RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummers: SBR 11/195, 11/196 , 11/197 en 11/198 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres sub 1], te [woonplaats], eiseres sub 1, [eiser sub 1], te [woonplaats], eiser sub 1 [eiser sub 2], te [woonplaats], eiser sub 2, [eiseres sub 2], te [woonplaats], eiseres sub 2, hierna samen te noemen: eisers, gemachtigde: mr. L. Stové, werkzaam bij USG Juristen te [woonplaats], en Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder, gemachtigde: mr. E.J.M. Raaijmakers. Inleiding 1.1 Ten aanzien van eiseres sub 1 heeft verweerder bij besluit van 2 februari 2010, ten aanzien van eiser sub 1 bij besluit van 8 april 2010, ten aanzien van eiser sub 2 bij besluit van 25 februari 2010 en ten aanzien van eiseres sub 2 bij besluit van 1 april 2010 een indicatiebesluit afgegeven. Eisers hebben tegen deze besluiten afzonderlijk bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ten aanzien van eiseres sub 1 bij besluit van 8 december 2010, ten aanzien van eiser sub 1 bij besluit van 8 december 2010, ten aanzien van eiseres sub 1 bij besluit van 27 december 2010 en ten aanzien van eiser 2 bij besluit van 27 december 2010 de bezwaren gegrond verklaard en, onder intrekking van de primaire besluiten, nieuwe indicatiebesluiten afgegeven. Eisers hebben tegen deze vier besluiten afzonderlijk beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 april 2011, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door A.M.B.P.G. Zaat, werkzaam bij de Stichting Fokuswoningen (hierna: de Stichting). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2.1 Verweerder heeft bij de afzonderlijke bestreden besluiten de bezwaren van eisers gegrond verklaard en zijn primaire indicatiebesluiten herroepen. Verweerder heeft daarbij een vergoeding voor de kosten in de bezwaarprocedure afgewezen, omdat volgens hem sprake is van samenhang met soortgelijke procedures over de zogeheten ADL-herdicatie en de gemachtigde van eisers in verband met die procedures reeds een vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand met wegingsfactor 1,5 heeft ontvangen. 2.2 Eisers hebben in beroep betoogd dat verweerder hun bezwaarschriften ten onrechte als samenhangend in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) heeft aangemerkt. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat de gemachtigde hun individuele situatie afzonderlijk heeft beoordeeld en hij eisers daarvoor persoonlijk heeft bezocht en gesproken. De bezwaarschriften zijn toegespitst op deze specifieke situatie van eisers en de voor hen gestelde indicaties. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers kunnen volstaan met het indienen van één algemeen bezwaarschrift onder aanvulling van een individuele onderbouwing van eisers zelf. Verweerder is daarom van oordeel dat eisers hun kosten in verband met de bezwaarprocedure niet in redelijkheid hebben gemaakt. 2.3 Tussen partijen is enkel in geschil de afwijzing van de proceskostenvergoeding in bezwaar. 2.4 Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb wordt onder samenhangende zaken verstaan: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. 2.5 De rechtbank stelt vast dat eisers, die allen zelfstandige bewoners zijn van een Fokuswoning, ieder afzonderlijk bezwaar hebben gemaakt tegen de primaire indicatiebesluiten. Zij hebben hun bezwaarschriften geclusterd via de Stichting en zij hebben zich laten bijstaan door een gemachtigde van USG Juristen te Utrecht. De rechtbank stelt voorts vast dat de gronden van de bezwaren weliswaar op hoofdlijnen inhoudelijk gelijk zijn, maar dat elk van de bezwaarschriften een op de individuele situatie van de betrokken eiser toegesneden motivering bevat over de vraag waarom de door verweerder gestelde zorgindicatie op onderdelen ontoereikend is. Daarbij is in ieder bezwaarschrift een toelichting gegeven op de individuele medische situatie en de daaruit voortvloeiende individuele zorgvraag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de zaken van eisers ten onrechte heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid van het Bpb. 2.6 Naar het oordeel van de rechtbank staat het eisers in beginsel vrij om zich te laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener van zijn of haar keuze. Het is niet aan verweerder om voor eisers daarin een keuze te maken. Daarbij is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de nadere onderbouwing in bezwaar van de individuele medische situatie en de daaruit voortvloeiende individuele zorgvraag zo eenvoudig is dat van eisers verwacht had kunnen worden dat zij zelf, zonder inschakeling op dit punt van een professionele rechtsbijstandverlener, bezwaar zouden maken. Evenmin kon van eisers worden verlangd dat zij zouden volstaan met het indienen van een algemeen bezwaarschrift zonder nadere onderbouwing van hun individuele medische situatie op de grond dat - zoals verweerder ter zitting heeft betoogd - deze medische situatie door verweerder ook in bezwaar zou worden onderzocht. Het is immers ook de beoordeling door verweerder in de primaire besluitvorming die eisers heeft genoopt bezwaar te maken. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken. 2.7 De rechtbank concludeert dat verweerder de proceskostenveroordeling in bezwaar niet op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuurecht (Awb) heeft mogen afwijzen. Het betoog van eisers slaagt. 2.8 Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij is geweigerd een proceskostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat zij de proceskostenvergoeding in bezwaar in iedere zaak zal vaststellen op een bedrag van € 874,- bestaande uit kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van ieder bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, waarde per punt € 437,- ,wegingsfactor 1). 2.11 Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht (4 x € 41,-) vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eisers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.311,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting ad € 437,- per punt; omdat in beroep sprake is van samenhangende zaken is een wegingsfactor gehanteerd van 1,5). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de beide besluiten van 8 december 2010 en de beide besluiten van 27 december 2010, voor zover daarbij is geweigerd aan eisers een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen; bepaalt dat verweerder de kosten van eisers van de bezwaarprocedure in iedere zaak tot een bedrag van € 874,- vergoedt; bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van viermaal € 41,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van in totaal € 1.311,-, te betalen aan eisers. Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra als rechter en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2011. De griffier: De rechter: mr. L.E. Mollerus mr. K.J. Veenstra afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van dit proces-verbaal hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.