RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummers: 16/600907-10; 16/600175-10 (vordering tul) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 mei 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1986] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] Raadsman mr. C.A. Jonkers, advocaat te [woonplaats]. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel haar heeft mishandeld; feit 2: twee agenten heeft bedreigd, feit 3: [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd; feit 4: goederen van [slachtoffer] heeft vernield. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met uitzondering van het gedeelte dat ziet op het steken en/of prikken met een schaar in het been van die [slachtoffer]. De officier van justitie heeft een vrijspraak gevorderd voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, te weten het bedreigen van (hoofd)agenten [agent 1] en [agent 2] van de politie, de vrijheidsberoving van [slachtoffer] en het vernielen van goederen van [slachtoffer]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. De raadsman is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Op 12 september 2010 heeft aangeefster [slachtoffer] bij de politie verklaard dat zij op 12 september 2010 in de woning van verdachte te [woonplaats] door verdachte meermalen, te weten tien tot vijftien keer, in het gezicht is geslagen met gebalde vuist en platte hand en dat zij hierdoor hevige pijnscheut voelde op het voorhoofd, net boven haar linkeroog. Vervolgens verklaart de aangeefster dat verdachte haar tegen haar rechterschouder trapte met ongeschoeide voet en dat zij hierop een hevige pijnscheut voelde in deze schouder. Voorts heeft verdachte haar met beide benen geschopt en getrapt, ongeveer drie maal. Verdachte heeft daarna een schaar gepakt en deze geopend en op haar been gedrukt. De aangeefster vermoedt dat verdachte haar ook een trap heeft gegeven tegen haar stuitje, aangezien hij achter haar liep en zij plotseling een hevige pijnscheut voelde net boven haar stuitje. Verdachte heeft daarna een elektriciteitssnoer gepakt en heeft haar hiermee een keer of drie geslagen. In het dossier bevindt zich een geneeskundige verklaring van huisarts Van Dop, waaruit blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] op 12 september 2010 onderzocht is. Uit deze verklaring blijkt dat [slachtoffer] mogelijk een hersenschudding had en dat er verder sprake was van waarneembaar letsel aan het voorhoofd (zwelling/bloeduitstorting), de buik/overgang heup (v-vormige zwelling met roodheid van 7x7 centimeter), de schouder (bloeduitstorting doorsnee 4 centimeter) en de linkerdijbeen (aan de voorzijde en zijkant in totaal drie rode strepen van ongeveer 13 centimeter). Tevens bevinden zich in het dossier foto’s van het letsel van aangeefster. Door verbalisant [verbalisant] werd op 13 september 2010 het volgende letsel waargenomen en gefotografeerd : - zwelling boven het linkeroog, met een lichte verkleuring van de huid (foto 1 tot en met 3); - bloeduitstorting net boven de linkerheup (foto’s 4 en 5); - licht blauwe verkleuring binnenzijde linkerknie (foto’s 6 en 7); - blauwe verkleuring achterzijde bovenbeen (foto’s 8 en 9); - rode streep op voorzijde linkerbovenbeen (foto 10); - blauwe verkleuring rechterschouder (foto’s 11 en 12). De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit verklaard, dat het niet zo is gegaan als de aangeefster heeft verklaard. Verdachte heeft het slachtoffer niet geslagen en/of geschopt of op enig andere wijze mishandeld. De verdediging voert aan dat het slachtoffer aan thaiboksen doet en derhalve de verwondingen ook door de uitoefening van deze sport kan hebben opgelopen. De rechtbank overweegt als volgt. Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte toegepaste geweld op aangeefster niet een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. De rechtbank spreekt verdachte hiervoor dan ook vrij. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld . De verdachte heeft het slachtoffer meermalen tegen het hoofd geslagen en gestompt en tegen het lichaam geschopt en getrapt en haar met een elektriciteitssnoer geslagen, als gevolg waarvan zij pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen. Deze conclusie baseert de rechtbank op de hiervoor aangehaalde processen-verbaal met de verklaringen van aangeefster, de geneeskundige verklaring, de foto’s en het proces-verbaal van bevindingen. De stelling van verdachte dat het letsel veroorzaakt kan zijn door het thaiboksen, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het letsel in het gezicht van aangeefster nog niet zichtbaar was op het moment dat het slachtoffer bij verdachte kwam. Daarbij komt dat het door de arts en de verbalisant waargenomen letsel op de verschillende lichaamsdelen van aangeefster precies overeenkomt met de beschrijving die zij in haar aangifte geeft van de mishandelende gedragingen die verdachte op haar heeft uitgeoefend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte en de het daarmee samenhangend verweer dan ook niet aannemelijk. Het bestanddeel in de tenlastelegging dat ziet op het steken en/of prikken in het been met een schaar acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien het slachtoffer in haar aangifte enkel aangeeft met een geopende schaar te zijn geduwd in haar been. De rechtbank spreekt de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook vrij. Feit 2 Op 12 september 2010 hebben zowel aangever [agent 1] als aangever [agent 2], respectievelijk hoofdagent en agent van de politie in een proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard. Op 12 september 2010 waren zij bij de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Zij waren in uniform gekleed. De agenten hebben na meermalen bij de woning te hebben aangeklopt en meermalen op duidelijke toon te hebben geroepen: “Politie, doe open”, de deur van verdachtes woning ingetrapt. Toen de deur uiteindelijk werd open gedaan, zagen de agenten verdachte staan met een mes in zijn hand. De verdachte nam een dreigende houding aan door boos in hun richting te kijken en zei onder andere: “Als jullie hier komen, steek ik jullie neer”. [agent 1] geeft aan zich bedreigd te hebben gevoeld door verdachtes houding en woorden en had de overtuiging dat verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen en het mes tegen hem zou gebruiken. Ook [agent 2] verklaart dat bij hem de overtuiging bestond, dat verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen en het mes tegen hen zou gebruiken. Verdachte werd gekalmeerd door een buurman en heeft uiteindelijk het mes laten vallen. Echter, toen het de verdachte duidelijk werd, dat hij zou worden aangehouden, heeft verdachte geroepen: “Als jullie me komen aanhouden, dan steek ik jullie neer” en heeft hij het mes weer opgepakt. [slachtoffer] verklaart bij de politie dat zij een stem hoorde roepen: “ Politie, maak de deur open”. Zij verklaart verder dat verdachte haar opdroeg zich normaal te gedragen tegenover de politie en dat zij zag dat verdachte weer agressief werd, aan de blik in zijn ogen, zijn agressieve armbewegingen en zijn geschreeuw. Zij hoorde vervolgens gekraak en begreep dat de politie de voordeur had ingetrapt. Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2011 verklaard, dat hij op het moment dat hij de deur opende, boos en bang was. Hij begrijpt dat de agenten zich op dat moment bedreigd kunnen hebben gevoeld, omdat hij weliswaar met een mes in zijn hand stond, maar die hij achter zijn been verscholen hield. Hij zegt toen niet te hebben geweten dat er politie voor de deur stond maar dat hij dacht dat het de taxichauffeur was met wie hij een conflict heeft en die hem eerder met de dood heeft bedreigd. Tevens verklaart verdachte dat hij geen bedreigende taal heeft geuit richting verbalisanten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de agenten niet heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. In de eerste plaats voert de verdediging aan dat verdachte weliswaar een mes in de hand had op het moment dat hij de deur opendeed, maar dat hij niet op de agenten is afgelopen en bovendien geen dreigende bewegingen met het mes heeft gemaakt richting de agenten. De verdediging voert aan dat verdachte een lopend conflict heeft met een taxichauffeur en dat deze taxichauffeur verdachte met de dood bedreigd heeft. Toen de deur van de verdachte werd ingetrapt, heeft verdachte het mes ter hand genomen, omdat hij bang was dat voornoemde taxichauffeur zijn dreigement kwam uitvoeren. Verdachte verklaart dat hij niet heeft gehoord dat de politie zich heeft geïdentificeerd. Toen verdachte zag dat er politie voor de deur stond, heeft hij het mes achter zijn been gehouden. Ten tweede stelt de verdediging dat verdachte geen bedreigende taal heeft geuit tegen de agenten. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is op grond van de uiterlijk waarneembare gedragingen van verdachte, zoals die zijn beschreven door de beide verbalisanten, van oordeel dat verdachte de agenten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging was bovendien van dien aard en vond onder zodanige omstandigheden plaats dat bij de agenten de redelijke vrees kon ontstaan, dat zij het leven zouden kunnen verliezen. De rechtbank acht het niet aannemelijk, dat verdachte niet wist dat er politie voor de deur stond. [slachtoffer] die met verdachte achter de deur stond heeft verklaard dat zij een stem hoorde roepen: “Politie, maak die deur open” en uit haar verklaring blijkt tevens dat verdachte weet had van het feit dat er politie voor de deur stond.. Ook hoofdagent [agent 1] verklaart dat hij meermalen op duidelijke wijze heeft geroepen: “Politie, doe open”. Bovendien waren de agenten in uniform gekleed en dus herkenbaar als zijnde politie. De verdachte heeft weliswaar het mes laten vallen, maar heeft dit pas gedaan na enig verloop van tijd en heeft bovendien het mes later weer opgepakt om zijn tweede dreigement kracht bij te zetten. De bedreiging is naar het oordeel van de rechtbank geschied door een combinatie van het vasthouden van het mes en het uiten van bedreigende taal. De rechtbank overweegt ten slotte, in reactie op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, dat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat verdachte op de agenten is afgelopen en dreigende bewegingen met het mes heeft gemaakt richting de agenten. Dergelijke gedragingen hoeven derhalve niet bewezen te worden. Feit 3 [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij zich op 12 september 2010 in verdachtes flatwoning te [woonplaats] bevond en dat zij dacht te horen dat er een deur dicht ging. Zij zat op dat moment opgesloten in de slaapkamer, keek uit het slaapkamerraam en zag verdachte weg fietsen. Op het moment dat zij een man ziet lopen, schreeuwt zij uit het raam dat hij de politie moet bellen en dat ze wordt vastgehouden in de flat. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij de voordeur van zijn woning die gelegen is op de vierde verdieping op slot heeft gedaan en het slachtoffer niet weg kon uit zijn woning, omdat zij geen sleutel had. De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu de opzet van verdachte niet was gericht op het vastzetten en vasthouden van het slachtoffer. Verdachte heeft weliswaar de voordeur van zijn flatwoning op slot gedaan, maar niet met de bedoeling het slachtoffer op te sluiten in zijn woning. Verdachte doet namelijk altijd de deur van zijn woning op slot wanneer hij weggaat van huis en derhalve heeft hij dit nu ook gedaan. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gedragingen van verdachte de conclusie gerechtvaardigd is dat bij verdachte de opzet bestond om [slachtoffer] van haar vrijheid te beroven en beroofd te houden. Zoals verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard, heeft hij de voordeur van zijn woning op slot gedaan terwijl het slachtoffer zich daarin bevond waardoor zij daaruit niet weg kon uit. Zij had immers geen sleutel van verdachtes woning en de woning bevond zich op de vierde verdieping van een flatgebouw. Verdachte heeft door aldus te handelen de enige toegangsdeur tot de woning afgesloten, waardoor aangeefster pas de woning kon verlaten wanneer verdachte voor haar de deur zou openen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden. Feit 4 Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de aangifte van [slachtoffer]. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.