RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600181-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 juni 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1992] te [geboorteplaats], verblijvende te [adres], [woonplaats]. Raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: op 21 februari 2011 in Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld. Feit 2: op 13 november 2010 in Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen aan hem is ten laste gelegd, heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd. Hiertoe hebben de raadsman en de verdachte het volgende aangevoerd: Enkel getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte het slachtoffer meerdere malen sloeg en haar bij haar haren pakte en meesleurde. De overige drie getuigen verklaren daar niets over. Aangeefster heeft naderhand het verhaal van verdachte bevestigd. Er is enkel bewijs voorhanden dat verdachte [slachtoffer] tegen de grond en/of reling heeft geduwd, maar die gedraging is hem niet ten laste gelegd. Er is derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van de verschillende bestanddelen, zoals opgenomen onder feit 1, te kunnen komen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Subsidiair dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hoewel de raadsman ter terechtzitting heeft aangegeven een dergelijk verweer ter terechtzitting niet te willen voeren, heeft verdachte verklaard dat aangeefster [slachtoffer] met een mes dreigde verdachtes huisgenote [verdachtes huisgenote] neer te steken en dat hij om die reden [slachtoffer] probeerde tegen te houden. Wat betreft feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De door en namens verdachte aangevoerde bewijsverweren geven – voor zover zij hierna niet nadrukkelijk aan de orde worden gesteld – geen aanleiding tot een afzonderlijke bespreking daarvan. Zij vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen, zoals deze hierna zijn uitgewerkt. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt de rechtbank met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] als volgt: De raadsman heeft een faxbericht d.d. 1 maart 2011, afkomstig van aangeefster, aan de rechtbank doen toekomen. In dit faxbericht schrijft aangeefster dat verdachte zowel voor wat betreft feit 1 als feit 2 heeft gehandeld uit zelfverdediging. Zij was het telkens die verdachte aanvloog, waarop verdachte dan reageerde. De rechtbank acht deze schriftelijke verklaring van aangeefster, waarin zij terugkomt op haar eerdere verklaringen, niet aannemelijk. Aangeefster heeft in haar aangifte d.d. 21 februari 2011, alsmede in haar telefonisch afgelegde verklaring d.d. 23 februari 2011, telkens verklaard dat het verdachte is geweest die geweld jegens haar gebruikte, althans dit geweld initieerde, en niet andersom. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] (feit 1), [getuige 4], [getuige 2] en [getuige 3] (telkens feit 2), noch uit de andere getuigenverklaringen in het strafdossier kan worden afgeleid dat het aangeefster is geweest die geweld gebruikte tegen verdachte. Integendeel, voor zover de getuigen verklaren over gewelddadige handelingen, waren deze telkens gericht tegen aangeefster. Gelet op bovenstaande heeft de rechtbank bij de beoordeling van de bewijsmiddelen het faxbericht d.d. 1 maart 2011 buiten beschouwing gelaten. 4.3.1 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 1 De verklaring van verdachte Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] op 13 november 2011 bij hem aan de deur kwam. Er ontstond een worsteling. Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij die [slachtoffer] bij haar nek heeft vastgepakt en weggeduwd. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte ter verduidelijking van zijn verklaring naar zijn keel grijpt. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte die [slachtoffer] hij haar keel heeft vastgepakt en haar op die wijze heeft willen wegduwen. De aangifte van [slachtoffer] Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 21 februari 2011 naar de [adres] I te Utrecht is gegaan. Toen zij daar aanbelde, deed verdachte de deur van de woning open. Voordat ze het wist, voelde ze dat verdachte met kracht met een gebalde vuist vol in haar gezicht sloeg, waardoor ze hevige pijn in haar hoofd voelde. Vervolgens kreeg ze een duw, waardoor zij tegen de balustrade terecht kwam. Ze voelde dat verdachte haar bij haar haren beetpakte en haar met kracht naar de grond toe trok. Ondertussen voelde ze ook dat ze met een tot vuist gebalde hand tegen haar gezicht werd geslagen. Verdachte trok haar vervolgens aan haar haren omhoog. De getuigenverklaringen De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 21 februari 2011 in zijn woning op de [adres] te Utrecht was. Hij zag dat er op de galerij bij de flat achter hem een conflict gaande was tussen een man en een vrouw. Hij zag dat de man de vrouw meerdere malen sloeg, terwijl zij op de grond lag. De man sloeg met kracht. Ook zag hij dat de man de vrouw bij haar haren pakte en ongeveer één meter over de galerij trok. De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij zich op 21 februari 2011 in zijn woning aan de [adres] te Utrecht bevond. Hij hoorde geschreeuw van een vrouw en is gaan kijken waar het vandaan kwam. Aan de rechterzijde van zijn voordeur zag hij een vrouw staan. Naast de vrouw stond een jongen. Hij zag dat zij duidelijk ruzie met elkaar hadden. Hij zag dat de jongen met zijn rechterarm het meisje bij haar keel pakte en probeerde mee te sleuren. Het letsel Op 22 februari 2011 is [slachtoffer] door huisarts [huisarts] onderzocht. Van dit onderzoek heeft de huisarts een geneeskundige verklaring opgesteld. Door de huisarts werd het volgende uitwendige letsel waargenomen: een bloeduitstorting op de rechteronderarm en hand, een schaafwond en een blauwe plek aan de linkerknie en een blauwe plek in de linker knieholte. Op 22 februari 2011 zijn eveneens foto’s gemaakt van het letsel van [slachtoffer]. Hierop zijn (schaaf)wondjes in het gezicht - aan de rechterzijde en bij de bovenlip - te zien. Ook is te zien dat de rechter onderkaak gezwollen is. Tevens zijn blauwe plekken op het linker bovenbeen te zien, alsmede een schaafwond op de linkerknie. Blauwe plekken op het rechter bovenbeen en de rechter onderarm en hand. Voorts is een losse pluk haar gefotografeerd. Deze pluk haar werd door aangeefster [slachtoffer] aan verbalisant [verbalisant 1] overhandigd. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan. 4.3.2 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 2 De aangifte van [slachtoffer] Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 13 november 2011 bij haar op haar kamer was, gelegen aan de [adres] te Utrecht. Ze kregen een woordenwisseling, waarop verdachte haar in haar gezicht sloeg. Hierdoor voelde aangeefster pijn. Verdachte sloeg haar nogmaals in het gezicht, ditmaal met een gebalde vuist. Verdachte trok haar naar de grond. Toen aangeefster op de grond lag,zag en voelde zij dat verdachte haar tegen haar ribben schopte. Zij zag dat de beveiliging haar kamer binnen kwam. In het bijzijn van de beveiliging en een medewerker van Altrecht, sloeg verdachte haar nog tweemaal. De getuigenverklaringen De getuige [getuige 2], werkzaam als beveiliger voor Altrecht, locatie [adres] te Utrecht, had op 13 november 2010 dienst. Hij was in gezelschap van [getuige 3]. Hij verklaarde dat hij gestommel en gebonk hoorde in de kamer van aangeefster en daar direct heen is gegaan. Hij draaide de deur van het slot en ging naar binnen. Hij zag aangeefster en haar vriend staan. Plotseling zag hij aangeefsters vriend achter hem langs lopen naar aangeefster toe. Hij zag dat aangeefsters vriend direct bovenop haar ging liggen en haar opzettelijk en met kracht een aantal stompen op haar lichaam gaf. Getuige [getuige 3], werkzaam als medewerker van Altrecht, was op 13 november 2010 aanwezig op de [adres] te Utrecht. Hij verklaarde dat hij samen met [getuige 2] was. Hij hoorde gestommel en gebonk komen uit de kamer van aangeefster. Hij en [getuige 2] zijn direct naar haar kamer toegegaan. Hij zag dat [getuige 2] de deur opende en vervolgens aangeefsters kamer in liep. Hij zag aangeefsters vriend achter langs [getuige 2] lopen, in de richting van aangeefster. Vervolgens zag hij dat de jongen bovenop aangeefster ging liggen en opzettelijk en met kracht op haar in sloeg. Dit deed hij met gebalde vuist. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.