vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector Civiel Handelskamer zaaknummer / rolnummer: 300083 / HA ZA 11-126 Vonnis in incident van 25 mei 2011 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A. HAK INFRANET B.V., gevestigd te Tricht, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. J.M. van Noort, tegen naamloze vennootschap VITENS N.V., gevestigd te Utrecht, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. P. van den Broek. Partijen zullen hierna A. Hak en Vitens genoemd worden.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, - de incidentele conclusie van antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
- De beoordeling in het incident 2.
- Vitens vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Tussen partijen is een overeenkomst gesloten waarin is verwezen naar de UAV T.I.
- De UAV bevat in paragraaf 49 een arbitraal beding waarin is bepaald dat geschillen met uitsluiting van de gewone rechter worden voorgelegd aan arbiters overeenkomstig de regelen van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland. A. Hak erkent dat dit arbitraal beding op de relatie tussen partijen van toepassing is. Zij stelt zich echter dat de redelijkheid en billijkheid zich in de omstandigheden van dit geval verzetten tegen toepassing van het arbitraal beding. 2.
- De onderhavige zaak is een vrijwaringszaak. In de hoofdzaak zijn beide partijen gedagvaard door Nationale Nederlanden N.V. op grond van een door Nationale Nederlanden gestelde onrechtmatige daad. Deze vrijwaringszaak heeft tot onderwerp de vraag of A. Hak, indien zij in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden, haar schade op Vitens kan verhalen. A. Hak stelt dat zij gewerkt heeft op basis van de instructies van Vitens. Zowel in de hoofdzaak als, bij toewijzing van de vordering tegen A. Hak, in de vrijwaringszaak zal aan de orde moeten komen hoe het werk is uitgevoerd en welke instructies Vitens daarbij heeft verstrekt. Het feitencomplex in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak is aldus nauw verweven. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat toepassing van de arbitrageclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Doordat de hoofdzaak al bij deze rechtbank aanhangig is, beide partijen in die hoofdzaak als gedaagde betrokken zijn en naar verwachting de beoordeling van de feiten in de hoofdzaak van invloed zal zijn op de beoordeling in de vrijwaringszaak is de rechtbank van oordeel dat het beoordelen van de vrijwaringszaak door niet alleen een andere rechter, maar door een geheel andere instantie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook op proceseconomische gronden is dit onwenselijk. 2.
- De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
- De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- wijst het gevorderde af, 3.
- houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan, in de hoofdzaak 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juli 2011 voor conclusie van antwoord. Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.?