijn papieren was vergeten mee te nemen. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat zij, nu zij met eigen ogen had gezien dat het transactiebedrag naar haar was overgemaakt, in goed vertrouwen de auto aan [A] heeft meegegeven zodat hij zijn papieren op kon halen om die papieren later die dag aan haar af te geven. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat dit uiteindelijk niet is gebeurd. [benadeelde partij 3] heeft na 2 november 2010 niets meer vernomen van [A]. [benadeelde partij 3] heeft tevens verklaard dat het bedrag van € 29.000,00 niet op haar rekening is bijgeschreven. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 november 2010 met [benadeelde partij 3] in de ABN AMRO bank te Heemstede is geweest. Verdachte had zijn papieren niet bij zich, waarna hij met de auto is vertrokken. Verdachte heeft verklaard dat hij alleen in het bezit is van een Pools paspoort. Aanvullende overwegingen De rechtbank stelt vast dat verdachte aan [benadeelde partij 3] de indruk heeft gegeven dat hij de auto wilde kopen. [benadeelde partij 3] heeft de auto aan verdachte meegegeven, omdat zij in de veronderstelling was dat het geld naar haar rekeningnummer was overgemaakt. Vaststaat dat verdachte de auto heeft meegenomen en dat het geld niet is overgemaakt naar de rekening van [benadeelde partij 3]. Verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat het wel de bedoeling was de auto te kopen, daartoe geld had geleend en dat hij de auto in Polen wilde verkopen. De rechtbank overweegt echter dat verdachte niet alleen over de omstandigheid dat het geld niet is overgeboekt naar de rekening van [benadeelde partij 3], een wisselende verklaring heeft afgelegd, maar dat verdachte ook op andere punten wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij van plan was zijn rijbewijs te halen en de auto zelf te gaan gebruiken. Verdachte heeft destijds tevens verklaard dat hij ervan overtuigd was dat hij het geld in de ABN AMRO bank had overgemaakt naar de bankrekening van [benadeelde partij 3]. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geld nodig had en € 29.000,00 van een vriend had geleend om de auto te kopen en later door te verkopen, zodat hij er geld aan zou verdienen. Verdachte heeft verklaard dat zijn vriend het geld nog niet op zijn rekening had overgemaakt, zodat hij het geld niet heeft kunnen overboeken naar de rekening van [benadeelde partij 3]. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij de vertaalde versie van het internetbankieren-programma niet goed begreep en derhalve niet goed kon zien of de transactie voltooid was, maar dat hij daar wel vanuit is gegaan. De rechtbank merkt ook op dat [benadeelde partij 3] bovendien heeft verklaard dat verdachte zich voordeed als een man met de Italiaanse nationaliteit, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij alleen de Poolse nationaliteit bezit. Gelet op deze wisselende verklaringen van verdachte, die op enkele punten ook tegenstrijdigheden bevatten, is de rechtbank van oordeel dat aan de uitleg van verdachte over de zich voorgedane gebeurtenissen geen waarde kan worden gehecht. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich heeft voorgedaan als koper van de auto, door een proefrit te maken en bij [benadeelde partij 3] de indruk te wekken dat de koopprijs van de auto naar haar rekening was overgemaakt. Verdachte heeft bovendien bij [benadeelde partij 3] de indruk willen wekken dat hij een Italiaanse achtergrond had. Met deze bedrieglijke handelingen en valse hoedanigheden heeft verdachte de intentie gehad om [benadeelde partij 3] de auto te doen afgeven aan hem, hetgeen ook is gelukt. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten de oplichting van [benadeelde partij 3]. 4.3.3 Feit 1 Aangever [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] of aangever) heeft verklaard dat hij op 4 november 2010 op de [adres] in Utrecht heeft afgesproken met een mogelijke koper van zijn auto, een Audi (hierna: de auto). De [adres] is een openbare weg. Aangever zat achter het stuur in de auto en zag en hoorde dat deze mogelijke koper, een man, het portier achter hem open deed. Op dat moment voelde aangever dat er iets tegen zijn nek werd geduwd. Hij voelde een hevige pijn op deze plek en hoorde een hoop geknetter. Aangever is naar voren geklapt met zijn bovenlichaam. Aangever en de man zijn vervolgens uit de auto gesprongen. De man rende weg. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat [benadeelde partij] twee rode puntjes in zijn nek had. Verdachte heeft verklaard dat hij op de betreffende dag achterin de auto heeft plaatsgenomen, achter de bestuurdersstoel waar de verkoper ging zitten. Verdachte heeft het stroomstootwapen uit zijn jas gehaald. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij een gouden gids in repen heeft geknipt en in enveloppen in zijn broeksband heeft gestopt, om het vertrouwen van de verkoper te winnen. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij voornemens was om geld te stelen van [benadeelde partij]. Aanvullende overwegingen Uit de omstandigheid dat verdachte zich als koper van de auto heeft voorgedaan, hij met stukken papier in zijn broeksband de verkoper wilde doen geloven dat hij geld bij zich had, en vervolgens met de verkoper in de auto heeft plaatsgenomen, leidt de rechtbank af dat verdachte tevens de bedoeling had om zich de auto toe te eigenen. De verklaring van verdachte dat hij alleen op het geld van de verkoper uit was, acht de rechtbank onder de hierboven geschetste omstandigheden, ongeloofwaardig. Uit het gebruik van het stroomstootwapen door verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte de bedoeling had om, nadat hij [benadeelde partij] weerloos had gemaakt, geld en de auto weg te nemen van die [benadeelde partij]. De rechtbank acht wettig en overtuigend dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde, zoals hieronder nader wordt omschreven. 4.3.4 Feit 2 De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 7 maart 2011 ; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2010 van [benadeelde partij 4] ; - het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2010 van [benadeelde partij] ; 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.