RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummers: 16/600154-11 en 16/710743-10 en 16/600396-10 (TUL) VI zaaknummer: 99/000035-16 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1978] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], gedetineerd te P.I. Utrecht – HvB Nieuwegein. Raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Zwolle-Lelystad. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer alsmede de vordering tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feiten onder parketnummer 16/600154-11 Feit 1: Primair: op 14 februari 2011 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 1]; Subsidiair: op 14 februari 2011 te Amersfoort gepoogd heeft een portemonnee te stelen toebehorende aan [slachtoffer 1]; Feit 2: op 13 februari 2011 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 4]; Feit 3: op 11 februari te Amersfoort [slachtoffer 5] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van 25 euro. Feiten onder parketnummer 16/710743-10 Feit 1: op 7 maart 2010 te Amersfoort een mobiele telefoon heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 3]; Feit 2: op 3 maart 2010 te Amersfoort [slachtoffer 6] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 6] te bewegen tot de afgifte van 20 euro; Feit 3: op 16 september 2010 te Amersfoort [slachtoffer 7] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 7] te bewegen tot de afgifte van 20 euro; Feit 4: op 24 oktober 2010 te Amersfoort [slachtoffer 8] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 8] te bewegen tot de afgifte van 5 euro; Feit 5: op 21 oktober 2010 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 2]. 3 De voorvragen De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit onder parketnummer 16/600154-11 Feit 1: Primair Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten diefstal, verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken, omdat zij dit feit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Subsidiair Het subsidiaire tenlastegelegde feit, te weten poging diefstal, acht de officier wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte, waarin hij aangeeft dat hij in de woning van [slachtoffer 1] is geweest. De verklaring van verdachte en aangever wijken op enkele punten van elkaar af. De lezing van verdachte acht de officier van justitie ongeloofwaardig en baseert zich daarbij mede op de verklaring van getuige [getuige], die de verklaring van aangeefster bevestigt. De officier van justitie wijst op het feit dat verdachte bekend is bij de politie en over hem bekend is dat hij er een gewoonte van maakt om bij mensen aan te bellen, ze te bewegen tot afgifte van geld en telefoons wegneemt. Verdachte stelt doorgaans eerst de vraag of hij gebruik mag maken van de telefoon, waarna hij de vraag stelt of hij geld mag lenen om per trein naar zijn moeder te gaan. In deze gevallen heeft verdachte dan reeds iets weggenomen en pleegt diefstal. Hier is sprake van dezelfde modus operandi. Feit 2: De officier van justitie acht het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten diefstal, wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 4], waarin [slachtoffer 4] verklaart over de werkwijze van verdachte. Deze werkwijze komt overeen met de werkwijze in de zaken die verdachte ter terechtzitting heeft bekend en die ook blijkt uit de andere aangiftes. Deze modus operandi is volgens de officier van justitie specifiek en kenmerkend voor verdachte en kan worden gebruikt bij de bewijsvoering. De officier van justitie geeft verder aan dat het signalement van verdachte, dat [slachtoffer 4] heeft gegeven, overeenkomt met de persoon van de verdachte. Feit 3: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit, te weten oplichting, heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte en het feit dat aangever verdachte heeft herkend bij een fotoconfrontatie. Voorts is van belang de modus operandi van verdachte, met name dat verdachte vertelde dat hij geld wilde lenen voor het aanschaffen van een treinkaartje naar zijn moeder. De officier van justitie wijst erop, dat verdachte aan [slachtoffer 5] een telefoon heeft gegeven als onderpand en dat later is gebleken dat die telefoon gestolen was. Op grond van bovenstaande leidt de officier van justitie af dat er sprake is van oplichting. De officier van justitie stelt dat verdachte nooit de intentie had om de 25 euro terug te brengen. Feiten onder parketnummer 16/710743-10 Feit 1: De officier van justitie acht de onder 1 tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie wijst hier op de modus operandi, waarbij verdachte eerst vraagt of hij gebruik mag maken van de telefoon. Feit 2: De officier van justitie acht de onder 2 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 6] en de modus operandi van verdachte. Verdachte vertelt dat hij sleutels is vergeten en vraagt of hij gebruik mag maken van de telefoon. Daarna vraagt verdachte of hij geld mag lenen om naar zijn zus in Utrecht te gaan. Verdachte beweegt op deze wijze [slachtoffer 6] tot afgifte van 20 euro. Gelet op de gehanteerde werkwijze en de overeenkomsten in het door aangever opgegeven signalement van de dader met verdachte, concludeert de officier van justitie dat deze persoon verdachte is. Feit 3: De officier van justitie acht de onder 3 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Feit 4: De officier van justitie acht de onder 4 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich op de aangifte van [slachtoffer 8], waaruit blijkt dat verdachte steeds gebruik maakt van dezelfde modus operandi, waarbij hij zegt dat hij zijn huissleutel is vergeten en vraagt of hij geld kan lenen. De officier van justitie wijst er tevens op dat verdachte past in het signalement dat aangever van de dader heeft gegeven. Feit 5: De officier van justitie acht de onder 5 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich op de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte, waarin verdachte aangeeft dat hij op in de woning van [slachtoffer 2] is geweest. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij alleen heeft gebeld, omdat hij zijn dealer wilde spreken. Deze verklaring acht de officier van justitie niet geloofwaardig. De officier van justitie voert daartoe aan dat er een portemonnee is weggeraakt en acht gezien de modus operandi van verdachte, dat hiermee de diefstal daarvan door verdachte bewezen kan worden verklaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit onder parketnummer 16/600154-11 Feit 1: Primair De verdediging verzoekt de rechtbank – overeenkomstig de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie – verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de raadsman onvoldoende de overtuiging worden bekomen dat verdachte wegnemingshandelingen met betrekking tot de portemonnee heeft verricht. Subsidiair De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde poging diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Primair stelt de raadsman dat het scenario van de aangifte niet kan kloppen, omdat aangeefster verdachte steeds voor verdachte stond vanaf het moment dat hij zijn hand onder zijn andere arm verborgen zou hebben gehouden. Aangeefster had in dat geval moeten zien dat verdachte de portemonnee op tafel had gelegd. De raadsman geeft aan dat indien het scenario van de aangifte wordt gevolgd, niet kan worden gesproken van feitelijke heerschappij over het goed door verdachte, daar verdachte de portemonnee onmiddellijk op tafel zou hebben gelegd. Volgens de raadsman is er geen sprake van een voltooide wegnemingshandeling. De raadsman verwijst naar een - volgens hem – vergelijkbare casus waarover is geoordeeld in het vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 30 augustus 2007 (LJN BB3297). Uit dit arrest leidt de raadsman af dat, nu verdachte niet de feitelijke heerschappij over de portemonnee heeft gehad, er geen sprake is van poging diefstal. Feit 2: De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman geeft aan dat er slechts een aangifte is, waarin geen dader wordt aangewezen en waarin geen sprake is van een modus operandi. De raadsman stelt dat er weliswaar sprake lijkt te zijn van een babbeltruc, echter dat deze van een geheel andere orde is dan de wijze waarop de truc is gepresenteerd in de zaken waarin verdachte heeft bekend. De raadsman wijst erop dat het signalement dat aangeefster heeft opgegeven niet overeenkomt met verdachte. Feit 3: De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Primair stelt de raadsman zich op het standpunt dat er geen sprake is van causaal verband tussen eventueel aangetoond samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van enig goed. De raadsman geeft aan dat uit de aangifte blijkt dat aangever de persoon geld heeft gegeven, omdat hij wilde dat hij weg ging. Subsidiair meent de raadsman dat de fotoconfrontatie uitgesloten dient te worden van het bewijs, wegens strijd met artikel 9 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. De raadsman wijst op het proces-verbaal waarin staat dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij de fotoconfrontatie aanwezig te zijn. Raadsman stelt dat dit onjuist is en dat hij zelfs nog gebeld heeft en heeft gevraagd wanneer de confrontatie plaats zou vinden. Hij zou hierover nader geïnformeerd worden en dit is volgens de raadsman niet gebeurd. De raadsman stelt dat de resterende aangifte die dan overblijft als bewijsmiddel onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Feiten onder parketnummer 16/710743-10 Feit 1: Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en verdachte heeft bekend. Feit 2: De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde oplichting nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman stelt dat er alleen een aangifte is als bruikbaar bewijsmiddel. Raadsman wijst erop dat geen fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden en dat hierdoor niet uitgesloten is, dat verdachte niet de persoon is die dit feit heeft gepleegd. Feit 3: Ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. Feit 4: De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde oplichting nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman stelt dat er alleen een aangifte aanwezig is als bruikbaar bewijsmiddel en dat daarmee onvoldoende bewijs voor handen is om tot een bewezenverklaring te komen. Feit 5: De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte ontkent de diefstal en de aangifte zegt enkel dat aangever, de dag nadat verdachte in de woning was, ontdekte dat zijn portemonnee weg was. Dit is volgens de raadsman onvoldoende om te concluderen dat verdachte de portemonnee heeft gestolen. 4.3 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht. 4.4 Te bespreken standpunten door de rechtbank De rechtbank stelt dat het verweer van de raadsman ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11 niet slaagt. Anders dan de raadsman stelt, is het voor poging diefstal niet noodzakelijk dat verdachte de feitelijke heerschappij over het goed heeft gehad. Poging diefstal vereist niet dat de dader aan wegnemen is toegekomen. Dat verdachte naar aanleiding van een confrontatie met het feit door aangeefster, de portemonnee onmiddellijk op tafel zou hebben gelegd doet niet af aan het feit dat verdachte heeft gepoogd het goed weg te nemen. Dit wordt overigens ook bevestigd in het door raadsman aangehaalde vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 30 augustus 2007 (LJN BB 3297), waaruit blijkt dat indien er geen sprake is van een voltooide wegneminghandeling er wel sprake kan zijn van een poging diefstal. Ten aanzien van het primair gevoerde verweer van de verdediging, betreffende het onder 3 tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11, oordeelt de rechtbank dat dit verweer niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe aan dat er in dit geval wel degelijk sprake is van causaal verband tussen het samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van het geld. Dat het verhaal van verdachte achteraf en mogelijk op het moment zelf al ongeloofwaardig leek voor aangever, neemt het causale verband tussen het samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van enig goed niet weg. In redelijkheid kan worden gesteld dat aangever door het samenweefsel van verdichtsels van verdachte werd bewogen tot afgifte van het geld en dit geld anders niet had afgegeven. Het subsidiair gevoerde verweer van de verdediging onder 3 tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11 ziet op een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er vanuitgaande dat de raadsman ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld de fotoconfrontatie bij te wonen, moet dit worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat de fotoconfrontatie zelf conform de daarvoor geldende regels is verlopen. Gelet hierop en nu ook overigens kan niet worden vastgesteld dat verdachte in enig rechtens te respecteren belang is geschaad (de raadsman heeft dat overigens ook niet gesteld), zal de rechtbank volstaan met de constatering van het vormverzuim zonder daaraan gevolgen te verbinden. De fotoconfrontatie zal daarom als bewijsmiddel worden gebruikt. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Ten aanzien van parketnummer 16/600154-11 Feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.