RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600490-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 september 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1986] te [woonplaats], volgens de gemeentelijke basis administratie ingeschreven op [adres], [woonplaats], feitelijk verblijvende aan de [adres], [woonplaats], thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht. Raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen hennep heeft geteeld. Feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd: Er is onrechtmatig binnengetreden in de woningen aan de [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats], daar het binnentreden enkel was gebaseerd op onbevestigde en onbetrouwbare anonieme informatie. De resultaten van het onrechtmatige binnentreden dienen te worden uitgesloten van het bewijs, met als gevolg dat er onvoldoende wettig bewijs overblijft om tot een bewezenverklaring van hetgeen onder feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd, te kunnen komen. Verdachte dient van feit 1 te worden vrijgesproken. Ook dient verdachte vrij te worden gesproken van hetgeen onder feit 1 aan hem is ten laste gelegd. Verdachte heeft samen met zijn broer, tevens medeverdachte [medeverdachte], 150 hennepplanten verzorgd. Dit levert geen deelname aan een criminele organisatie op. Van een criminele organisatie is sprake als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband is, waarin gemeenschappelijke regels en doelstellingen bestaan, waarin de daarin participerende personen gebonden zijn. Hiervan is in casu geen sprake. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Het binnentreden De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat niet onrechtmatig is binnen getreden in de woningen aan de [adres] en de [adres] te [woonplaats]. Ten aanzien van het binnentreden van de woning aan de [adres] te [woonplaats], heeft de rechtbank acht geslagen op het proces-verbaal van binnentreden woning, opgenomen op pagina 89 van het aanvullend proces-verbaal, waaruit blijkt dat deze woning met toestemming van verdachte is betreden. Derhalve kan van een onrechtmatige binnentreding geen sprake zijn. Ten aanzien van het binnentreden van de woning aan de [adres] te [woonplaats], blijkt uit het dossier dat op 14 mei 2011 omstreeks 14:50 uur, door een onbekend gebleven man, op het politiebureau te Zeist, werd aangegeven dat op het adres [adres] te [woonplaats] mogelijk hennepteelt aanwezig was. Op dit adres zou de ex-vrouw van medeverdachte [naam] wonen. Eerder diezelfde dag, omstreeks 13:10 uur werd in de woning van deze medeverdachte [naam] een hennepkwekerij aangetroffen. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er een voldoende verdenking, overeenkomstig artikel 96, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 9 van de Opiumwet, aanwezig was om de woning aan de [adres] te [woonplaats] te betreden. De bewijsmiddelen De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Op 14 mei 2011 werd in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er werden 150 planten van het geslacht Cannabis in beslag genomen. Verdachte staat officieel op dit adres ingeschreven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij betrokken is geweest bij deze hennepkwekerij op de [adres] te [woonplaats]. De kwekerij was van verdachte en zijn broertje, tevens medeverdachte, genaamd [medeverdachte]. Hij was in contact gekomen met mensen van een growshop die voorstelden om een hennepkwekerij voor hem in te richten. Hiermee heeft verdachte ingestemd. De growshop had de kwekerij ingericht. Vervolgens zijn de kosten van de inrichting van de winst afgetrokken. Verdachte knipte de planten af bij de steel en gaf deze dan aan de mensen van de growshop. Zij verwerkten de hennep verder. Wanneer de mensen van de growshop de planten om kwamen halen, gaven zij verdachte geld. In totaal heeft hij hiermee naar eigen zeggen ongeveer € 15.000,00 verdiend. Om de drie maanden kwamen de mensen van de growshop met een busje en namen dan de hele planten mee. Later kwamen zij dan weer nieuwe plantjes brengen. De mensen van de growshop hadden uitleg gegeven met een schema hoe de planten het beste onderhouden konden worden. Op 14 mei 2011 heeft verdachte voorts verklaard dat hij ongeveer één jaar geleden met deze kwekerij is begonnen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bekend betrokken te zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats]. Hij verzorgde samen met verdachte de planten. In totaal hebben ze vier keer geoogst. Bij elke oogst hadden ze 150 planten. De kwekerij was aangelegd en ingericht door mensen van de growshop. Door verbalisant [verbalisant] werd geconstateerd dat alle gebruikte materialen voor de hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] hetzelfde waren als bij de hennepkwekerij aan het [adres] te [woonplaats]. Eerder die dag op 14 mei 2011 werd in de woning van medeverdachte [naam], op het [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen. Door verbalisant [verbalisant] werd waargenomen dat de woning voor een groot deel was ingericht als professionele hennepkwekerij. De henneplampen waren van een professioneel en duurder type. De transformatoren waren direct aan het armatuur gemonteerd en de armaturen waren van een hoogwaardiger materiaal vervaardigd dan normaliter door verbalisant [verbalisant] wordt aangetroffen in hennepkwekerijen. De afzuigunits waren voorzien van een aluminium bekisting. Verbalisant [verbalisant] had alleen nog maar houten zelfgemaakt bekistingen gezien in dergelijke hennepkwekerijen. Voorts betroffen de ventilatoren professionele aan de wand gemonteerde exemplaren. Ook waren de kweekruimtes voorzien van één of meerdere ‘hotpots’, hetgeen de lucht in de ruimte verwarmd tot de meest ideale temperatuur voor optimale groei. Naast een drietal kweekruimtes, was ook een ruimte ingericht voor het verwerken van de geoogste hennep. In deze ruimte waren droognetten en een zeer professionele hennepvergruizer van industriële kwaliteit aanwezig. Verdachte was ervan op de hoogte dat op dit adres ook een hennepkwekerij aanwezig was en heeft hieromtrent verklaard dat deze door dezelfde mensen is ingericht als de kwekerij op de [adres] te [woonplaats]. In de woning aan het [adres] te [woonplaats] werden medeverdachte [medeverdachte] en [naam] aangetroffen. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1 en feit 2 aan hem is ten laste gelegd heeft gepleegd. Aanvullende bewijsoverwegingen Criminele organisatie De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk het plegen van misdrijven had. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn mededaders en de onbekend gebleven personen van de growshop bedrijfsmatig gezamenlijk hennep hebben geteeld en verwerkt. In de woning van verdachte is een professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen. Deze hennepkwekerij was door een growshop aangelegd. De growshop betaalde hem maandelijks een geldbedrag voor het telen van de wiet. Als de hennep gereed was om verkocht te worden, kwamen de mensen van de growshop langs om de hennep op te halen. Ook brachten zij nieuwe plantjes, zodat het productieproces door kon gaan. Verdachte verzorgde samen met zijn broer [medeverdachte] de planten. Zij hadden de plantage ongeveer een jaar. Ook in de woning van medeverdachte [naam], vader van verdachte, is een hennepkwekerij aangetroffen. Deze kwekerij bleek op eenzelfde wijze te zijn ingericht als de kwekerij van verdachte. Door verdachte is in dit verband verklaard dat beide kwekerijen door dezelfde mensen zijn aangelegd. Het was deze onbekend gebleven growshop die voor de inrichting zorgde en voor de plantjes. Ook betaalde de growshop verdachte uit. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen en dat verdachte hiervan, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 14 mei 2011, deel heeft uitgemaakt. Verdachte heeft zich immers in deze periode beziggehouden met de teelt, in de vorm van verzorging, van de hennep en hiertoe (delen van) de woning waar hij ingeschreven stond, beschikbaar gesteld. Hierdoor leverde verdachte, als lid van de organisatie, een actief aandeel aan de gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet, bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.