RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 11/1687 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker], te Utrecht, verzoeker, gemachtigde: mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht over een besluit van de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder, gemachtigde: mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag. Inleiding 1.1 Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder verzoekers aanvraag tot afgifte van een Nederlandse identiteitskaart buiten behandeling gelaten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder een identiteitsbewijs dient te verstrekken zonder opname van vingerafdrukken te eisen voor opname in het document of de reisdocumentenadministratie. 1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 juli 2011, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en J.M.T. Wijnberg, voorzitter van Vereniging Vrijbit. Namens verweerder zijn verschenen mr. Bitter voornoemd, mr. H.A. Akse, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en mr. C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Verzoeker en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2.2 Verzoeker beschikt sinds 27 december 2010 niet meer over een geldig identiteitsbewijs. Verzoeker heeft op 6 mei 2011 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een Nederlandse identiteitskaart. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat er op dit moment geen Nederlandse identiteitskaart kan worden afgegeven zonder dat er vingerafdrukken moeten worden afgestaan. Daarbij heeft verweerder de volgende toelichting gegeven: (…) “In artikel 28a van de Paspoortuitvoeringsregeling wordt een aantal uitzonderingen genoemd waarbij van het opnemen van vingerafdrukken kan worden afgezien. Hierbij wordt onder andere genoemd het niet fysiek dan wel tijdelijk niet fysiek kunnen afstaan van vingerafdrukken. In een brief van de minister Donner, de datum 19 mei 2011, aan de Tweede Kamer wordt verder ingegaan op de toekomstige veranderingen. Zo zal de Nederlandse identiteitskaart een andere wettelijke grondslag krijgen en zal niet meer de formele status van een reisdocument krijgen. De Europese verordening is dan niet meer van toepassing en daarmee vervalt de eis dat de chip in de identiteitskaart twee vingerafdrukken bevat. Echter hiervoor zal eerst de Paspoortwet moeten worden gewijzigd. De minister streeft er naar het wetsvoorstel tot wijziging van de paspoortwet medio 2012 aan de raad van State van het Koninkrijk voor te leggen. Indien [verzoeker] alsnog vingerafdrukken wil afstaan voor het versneld aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart dan kan hij gebruik maken van de zgn. spoedprocedure. [Verzoeker] kan dan op de tweede werkdag na de aanvraag zijn Nederlandse identiteitskaart afhalen.” (…). 2.3 Verzoeker is van mening dat aan de aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart nog steeds ten onrechte de voorwaarde wordt verbonden dat vingerafdrukken moeten worden afgegeven omdat minister Donner op 26 april 2011 heeft meegedeeld dat het beter is om voor nu te stoppen met de opslag van vingerafdrukken vanwege de tot dusver beperkte voortgang van de technische ontwikkeling. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde voorwaarde van afname en opslag van vingerafdrukken in strijd is met het recht op privacy, zoals verwoord in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts heeft verzoeker betoogd dat verweerder gebruik had moeten maken van de mogelijkheid om in geval van tijdelijke verhindering tot afgifte van vingerafdrukken een Nederlandse identiteitskaart af te geven, omdat in zijn geval sprake is van gewetensbezwaren. Ter zitting heeft verzoeker nog toegelicht dat hij vreest dat de opgeslagen vingerafdrukken door derden, zoals de officier van justitie, de AIVD en MIVD, kunnen worden geraadpleegd. Op deze manier wordt Nederland een politiestaat, aldus verzoeker. De verplichting tot afgifte van vingerafdrukken is voor hem een principezaak geworden. 2.4 Verzoeker heeft gesteld dringend over een geldige identiteitskaart te moeten beschikken, omdat hij niet over enig geldig identiteitsdocument beschikt en het niet kunnen tonen van een geldig identiteitsbewijs een strafbaar feit is. Verzoeker heeft daarnaast diverse brieven van zijn bank ontvangen waarin hij wordt gesommeerd zich op zeer korte termijn te identificeren. Als hij dit niet doet, dan wordt de dienstverlening stopgezet. Daarbij dient verzoeker zich op zeer korte termijn te identificeren bij de notaris in verband met de afhandeling van de nalatenschap van zijn vader. Gelet hierop heeft verzoeker, omdat hij zoals hij ter zitting desgevraagd heeft medegedeeld ook niet beschikt over een rijbewijs, voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek. 2.5 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om verweerder op te dragen hem een identiteitsbewijs te verstrekken zonder dat verzoeker daarvoor zijn vingerafdrukken hoeft af te geven. Een en ander onder oplegging van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag dat verweerder in gebreke blijft. Desgevraagd heeft verzoekers gemachtigde ter zitting aangegeven het petitum in die zin te wijzigen dat thans wordt verzocht verweerder te gelasten eisers aanvraag om een Nederlandse identiteitskaart alsnog in behandeling te nemen. 2.6 Het wettelijke kader betreft het kader zoals dat op 28 juni 2009 als gevolg van de Rijkswet van 11 juni 2009 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met het herinrichten van de reisdocumentenadministratie (stb. 2009, 252) in werking is getreden. De daarin opgenomen wijzigingen strekken er vooral toe de wet in lijn te brengen met de Europese verordening betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (Verordening EG nr. 2252/2004, als gewijzigd bij Verordening EG nr. 444/2009, hierna: de Verordening). 2.6.1 Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Verordening dienen door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten te voldoen aan de in de bijlage vervatte minimumveiligheids-normen. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Verordening wordt voor deze paspoorten en reisdocumenten een opslagmedium gebruikt dat een gezichtsopname bevat en nemen de lidstaten ook twee platte vingerafdrukken in een interoperabel formaat op. In artikel 1, lid 2bis, van de Verordening worden de personen vermeld die vrijgesteld zijn van de verplichting tot afname van vingerafdrukken en artikel 1, lid 2ter, van de Verordening gaat over de tijdelijke onmogelijkheid om afdrukken van vingers te nemen. Op grond van artikel 1, derde lid, van de Verordening, is deze van toepassing op door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten. Op grond van artikel 4, derde lid, van de Verordening worden biometrische gegevens verzameld en opgeslagen in het opslagmedium voor paspoorten en reisdocumenten, met het oog op de afgifte van zulke documenten. 2.6.2 Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet is de Nederlandse identiteitskaart een reisdocument. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Paspoortwet is een reisdocument voorzien van de gezichtsopname, twee vingerafdrukken en de handtekening van de houder volgens nader door Onze Minister te stellen regels. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen reisdocumenten worden aangewezen die niet worden voorzien van een of meer van deze gegevens en kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen van de gezichtsopname, vingerafdrukken of de handtekening in het aangevraagde reisdocument indien deze gegevens niet van de houder kunnen worden verkregen. Ingevolge artikel 3, achtste lid, van de Paspoortwet houden de tot uitreiking bevoegde autoriteiten een administratie bij met betrekking tot uitgereikte reisdocumenten en daarin bijgeschreven personen. Deze administratie bevat de gegevens bedoeld in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel, alsmede de documentnummers. In deze administratie kunnen voorts ten hoogste de gegevens die bij de aanvraag zijn overgelegd, worden opgenomen. De foto en de handtekening worden bewaard door de autoriteit die het reisdocument heeft verstrekt, in een administratie die zowel op naam als op documentnummer toegankelijk is. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Paspoortwet bewaart de autoriteit die het reisdocument verstrekt, in de administratie, bedoeld in artikel 3, achtste lid, tweede volzin: a. de in artikel 3, derde lid, bedoelde vingerafdrukken; b. twee andere, door Onze Minister aan te wijzen vingerafdrukken van de aanvrager van een reisdocument. Ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Paspoortwet worden de in het eerste lid bedoelde gegevens uitsluitend verstrekt aan autoriteiten, instellingen en personen die belast zijn met de uitvoering van deze wet, voor zover zij de gegevens nodig hebben voor die uitvoering. Ingevolge artikel 65, derde lid, van de Paspoortwet worden de in het eerste lid bedoelde gegevens, alsmede de in artikel 3, achtste lid, bedoelde gegevens, bij de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen D en E, van het bij koninklijke boodschap van 21 januari 2008 ingediende voorstel van rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met het herinrichten van de reisdocumentenadministratie (Kamerstukken II 2007/08, 31 324 (R1844), nr. 2), nadat dit voorstel tot wet is verheven, overgebracht naar de reisdocumentenadministratie, bedoeld in artikel 4a, zoals dit luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van genoemd voorstel van rijkswet. 2.6.3 Bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument worden op grond van artikel 28a, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: de PUN) de afdrukken van vier vingers van de aanvrager opgenomen. In artikel 28a, zesde lid, van de PUN is bepaald dat indien de daartoe aangewezen ambtenaar van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag vier vingerafdrukken worden opgenomen, in ieder geval de afdrukken opgenomen worden van de vingers waarbij dit volgens de daartoe aangewezen ambtenaar wel mogelijk is. Bij gerede twijfel of het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om vier vingerafdrukken op te nemen, kan van de aanvrager worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de PUN wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 38 niet in behandeling genomen. Met ingang van 23 juni 2011 is aan artikel 72 van de PUN een vijfde lid toegevoegd (Staatscourant 2011, nr. 11123):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.