ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0234
beschikking RECHTBANK UTRECHT Sector Familie & Toezicht zaaknummer / rekestnummer: 291105 / FA RK 10-4592 (huwelijkse voorwaarden) Beschikking van 5 april 2011 in de zaak van [verzoeker 1], en [verzoekster 2], echtgenoten, beiden wonende te [woonplaats], nader te noemen verzoekers.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder de brieven van notaris G.H.A. Warning van 20 december 2010 binnengekomen op 23 december 2010 en van 9 februari 2011 binnengekomen op 11 februari 2011.
De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 7 maart 2011. Daarbij waren aanwezig mr. G.H.A. Warning, notaris (hierna: de notaris), mr. T.D. Ottens, kandidaat-notaris en S.S.T. Warning, kandidaat-notaris.
De rechtbank weigert de gehele of gedeeltelijke goedkeuring slechts indien gevaar voor benadeling van schuldeisers bestaat, of indien een of meer van de voorwaarden strijden met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde.
Ingevolge artikel 1:120 BW beginnen tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden te werken op de dag volgend op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is aangewezen.
4.2 De notaris is van mening dat in casu sprake is van een uitzonderlijk geval. De argumenten die hij ten behoeve van de gewenste wijziging van de huwelijkse voorwaarden aanvoert, zijn met name van feitelijke en fiscale aard, zoals de vermogendheid van verzoekers, het streven van de man om zijn echtgenote verzorgd achter te laten, het ontbreken van schulden aan anderen dan de onderneming van de man en de excessief nadelige fiscale gevolgen van de huidige huwelijkse voorwaarden. Tevens stelt de notaris zich op het standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is van een voorwaarde maar van een tijdsbepaling. Hij voert daartoe aan dat zeker is dat partijen zullen overlijden met als gevolg dat daadwerkelijk een algehele gemeenschap van goederen zal ontstaan. Enkel het exacte moment waarop de gemeenschap ontstaat is vooraf niet bekend, aldus de notaris.
4.3. De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:119 BW geen ruimte biedt tot weging van de belangen van de echtgenoten onderling, danwel tot weging van de belangen van echtgenoten jegens schuldeisers. De toetsing die de rechtbank dient te verrichten dient uitsluitend een principiële beslissing te zijn op principiële gronden.
4.4 De vraag of de goedkeuring aan de conceptbepaling dient te worden onthouden op grond van artikel 1:119 BW juncto artikel 1:120 BW dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De voorgestelde wijziging is kennelijk uitsluitend van toepassing bij ontbinding van het huwelijk door overlijden van een van de echtgenoten. Indien het huwelijk zal eindigen door echtscheiding, zal voornoemde bepaling niet worden toegepast en blijft het huidige huwelijksgoederenregime van gescheiden vermogens (met een verrekenbeding) in stand. Derhalve impliceert deze ‘tijdsbepaling’ zijnde het overlijden van een van de echtgenoten tevens een opschortende voorwaarde van ontbinding van het huwelijk door overlijden. Anders dan de notaris stelt staat op grond van deze bepaling dan ook nog niet vast of op enig moment de gemeenschap van goederen zal intreden.
Voorts overweegt de rechtbank dat de onzekere tijdsbepaling gelet op de leeftijden van de verzoekers (42 en 50 jaar), op een lange periode betrekking kan hebben, terwijl gedurende deze periode voor crediteuren geen enkele zekerheid bestaat hoelang het huidige huwelijksgoederenregime zal bestaan en of en wanneer de gemeenschap van goederen zal intreden. Anders gezegd; er is sprake van een ongewisse en zwevende situatie totdat vast komt te staan of de voorwaarde in vervulling is gegaan (Hoge Raad van 21 januari 1944, NJ 1944,120). In dit verband overweegt de rechtbank dat na ontbinding van het huwelijk door overlijden, een schuldeiser die een schuld was aangegaan met de man, diens nalatenschap voor de gehele schuld kan aanspreken en de vrouw voor de helft (artikel 1:102 BW). Doordat alsnog een algehele gemeenschap van goederen ontstaat vindt een boedelmenging plaats van de vermogens van de echtgenoten. Hierdoor kan het vermogen van een van beide echtgenoten ten nadele van de crediteuren van de andere echtgenoot worden verminderd. Aldus kan er enerzijds sprake zijn van een verruiming van de verhaalsmogelijkheid voor crediteuren, anderzijds bestaat de mogelijkheid dat crediteuren te maken krijgen met de concurrente schuldeisers van de vrouw waardoor zij in hun verhaalsmogelijkheden kunnen worden beperkt.
In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding kan de man voor de gehele schuld worden aangesproken, terwijl de vrouw niet kan worden aangesproken. Het laatste geldt eveneens indien de schuld tijdens huwelijk werd afgelost.
De beide genoemde huwelijksgoederenregimes hebben aldus voor mogelijke schuldeisers voor- en nadelen. De positie van een schuldeiser hangt samen met de omstandigheden van het geval. Het is echter aan de schuldeiser zelf om een dergelijke inschatting van zijn risico te maken. Onduidelijkheid over het huwelijksgoederenregime is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom in strijd met de belangen van een schuldeiser. Weliswaar zou een schuldeiser door publicatie van de huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister kennis kunnen nemen van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, echter de onzekerheid in de tijdsbepaling/opschortende voorwaarde blijft in het onderhavige geval bestaan. Schuldeisers hebben belang bij rechtszekerheid. Daarom levert reeds de aard van de conceptbepaling inhoudende een tijdsbepaling en een opschortende voorwaarde gevaar voor benadeling op van (eventuele) huidige en/of toekomstige schuldeisers. Aan het gegeven dat partijen aanzienlijk vermogend zijn noch aan de toekomstige nadelige fiscale consequenties kan naar het oordeel van de rechtbank een doorslaggevend belang worden toegekend reeds omdat (het eventuele toekomstige) gevaar voor benadeling van crediteuren thans niet kan worden uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de conceptbepaling gevaar voor benadeling van schuldeisers met zich meebrengt. Derhalve zal de rechtbank geen goedkeuring verlenen aan het onderhavige concept huwelijkse voorwaarden.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.G.M. Buys, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Bultena, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2011.