RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600165-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1981] te [geboorteplaats] gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: tezamen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een woning; feit 2: tezamen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een woning; feit 3: tezamen met een ander heeft ingebroken in een woning; feit 4: tezamen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een woning. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 De bewijsmiddelen Verweer onrechtmatig verkregen bewijs: De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat de doorzoeking van de auto van verdachte, te weten de Opel Vectra met kenteken [kenteken], door verbalisant [verbalisant 1] onrechtmatig is geweest. Een doorzoeking van een voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering vereist een heterdaadsituatie van een verdenking van een strafbaar feit dan wel een verdenking van een misdrijf ex artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Van een heterdaadsituatie of een concrete verdenking van een ander misdrijf was op het moment van de doorzoeking geen sprake, aldus de verdediging. Naar de mening van de verdediging leidt dit ertoe dat de in de Opel Vectra aangetroffen gereedschappen onrechtmatig zijn verkregen en dat de resultaten van het met gebruikmaking van die gereedschappen uitgevoerde werktuigsporenonderzoek dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] vast dat verdachte samen met een andere man op 9 februari 2011 om kwart voor acht ’s avonds tussen twee geparkeerde auto’s stond. Eén van hen was in een personenauto aan het kijken. Toen de mannen zich omdraaiden en in de richting van [verbalisant 2] keken, die in uniform was gekleed, liepen zij met versnelde pas en kijkend naar de grond weg bij de personenauto. Zij waren beiden in het donker gekleed. Op de vraag wat de mannen aan het doen waren antwoordde verdachte dat zij op zoek waren naar een woning om te huren. [verbalisant 2] relateerde dat hij gezien de vele inbraken in Vianen een nader onderzoek instelde, waarbij hij bijstand kreeg van verbalisant [verbalisant 1]. Uit de bevindingen van [verbalisant 1] blijkt dat het hem als wijkteamlid ambtshalve bekend was dat er destijds een stijging van woninginbraken en auto-inbraken was geweest in het werkgebied van Vianen. [verbalisant 1] heeft daarop de auto, welke verdachte als zijnde van hem aanwees, onderzocht waarbij de gereedschappen door verbalisant zijn aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het door verbalisant [verbalisant 1] ingestelde onderzoek in de auto van verdachte aangemerkt dient te worden als een doorzoeking op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte heeft zich ’s avonds in het donker op de betreffende plek opgehouden. De verklaring van verdachte dat zij op dat moment op zoek waren naar een huurhuis is daarom niet aannemelijk. Verdachte heeft zich door met een ander ’s avonds in het donker tussen geparkeerde auto’s in te staan, waarbij ook daadwerkelijk in een auto wordt gekeken, en met gebogen hoofd en versnelde pas weg te lopen als zij politie zien, verdacht opgehouden. Ondanks dat er op dat moment niet daadwerkelijk sprake was van een (poging tot) auto-inbraak had de politie onder de genoemde omstandigheden en mede in aanmerking genomen dat bij de verbalisanten bekend was dat er sprake was van een stijging in het aantal woning- en auto-inbraken in Vianen voldoende aanleiding voor de verdenking van een (poging tot een) misdrijf als vermeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De politie was derhalve bevoegd om op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering ter inbeslagneming het voertuig van verdachte te doorzoeken. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting. Ten aanzien van de bewezenverklaring: De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft daarbij gelet op: - de verklaring van aangeefster [aangever 1] ; - de verklaring van getuige [getuige] ; - het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] ; - de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat de Opel Vectra met kenteken [kenteken] van hem is; - het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van het cilinderslot ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van de Skandia schroefsleutel ; - het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek . De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel medeplegen. De rechtbank heeft daarbij gelet op: - de verklaring van aangever [aangever 2] ; - de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat de Opel Vectra met kenteken [kenteken] van hem is; - het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van het cilinderslot ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van de Skandia schroefsleutel ; - het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek . De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel medeplegen. De rechtbank heeft daarbij gelet op: - de verklaring van aangever [aangever 3] ; - de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat de Opel Vectra met kenteken [kenteken] van hem is; - het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van het cilinderslot en de op de deur aangetroffen moet ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van de Skandia schroefsleutel en de schroevendraaier ; - het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek . De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel medeplegen. De rechtbank heeft daarbij gelet op: - de verklaring van [aangever 4], aangeefster namens de eerste erfgename van mevrouw [A] ; - de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat de Opel Vectra met kenteken [kenteken] van hem is; - het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] ; - het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat het cilinderslot is veiliggesteld ; - het proces-verbaal ten aanzien van de op het cilinderslot aangetroffen sporen ; - het proces-verbaal van sporenonderzoek ten aanzien van de Skandia schroefsleutel ; - het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek . Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden aangevuld met de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. 4.2 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.