RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600912-10 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 september 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen), wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft laatstelijk plaatsgevonden op 5 september 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht. 2 De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen een gewapende overval heeft gepleegd op een supermarkt te Zeist. Voorts wordt verdachte verdacht van een woninginbraak, een bedrijfsinbraak en een inbraak in een auto. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en heeft vrijspraak bepleit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0920 2010208618-1, tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Het bewijs ten aanzien van feit 1: Situatie overval Op 28 augustus 2010 heeft aangever [aangever 1] aangifte gedaan van een overval in de Super de Boer te Zeist, gepleegd op 27 augustus 2010. Hij heeft verklaard dat hij op zaterdag 28 augustus 2010 de kas heeft opgemaakt en hieruit bleek dat er in de kas een bedrag van € 16.270,00 had moeten zitten. Dit was ook het bedrag dat hij in de winkel en buiten de winkel had opgeraapt. De afdelingschef van de Super de Boer te Zeist, [slachtoffer 1], heeft bij de politie verklaard dat hij op 27 augustus 2010 om 11.00 uur was begonnen met werken. Tegen sluitingstijd, 21.00 uur, waren er nog tien man personeel in de winkel aanwezig. Nadat de winkel was gesloten heeft hij samen met een caissière de dagopbrengst in de kluis gelegd. De kluis staat in het kantoor van de zaak. Op het moment dat [slachtoffer 1] vanuit het kantoor naar de balie liep, hoorde hij geschreeuw. Hij zag iemand met een zwarte jas en iets donkers voor zijn gezicht op het personeel bij de balie aflopen. Hij hoorde geknetter, het geluid herkende hij van een soort stroomwapen. Hij is het kantoor waar hij uit kwam weer binnen gegaan en heeft toen gebeld naar 112 en gemeld dat ze overvallen werden. Op het moment dat hij de centralist aan de lijn had, hoorde hij dat de deur werd ingetrapt. [slachtoffer 1] is toen onder de tafel in het kantoor gekropen in de hoop dat ze hem niet zouden vinden. De dader kwam het kantoor binnen en deed het licht aan. De dader pakte de telefoon uit de handen van [slachtoffer 1] en gaf vervolgens [slachtoffer 1] een harde schop in zijn gezicht. Hij voelde direct een hevige pijn en ging direct bloeden uit zijn neus en mond. Op het moment dat de dader [slachtoffer 1] schopte hoorde hij dat er werd geschreeuwd “geld, geld”. [slachtoffer 1] is onder het bureau vandaan gekropen en is samen met de dader naar de kluis gelopen. Tijdens het lopen kreeg hij een harde klap op zijn achterhoofd met een soort zaklamp. [slachtoffer 1] heeft de kluis opengemaakt en moest toen van de dader in het naastgelegen kantoor op de grond gaan liggen. Als signalement van de dader die hem geslagen en schopt heeft, gaf [slachtoffer 1] het volgende op : - een negroïde jongen; - met een soort rasta haar; - ongeveer 1.80 a 1.85 meter; - sprake goed Nederlands; - donkerkleurige bivakmuts; - donkere kleding; - normaal postuur. [slachtoffer 2], werkzaam als afdelingsmanager bij Super de Boer, heeft bij de politie verklaard dat hij op 27 augustus 2010 omstreeks 21.00 uur de ingang van de winkel is gaan afsluiten. Vervolgens is hij naar het magazijn gelopen om zijn vest op te halen. Daar zag hij twee gemaskerde mannen. [slachtoffer 2] dacht dat het een grap was en heeft de man met het wapen weggeduwd. Daarna kwam de man met de taser op hem afgelopen. Even later voelde hij dat de man met de taser dat wapen tegen zijn lichaam drukte. Hij voelde dat de taser in zijn nek-links drukte. Hij voelde wel iets en schrok daarvan. Beide overvallers riepen steeds “Waar is het geld? Waar is het geld?” De overvaller met de taser liep naar het kantoortje en trapte daar tegen de deur aan. De overvaller met het pistool vroeg weer aan hem waar het geld was. [slachtoffer 2] antwoordde dat hij dat niet wist. Op dat moment werd hij met het pistool tegen zijn hoofd geslagen en werd hij geraakt op zijn hoofd achter zijn linkeroor. Hierdoor voelde hij pijn. In de Marokkaanse taal heeft [slachtoffer 2] toen gevraagd aan de overvaller om op te houden. Hij merkte aan de blik in de ogen van de overvaller dat hij rustiger werd, mogelijk vanwege het feit dat hij Marokkaans sprak. De overvaller met de taser kwam uit het kantoortje gerend en had twee of drie kassaladers onder zijn rechterarm. Beide overvallers zijn via de klapdeuren van het magazijn de winkel uitgelopen. Bij de achterdeur zag hij dat er één overvaller door een politieagent werd vastgehouden. Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij op de dag van de overval werkzaam was als vakkenvuller bij Super de Boer in Zeist en dat hij heeft gezien dat één van de overvallers een stroomstootwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] hield en dat er blauwe vonken van dit wapen afkwamen. De andere overvaller hield een pistool vast. Hij zag dat de overvaller met het pistool, het kantoor binnenging. Het personeel werd bewaakt door de Marokkaanse overvaller. Hij hoorde dat die overvaller zei: “Als iemand de politie belt, dan krijgt iemand een kogel door zijn kop”. De overige personeelsleden hebben bij de politie verklaard dat zij twee daders hebben gezien ten tijde van de overval, waarvan één een pistool had en de ander een taser. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard op 28 augustus 2010 : “Ik ga niet vertellen met wie ik was. Ik wil niets over die gast zeggen, ik ga geen namen noemen. Ik wil jullie wel de waarheid vertellen. Ik ben naar binnen gelopen en ik heb iemand gepakt. Ik had een pistool bij mij. Ik had een 9 mm vuurwapen bij mij. Ik heb diegene rustig behandeld. Toen ik de deur open deed wist ik: “het is foute boel”. Ik kreeg toen gelijk spijt. Ik kwam een man met bloed bij zijn oren tegen. Dit bloed bij zijn oor kwam door stroomstootwapens. Ik bleef gewoon staan. Ik bleef bij de mensen, ik heb hen gerust gesteld. Ik had een bivakmuts op mijn hoofd. Ik ben naar binnen gegaan, omdat ik eerst iets doe en daarna pas na ga denken. Ik ben degene die het wapen heeft vastgehouden.” Bevindingen door politie Op het moment dat de politie arriveerde bij Super de Boer in Zeist, waren de overvallers nog in de winkel aanwezig. Verbalisant [verbalisant 1] nam plaats bij de achterdeur, de leveranciersingang. Op enig moment kwam er een persoon met een donkere muts over zijn hoofd naar buiten. De man had iets in zijn handen, maar [verbalisant 1] kon niet zien wat dat was. Hij riep tegen de man: “Politie. Staan blijven!” en richtte hierbij zijn wapen op de man. De man hield even in, maar rende vervolgens in de richting van het Vrijheidsplein. Op dat moment heeft [verbalisant 1] een gericht schot op de benen van de man gelost. Op dat moment zag hij dat zijn collega [verbalisant 2] ook een schot loste en achter de man aanrende. Op dat zelfde moment ging de leveranciersdeur weer open en kwam er een tweede man uit het pand. Deze man was donker gekleed en had een donkere bivakmuts over zijn hoofd. [verbalisant 1] hoorde dat er in de verte werd geschoten. Hij riep tegen man 2: “Politie, handen omhoog, staan blijven”. Hij zag dat de man op de grond op zijn buik ging liggen. De man trok de bivakmuts van zijn hoofd. [verbalisant 1] zag dat de man een licht getinte huidskleur had en vermoedelijk van Noord Afrikaanse afkomst was. In de nabijheid van man 2 zag [verbalisant 1] circa 20 biljetten van € 10,- liggen. Deze lagen vóór man 2 op de grond. Bij deze biljetten zag hij een donker voorwerp, gelijkend op een tas. [verbalisant 1] wist zeker dat man 2 niet de tas en de geldbiljetten heeft laten vallen. Dit moet, volgens [verbalisant 1], man 1 zijn geweest. Verbalisant [verbalisant 2] had aan de achterzijde van de Super de Boer positie ingenomen. Hij zag dat de roldeur aan de achterzijde van binnen uit werd geopend. Hij zag een overvaller naar buiten komen. Deze had in zijn linkerhand een tas. Verder had deze overvaller een bivakmuts op. Deze overvaller hield in zijn rechterhand een donkerkleurig voorwerp vast. De man droeg donkere bovenkleding en een lichtkleurige broek. [verbalisant 2] richtte zijn wapen op de man en riep: “Politie, je bent aangehouden”. Hij zag dat de man een moment inhield en vervolgens een voorwaartse beweging maakte in de richting van de parkeerplaats naar Super de Boer. Hij zag dat de man bleef doorlopen en hij heeft een schot gevuurd, gericht op de benen van de man. [verbalisant 2] is achter de man aangerend en heeft nog enkele schoten afgevuurd, gericht op de benen van de man. Hij zag dat de man richting de flats van de Verzetslaan rende en is hier achteraan gerend. Op het moment dat hij aan de achterzijde van de flats kwam, was hij de man kwijt. Ook verbalisant [verbalisant 3] is achter de man aangerend en heeft hierbij schoten gelost, gericht op de man. Hij is de man tussen de flatwoningen kwijtgeraakt. Onderzoek telefoongegevens Uit onderzoek van de printgegevens is gebleken dat het telefoonnummer, in gebruik bij [medeverdachte], zijnde [telefoonnummer], in de periode gelegen tussen 17 augustus 2010 en 27 augustus 2010 in totaal 70 keer contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] , waarvan 7 keer op 27 augustus 2010, zijnde de dag van de overval. Na onderzoek van de telefoon van verdachte [verdachte] bleken deze gesprekken niet meer terug te vinden. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat alleen hijzelf en soms zijn vriendin zijn mobiel gebruiken, en verder niemand . Nadat verdachte [verdachte] is geconfronteerd met het aantal contacten en met het feit dat deze gesprekken niet meer in zijn telefoon zijn terug te vinden, kan hij hiervoor geen verklaring geven. Ook medeverdachte [medeverdachte] geeft geen verklaring voor de contacten tussen hem en [verdachte]. Ze ontkennen elkaar te kennen. De rechtbank vindt de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat zij elkaar niet zouden kennen ongeloofwaardig. Niet alleen vanwege bovenstaande feiten en omstandigheden, maar ook op basis van de inhoud van een telefoongesprek tussen medeverdachte [medeverdachte] en de vriendin van verdachte [verdachte], [A]. Op 3 oktober 2010 heeft [medeverdachte] uit Eikenstein naar [A] gebeld en zegt hij dat hij de jongen is die met haar vriend en een andere jongen in de auto zat. Hij zegt ook dat zijn spullen nog bij haar in de auto liggen. Hij noemt haar vriend [naam]. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte] zich door zijn vrienden “[verdachte]” laat noemen. Voorts heeft verdachte [verdachte] verklaard op 27 augustus 2010 niet in Zeist te zijn geweest. Uit de zendmastgegevens is gebleken dat het toestel van [verdachte] zich op 27 augustus 2010 te Zeist bevond. Alibi Verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op vrijdag 27 augustus 2010 gewoon thuis was. Hij was een paar dagen ziek thuis. Hij zou met zijn dochter bij zijn ex-vriendin op bezoek zijn geweest. Zijn vriendin [A] bevestigt dit. Deze verklaring van verdachte [verdachte] blijkt niet te kloppen, gelet op de verklaring van zijn ex-vriendin [B]. Zij heeft bij de politie namelijk verklaard dat haar dochter in het weekend van vrijdag 27 augustus tot maandag 30 augustus 2010 bij haar thuis was. Haar moeder was vrijdag 27 augustus 2010 jarig en zij was, samen met haar dochter, bij haar moeder. De rechtbank acht op basis van de zendmastgegevens en de verklaring van [B], welke haaks staat op de verklaring van verdachte, de verklaring van verdachte dat hij op 27 augustus 2010 thuis zijn zijn geweest, ongeloofwaardig. Verbandmiddelen Toen verdachte [verdachte] werd gearresteerd op 13 september 2010 constateerde politieman [verbalisant 4] dat verdachte op de achterzijde van zijn linker bovenbeen een verwonding had. Verdachte geeft als verklaring voor deze verwonding dat er een vloeibare “slak” tijdens het snijbranden op zijn been is gevallen. Hij zat op zijn hurken. Het gloeiende metaal kwam door zijn overall op zijn been terecht. Hij werkte op een zondag. Hij weet de datum niet meer. Zijn vriendin [A] verklaart dat hij door de weeks werkt en dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat het op het werk op een woensdag of donderdag was gebeurd. Tijdens de doorzoeking van zijn woning werd door verbalisant [verbalisant 5] onder het tweepersoonsbed in de slaapkamer een plastic zak aangetroffen waarin verbandmiddelen aanwezig waren. Tevens zat er bij deze verbandmiddelen een betaalbon met de datum 28 augustus 2010. Verdachte [verdachte] verklaart over deze verbandmiddelen dat zijn vriendin de keer dat hij zijn been had verbrand door de “slak” een pleister op de wond had gedaan. Omdat ze geen pleisters meer in huis hadden, heeft zijn vriendin die gehaald. Op de vraag hoe dit kan omdat die pas op 28 augustus 2010 zijn gekocht, geeft verdachte geen antwoord. Zijn vriendin verklaart dat ze de verbandmiddelen heeft gekocht om een duim van verdachte met een gaasje en betadine te behandelen en om sowieso verbandmiddelen in huis te hebben. Ze heeft ook een pleister op een wondje op zijn been gedaan. Op de vraag hoe het kan dat verdachte dat wondje in die week zou hebben opgelopen terwijl hij een paar dagen ziek was volgens zijn werkgever en verdachte zelf , zegt ze dat niet te weten. Misschien klust hij bij. Forensisch bewijs De politie heeft op een vijftal locaties voorwerpen aangetroffen, in beslag genomen en bemonsterd op sporen. Het betreft: 1. een locatie in de supermarkt (onder meer een Lidltas op de vloer in de kluisruimte) 2. een locatie net buiten de supermarkt (onder meer een zwarte sporttas - met daarin geld, geldcassettes en een geldlade -, een zwarte bivakmuts, twee zwarte petjes, een rastapruik, een stroomstootwapen (zat in de sporttas)) ; 3. een locatie een stuk van de supermarkt vandaan in de bosjes tussen kruising Sumatralaan en Jacobhuislaan, welke locatie is gelegen tussen de supermarkt en de plaats waar een getuige na de overval iemand over de schutting zag klimmen (joggingbroek) ; 4. de woning van verdachte (onder meer spijkerbroek in de wasmand) ; en 5. de woning van de medeverdachte [medeverdachte]. De sporen van de genoemde voorwerpen zijn veiliggesteld en op het dactyspoor van de Lidltas na alle door het NFI onderzocht. Verder bleek verdachte letsel aan zijn been te hebben. Ook dit is onderzocht door het NFI. De bevindingen van politie en het NFI die de rechtbank relevant vindt, zijn de volgende. - dactyspoor Lidltas; het aanvullend rapport van de politie zegt hierover: “het spoor voldoet niet aan de normen voor identificatie. Het spoor is kwalitatief onvoldoende en er is een gebrekkige samenhang in de constellatie van punten. Tevens worden de karakteristieke waarde van de punten van overeenkomst beoordeeld als matig.” Het rapport gaat verder: “Tussen het spoor en de vergelijkingsafdruk werden geen principiële verschillen aangetroffen in classificatiegegevens of afwijkingen in de constellatie van punten zodanig dat de genoemde [verdachte] als mogelijke donor kan worden uitgesloten”. Verdachtes vriendin [A] verklaart dat zij onder meer de boodschappen doet bij Lidl en de boodschappentassen van de supermarkt thuis opspaart. - een zwarte sporttas; van het celmateriaal in twee bemonsteringen van de handgreep van dit wapen werd een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] en minimaal twee andere personen terwijl de statistische berekening van de wetenschappelijke bewijswaarde van het DNA-profiel niet mogelijk is - een zwarte pet (…37NL); van het celmateriaal in de bemonstering van deze pet werd een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] en [medeverdachte] en minimaal één andere persoon, terwijl de statistische berekening van de wetenschappelijke bewijswaarde van het DNA-profiel niet mogelijk is ; - een zwarte pet (…38NL; van het celmateriaal in de bemonstering van deze pet werd een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de verdachte [medeverdachte] en minimaal twee andere personen, terwijl de statistische berekening van de wetenschappelijke bewijswaarde van het DNA-profiel niet mogelijk is - een zwarte bivakmuts gevonden net buiten de supermarkt; van 2 sporen kan het onderzochte celmateriaal afkomstig zijn van de verdachte [medeverdachte], terwijl de berekende frequentie van het autosomaal DNA-profiel kleiner is dan 1 op 1 miljard - een rastapruik ; van 1 spoor kan het onderzochte celmateriaal afkomstig zijn van de verdachte [verdachte] en minimaal twee andere personen (niet [medeverdachte]), terwijl de statistische berekening van de wetenschappelijke bewijswaarde van het autosomaal DNA-profiel niet mogelijk is ; het celmateriaal in twee van de op de pruik aangetroffen haren kan op grond van vergelijkend mtDNA-onderzoek afkomstig zijn van de verdachte [verdachte]; die profielen matchen niet met de mtDNA-profielen van de medeverdachte [medeverdachte]; de beide mtDNA-profielen matchen wel met elkaar en met de 5 mtDNA-profielen van de haarsporen van de joggingbroek; Bij de vergelijking van het gevonden mtDNA-profiel met de profielen uit de EMPOP-databank van de internationale forensische werkgroep die zich bezighoudt met mtDNA-onderzoek , blijkt dat dit mtDNA-profiel één keer voorkomt. Ter zitting verklaart de deskundige Kloosterman – zakelijk weergegeven - dat dit staat voor een relatief grote bewijswaarde maar dat dit op zichzelf niet voldoende is om vast te stellen dat dit celmateriaal daadwerkelijk van verdachte is.. - een stroomstootwapen; van het celmateriaal in de bemonstering van de handgreep van dit wapen werd een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] en minimaal één andere persoon terwijl de statistische berekening van de wetenschappelijke bewijswaarde van het DNA-profiel niet mogelijk is ; de politie verklaart dat als de beide gevonden delen van het stroomstootwapen aan elkaar worden gezet, het wapen lijkt op een zaklantaarn - letsel verdachte: door de forensisch arts is aangegeven dat drie huiddefecten qua fase van wondgenezing mogelijk kunnen zijn veroorzaakt op of omstreeks de datum van het genoemde schietincident. Het betreft twee oppervlakkige huidbeschadigingen aan de binnen/voorzijde van het rechter been en een ovaalvormig huiddefect aan de binnen/ achterzijde van het linker bovenbeen. Verder schrijft de deskundige dat “evenmin kan worden uitgesloten dat er letsels zijn veroorzaakt door een schietincident indien er sprake was van schampschotletsel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.