RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummers: 16/712394-10 en 16/511964-09 (tul) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1993] te [geboorteplaats] wonende aan het [adres], [woonplaats] raadsman mr. M. ’t Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen aan een gewelddadige straatroof en/of aan openlijke geweldpleging heeft schuldig gemaakt. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een portemonnee en € 20,00 toebehorende aan [benadeelde] heeft weggenomen alsmede dat hij samen met anderen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde diefstal met geweld. Ten aanzien van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Partiële vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever [benadeelde] met betrekking tot de vermeende diefstal van een portemonnee en € 20,00 niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel nu ook de getuige [getuige 1] slechts verklaart wat [benadeelde] tegen hem gezegd heeft. De rechtbank overweegt in het bijzonder dat [benadeelde] op dit onderdeel wisselend heeft verklaard nu hij kort na het voorval tegen getuige [getuige 1] heeft gezegd dat hij van de jongens € 50,00 uit zijn portemonnee moest halen en dat hij ook zijn strippenkaart moest afgeven. Later verklaarde hij evenwel, dat hem gebleken was, dat € 20,00 uit zijn portemonnee gehaald is. De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van de cumulatief-alternatief ten laste gelegde diefstal met geweld. 4.3.2 Bewijsoverwegingen Aangever [benadeelde] ([A]’) heeft op 22 november 2010 het volgende verklaard. Op 22 november 2010 omstreeks 15.00 uur stapte ik uit bij de tramhalte Fokkesteeg in Nieuwegein. Minimaal drie andere jongens stapten bij diezelfde tramhalte uit. Ik liep het perron af en liep de tunnel in. Aan het begin van de tunnel stonden de jongens. Ik voelde dat één van de jongens mij tackelde waardoor ik ten val kwam. Ik stond op en vroeg aan de jongens: “Waar slaat dit op en waar heb ik dit aan verdiend?” De jongens zeiden: “Wat doe je nou stoer? Niet met ons fokken.” Één van de jongens ging achter mij staan. Op het moment dat ik mij omdraaide in de richting van de jongen, werd er van achteren meerdere malen tegen mijn benen geschopt. Ook werd ik van achteren met kracht op mijn hoofd geslagen. Dit gebeurde vermoedelijk met een vuist. De jongens zeiden telkens tegen mij: “Je moet niet met ons dollen.” Ik werd vervolgens meerdere malen geschopt en geslagen. De jongens sloegen meerdere malen met kracht in mijn gezicht. Op 24 november 2010 zijn aan aangever [benadeelde] beelden van een bewakingscamera op het perron van de tramhalte Fokkesteeg te Nieuwegein getoond. Naar aanleiding daarvan heeft hij –zakelijk weergegeven– het volgende verklaard. De drie jongens op de videobeelden die eveneens uit deze tram stapten en die voor mij liepen zijn voor honderd procent dezelfde drie jongens als waarover ik in mijn aangifte sprak en die mij kort hierna in de tunnel hebben geschopt en geslagen. De jongen met de pet en de andere jongen met de tas hebben mij samen met de jongen met de zwarte jas geschopt en geslagen. Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard. Op 22 november 2010 omstreeks 15.00 uur stapte ik uit de tram. Ik zag aan het eind van de tunnel een groep jongens vechten. Ik zag dat meerdere jongens iemand sloegen en schopten. Het bleek dat het een groep van vier personen was (de rechtbank begrijpt: verdachte, zijn twee mededaders alsmede aangever [benadeelde]). Ze hebben allemaal geschopt en geslagen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen aandeel heeft gehad in de ten laste gelegde openlijke geweldpleging en dat hij er slechts verstijfd bij stond niet geloofwaardig nu zowel [benadeelde] als [getuige 2] hebben verklaard dat alle drie de jongens, dus ook verdachte, [benadeelde] geschopt en geslagen hebben. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de cumulatief-alternatief ten laste gelegde openlijke geweldpleging schuldig heeft gemaakt. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 november 2010 te Nieuwegein met anderen, aan de openbare weg, de Parktunnel, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen, - tackelen van die [benadeelde] en - met kracht schoppen/trappen tegen de benen van die [benadeelde] en - met kracht stompen/slaan op het (achter)hoofd en/of gezicht van die [benadeelde]. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 5.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijk jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 59 dagen. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen de Gedrags Beïnvloedende Maatregel voor de duur van één jaar, met daarin vervat ITB-plus voor de duur van zes maanden, het meewerken aan MDFT en het meewerken aan een behandeling bij Barentsz, subsidiair één jaar jeugddetentie. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, te weten de maatregel hulp en steun, ITB-plus, het meewerken aan MDFT en het meewerken aan een behandeling bij Barentsz of een soortgelijke instelling. De enkele motivatie van een grote stok achter de deur is onvoldoende reden om de Gedrags Beïnvloedende Maatregel -waarvan de inhoud identiek is aan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden- op te leggen, aldus de raadsman. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voor wat betreft de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan overweegt de rechtbank als volgt. Het openlijk geweld waaraan verdachte heeft deelgenomen heeft zich gericht tegen een willekeurig slachtoffer. Het slachtoffer is op klaarlichte dag bij een tramstation zonder enige aanleiding door de deelnemers aan dat geweld ernstig mishandeld, waardoor deze fors lichamelijk letsel heeft opgelopen. Openlijke geweldpleging roept bij passanten, en ook overigens in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, nog lang de lichamelijke en psychische gevolgen daarvan moeten dragen. Verdachte en zijn mededaders hebben hieraan bijgedragen. De rechtbank heeft bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd tevens rekening gehouden met de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het plan van aanpak MDFT van stichting Timon van 28 juli 2011, het plan van aanpak GBM van Bureau Jeugdzorg van 2 augustus 2011 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.