RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600489-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 september 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1988] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats], thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein, Raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen hennep heeft geteeld. Feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een integrale bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 1 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een veroordeling van het onderdeel ‘beroeps- of bedrijfsmatige teelt’ te kunnen komen. Uit het dossier blijkt niet, althans onvoldoende, dat de verkoop van hennep door verdachte en zijn medeverdachten heeft plaatsgevonden op zulk een geregelde en stelselmatige wijze en volgens een vooropgezet plan dat sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ook is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling van hetgeen onder feit 2 aan verdachte is ten laste gelegd te kunnen komen. Verdachte is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de hennepkwekerij van medeverdachte [medeverdachte 1]. De verklaring die [medeverdachte 1] op 23 mei 2011 in dit verband heeft afgelegd, dient voor het bewijs uitgesloten te worden, omdat medeverdachte [medeverdachte 1] tijdens dit verhoor in de veronderstelling verkeerde met de Reclassering in gesprek te zijn en niet met de politie. Deze gang van zaken is in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Verdachte heeft alleen een paar keer hennepplanten in de woning aan de [adres] geknipt en water gegeven. Hij was niet op de hoogte van het bestaan van een criminele organisatie en heeft ook geen contacten gehad met de mensen die de hennepplantage hebben ingericht. Verdachte dient daarom van feit 2 te worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] Door de raadsvrouw is bepleit dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 23 mei 2011 niet tot het bewijs mag worden gebruikt, nu deze verklaring op onrechtmatige wijze is verkregen. De rechtbank is van oordeel dat als de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] op onrechtmatige wijze is verkregen en hierdoor is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, alleen tekort is gedaan aan het recht van medeverdachte [medeverdachte 1] op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Om die reden is de rechtbank dan ook van oordeel dat de gewraakte verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] niet van het bewijs dient te worden uitgesloten. De bewijsmiddelen De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Op 14 mei 2011 werd in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er werden 150 planten van het geslacht Cannabis in beslag genomen. Verdachte staat officieel op dit adres ingeschreven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij betrokken is geweest bij deze hennepkwekerij op de [adres] te [woonplaats]. Deze kwekerij was daar, via zijn broer (tevens medeverdachte [medeverdachte 2]) die iemand kende bij de growshop, door derden geplaatst. De kwekerij was van de mensen van deze growshop. Zij hebben de hennepkwekerij ingericht. Verdachte had de kwekerij samen met zijn broer [medeverdachte 2]. In totaal hebben zij vier oogsten gehad, waarvan er één mislukt is. Zij ontvingen maandelijks een geldbedrag van de mensen die de plantage hadden ingericht. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij 3 à 4 keer de planten heeft verzorgd. Medeverdachte [medeverdachte 2] staat eveneens officieel ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 14 mei 2011 heeft hij verklaard dat hij ongeveer één jaar geleden met deze kwekerij is begonnen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de hennepkwekerij door mensen van een growshop heeft laten inrichten. Zij leverden de plantjes en de groeimiddelen. Om de drie maanden kwamen de mensen van de growshop met een busje en namen dan de hele planten mee. Later kwamen zij dan weer nieuwe plantjes brengen. De mensen van de growshop hadden uitleg gegeven met een schema hoe de planten het beste onderhouden konden worden. Door verbalisant [verbalisant] werd geconstateerd dat alle gebruikte materialen voor de hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] hetzelfde waren als die bij de hennepkwekerij aan het [adres] te [woonplaats]. Eerder die dag op 14 mei 2011 werd in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], op het [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen. Door verbalisant [verbalisant] werd waargenomen dat die woning voor een groot deel was ingericht als professionele hennepkwekerij. De henneplampen waren van een professioneel en duurder type. De transformatoren waren direct aan het armatuur gemonteerd en de armaturen waren van een hoogwaardiger materiaal vervaardigd dan normaliter door verbalisant [verbalisant] wordt aangetroffen in hennepkwekerijen. De afzuigunits waren voorzien van een aluminium bekisting. Verbalisant [verbalisant] had alleen nog maar houten zelfgemaakt bekistingen gezien in dergelijke hennepkwekerijen. Voorts betroffen de ventilatoren professionele aan de wand gemonteerde exemplaren. Ook waren de kweekruimtes voorzien van één of meerdere ‘hotpots’, hetgeen de lucht in de ruimte verwarmd tot de meest ideale temperatuur voor optimale groei. Naast een drietal kweekruimtes, was ook een ruimte ingericht voor het verwerken van de geoogste hennep. In deze ruimte waren droognetten en een zeer professionele hennepvergruizer van industriële kwaliteit aanwezig. Verdachte was op de hoogte van deze kwekerij. Ook was verdachte in de woning aan het [adres] te [woonplaats] aanwezig op het moment dat de politie deze woning wilde binnentreden. Op dat moment werd door verbalisant [verbalisant] waargenomen dat verdachte bruingelige vingertoppen had. In de woning was voorts medeverdachte [medeverdachte 1] aanwezig. Verbalisanten hoorden medeverdachte [medeverdachte 1] zeggen ‘ja, we hebben een hennepkwekerij’ en ‘hij heeft het net geknipt’. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] was ervan op de hoogte dat op dit adres ook een hennepkwekerij aanwezig was en heeft verklaard dat de kwekerij op het [adres] door dezelfde mensen is ingericht als de kwekerij op de [adres] te [woonplaats]. Gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1 en feit 2 aan hem is ten laste gelegd heeft gepleegd. Aanvullende bewijsoverwegingen Criminele organisatie De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk het plegen van misdrijven had. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, zijn mededaders en de personen van de growshop bedrijfsmatig gezamenlijk hennep hebben geteeld en verwerkt. In de woning van verdachte is een professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen. Deze hennepkwekerij was door een growshop aangelegd. De growshop betaalde maandelijks een geldbedrag voor het telen van de wiet. Als de hennep gereed was om verkocht te worden, kwamen de mensen van de growshop langs om de hennep op te halen. Ook brachten zij nieuwe plantjes, zodat het productieproces door kon gaan. Verdachte verzorgde samen met zijn broer [medeverdachte 2] de planten. Zij hadden de plantage ongeveer een jaar. Ook in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], vader van verdachte, is een hennepkwekerij aangetroffen. Deze kwekerij bleek op eenzelfde wijze te zijn ingericht als de kwekerij van verdachte. Door medeverdachte [medeverdachte 2] is in dit verband verklaard dat beide kwekerijen door dezelfde mensen zijn aangelegd. Het was deze onbekend gebleven growshop die voor de inrichting zorgde en voor de plantjes. Ook betaalde de growshop verdachte uit. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen en dat verdachte hiervan, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 14 mei 2011, deel heeft uitgemaakt. Verdachte heeft zich immers in deze periode beziggehouden met de teelt, in de vorm van verzorging, van de hennep en hiertoe (delen van) de woning waar hij ingeschreven stond, beschikbaar gesteld. Hierdoor leverde verdachte, als lid van de organisatie, een actief aandeel aan de gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet, bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.