RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/604006-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 juli 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1991] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] te [woonplaats] raadsvrouwe mr. J.W. Verhoef, advocaat te Zeist 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: als bestuurder van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld, namelijk door zijn roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden, een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen; subsidiair: als bestuurder van een personenauto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde. Naar het oordeel van de officier van justitie dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Zij heeft hierbij van belang geacht dat uit onderzoek is gebleken dat, indien verdachte zich aan de op de plaats van het delict toegestane snelheid zou hebben gehouden, het ongeval eveneens zou hebben plaatsgevonden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vaststaande feiten en omstandigheden Op 14 januari 2010 omstreeks 18.47 uur heeft er een ongeval plaats gevonden op de Hordenweg te Wijk bij Duurstede tussen een personenauto en een voetgangster. Verdachte was de bestuurder van de personenauto. [slachtoffer], de voetgangster, stak de Hordenweg over ter hoogte van een oversteekplaats voor voetgangers (niet een voetgangersoversteekplaats als bedoeld in het RVV 1990, maar een door kanalisatiestrepen gemarkeerde oversteekplaats naast een fietsersoversteekplaats met blokmarkering, waarbij zowel overstekende fietsers als voetgangers het autoverkeer op de Hordenweg voorrang moeten verlenen) . Toen mevrouw [slachtoffer] ongeveer anderhalve meter was verwijderd van de overkant van de Hordenweg, werd zij geschept door het voertuig van verdachte. Tengevolge van deze aanrijding is mevrouw [slachtoffer] overleden. Verdachte was sinds 9 december 2009 in het bezit van zijn rijbewijs en was derhalve een beginnend bestuurder. De verklaring van verdachte Verdachte heeft verklaard dat hij de weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden goed kende en dat hij op 14 januari 2010 goed zicht had. Wel was het ten tijde van de aanrijding donker en was de weg ter plaatse volgens hem niet goed verlicht. Vóór de kruising waarna het ongeval heeft plaatsgevonden bevond zich een - verhoogd - zebrapad. Daar heeft verdachte de auto iets afgeremd. Verdachte heeft hierop weer opgetrokken. Op enig moment zag hij de vrouw voor de rechterkant van zijn auto. Verdachte heeft meteen geremd. Op datzelfde moment kwam zijn voertuig met de vrouw in botsing. Verdachte heeft verklaard dat hij niet harder reed dan 50 kilometer per uur. Hij heeft op zijn kilometerteller gekeken. Verdachte acht zich niet schuldig aan de aanrijding. Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de verdachte zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Verdachte heeft met zijn voertuig een voor hem bekende route gereden. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse houdt in dat de snelheid van het voertuig dat verdachte bestuurde tussen de 59 kilometer per uur en 60 kilometer per uur heeft gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter de snelheid van het voertuig ten tijde van het ongeval onvoldoende komen vast te staan. Genoemd rapport (p. 9) vermeldt dat het wegdek van de Hordenweg op sommige plaatsen iets glad was omdat het licht vroor. Uit het rapport blijkt echter niet dat er bij de berekening van de snelheid rekening is gehouden met eventuele gladheid op de plaats van de aanrijding. Ook wordt geen aandacht besteed aan het feit dat op de foto’s zichtbaar is dat het rechtervoorwiel een veel korter blokkeerspoor toont dan het linkervoorwiel, terwijl de voor de berekening gebruikte blokkeervertraging kennelijk is gebaseerd op remproeven waarbij wordt uitgegaan van een enkel blokkeerspoor. Op grond van de verklaring van verdachte dat hij heeft gereden met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, is aannemelijk dat hij deze snelheid heeft gereden, althans niet met een lagere snelheid. Indien verdachte reed met een snelheid van 50 kilometer per uur, is het de vraag of deze snelheid gelet op de omstandigheden ter plaatse, onverantwoord hoog was. In de tenlastelegging wordt de onverantwoord hoge snelheid geconcretiseerd met het feit dat het wegdek op sommige plaatsen glad was. Of het wegdek op de plaats van de aanrijding ten tijde van het ongeval glad was blijkt echter niet uit het dossier, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte de voetgangster niet tijdig heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag had kunnen en moeten aanpassen, onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.