vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector Handel en Kanton Handelskamer zaaknummer / rolnummer: 283742 / HA ZA 10-644 Vonnis van 14 september 2011 in de zaak van MR. P.C. VAN AS in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RECLAME & ZO B.V., kantoorhoudende te Nieuwegein, eiser in het verzet, advocaat mr. L.C. de Jager te Hoofddorp, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST UTRECHT-GOOI, zetelend te Utrecht, gedaagde in het verzet, advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam. Partijen zullen hierna de curator en de Ontvanger genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 juli 2010 - het proces-verbaal van comparitie van 2 december 2010 - de aktes van de curator - de aktes van de Ontvanger. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. De Belastingdienst Utrecht-Gooi heeft over het jaar 2009 diverse naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffing opgelegd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reclame & Zo B.V. (hierna: Reclame & Zo), oplopend tot een bedrag van ruim EUR 200.000,00. 2.2. Op 3 juni 2009, 14 augustus 2009 en 11 november 2009 heeft de Ontvanger terzake van deze aanslagen dwangbevelen uitgevaardigd (hierna mede te noemen: de dwangbevelen). 2.3. Op 14 augustus 2009 en 26 november 2009 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd terzake van de onder 2.2 bedoelde dwangbevelen op roerende zaken van Reclame & Zo. Daarbij zijn als data van openbare verkoop van de in beslag genomen zaken aangezegd: 23 september 2009 en 27 januari 2010. De openbare verkoop op 23 september 2009 is door de Ontvanger opgeschort tot (uiteindelijk) 27 januari 2010. 2.4. Bij dagvaarding van 26 januari 2010 heeft Reclame & Zo verzet ingesteld tegen de executie van de dwangbevelen. 2.5. Op 27 januari 2010 heeft openbare verkoop plaatsgevonden van de roerende zaken waarop de Ontvanger op 14 augustus 2009 en 26 november 2009 executoriaal beslag had gelegd. 2.6. Op 2 februari 2010 is Reclame & Zo failliet verklaard. Mr. P.C. van As is daarbij tot curator benoemd. 3. Het geschil 3.1. De curator vordert samengevat - het volgende: 1. dat de rechtbank voor recht verklaart dat: - de curator goed opposant is tegen de executie van de dwangbevelen, - de dwangbevelen buiten effect zijn gesteld, - er geen grond was voor doorbreking van de gewone betalingstermijn, - er geen grond was om de dwangbevelen versneld in te vorderen, - de Ontvanger jegens Reclame & Zo onrechtmatig heeft gehandeld, 2. alsmede dat de rechtbank Ontvanger veroordeelt: - tot opheffing van alle op grond van de dwangbevelen gelegde beslagen, - zich te onthouden van enige invorderingsmaatregelen terzake van de onderhavige aanslagen, - tot vergoeding van alle door het handelen van de Ontvanger veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente, - tot verval van de vervolgingskosten, - in de kosten van de procedure. 3.2. De Ontvanger voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de Ontvanger op 27 januari 2010, derhalve een dag na het aanvangen van de onderhavige verzetprocedure bij dagvaarding van 26 januari 2010, is overgegaan tot openbare verkoop van de beslagen goederen en daarmee tot executie van de dwangbevelen waarop de onderhavige verzetprocedure betrekking heeft. Dit heeft tot gevolg dat (de curator van) Reclame & Zo inmiddels bij een deel van de bij dagvaarding ingestelde vorderingen (zoals de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen) geen rechtens te respecteren belang meer heeft. Voorts heeft dit tot gevolg dat het geschil tussen partijen zich met name richt op het antwoord op de vraag of de Ontvanger zelfstandig, zonder tussenkomst van de rechter, gerechtigd was de schorsende werking die uitgaat van het aanvangen van een verzetprocedure als de onderhavige, te negeren. De rechtbank heeft partijen na de comparitie van partijen in de gelegenheid gesteld om zich daarover bij akte uit te laten, alsmede om zich uit te laten over de ten gevolge van de executie geleden schade. Van deze gelegenheid hebben partijen ook gebruik gemaakt door het nemen van aktes. Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld 4.2. Ingevolge artikel 17 lid 2 Invorderingwet 1990 (hierna: de Invorderingswet) schorst een verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Deze schorsende werking houdt in dat de Ontvanger de executie van een dwangbevel dient te staken, indien daartegen voordien verzet is ingesteld. In de jurisprudentie is daarop een uitzondering gemaakt voor het geval dat de belastingplichtige door het instellen van het verzet misbruik maakt van recht, dat wil zeggen indien hij, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij handhaving van schorsende werking van het verzet en het belang van de Ontvanger bij voortgang van de executie dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid de aan het verzet verbonden schorsing van de executie niet kan inroepen. Daarvan is sprake als het verzet, gelet op hetgeen de belastingplichtige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingplichtige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging (Hoge Raad 7 oktober 1994, NJ 1995, 411). 4.3. De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat het door Reclame & Zo ingestelde verzet inderdaad kansloos was, en dat Reclame & Zo misbruik maakte van recht door zich op de schorsende werking te beroepen. Volgens de Ontvanger moet uit het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2001, NJ 2002, 256 en de conclusie bij dat arrest van de advocaat-generaal worden afgeleid dat hij niet pas aan de schorsende werking van een verzet voorbij kan gaan nadat de rechter daarover heeft geoordeeld. De Ontvanger maakt bovendien alleen gebruik van de mogelijkheid om de schorsende werking te negeren, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: - het verzet is evident kansloos, - de Ontvanger heeft wezenlijk belang bij voortzetting van de openbare verkoop, - tussen de verzetdagvaarding en het tijdstip van executie is onvoldoende tijd voorhanden om de voorzieningenrechter te verzoeken de schorsende werking aan het verzet te ontzeggen, - de Ontvanger heeft toestemming verzocht en verkregen van het ministerie van Financiën voor het voortzetten van de executie. De Ontvanger neemt het standpunt in dat aan deze voorwaarden in het onderhavige geval is voldaan. 4.4. Volgens de curator is van misbruik van recht geen sprake en is het arrest van de Hoge Raad waarop de Ontvanger beroep doet, niet vergelijkbaar met het onderhavige geval. Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn indien de Ontvanger zonder tussenkomst van de rechter de schorsende werking van artikel 17 lid 2 Invorderingswet zou kunnen negeren, aldus de curator. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis ten aanzien van artikel 17 Invorderingswet blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om schorsende werking toe te kennen aan het instellen van verzet tegen een dwangbevel teneinde te bereiken dat de belastingplichtige (anders dan vóór die tijd) geen kort-gedingprocedure meer hoeft te voeren om de tenuitvoerlegging door de Ontvanger te stoppen. De wetgever heeft toen ook voorzien dat van een dergelijke mogelijkheid misbruik of oneigenlijk gebruik kon worden gemaakt, maar heeft dat onvoldoende geacht om de voorgenomen wetswijziging geen doorgang te doen vinden (Kamerstukken II 1988/89, 20588, nr. 9). 4.6. Indien de stelling van de Ontvanger in de onderhavige procedure, inhoudende dat hij de schorsende werking van het instellen van verzet zonder tussenkomst van de rechter kan negeren, zou worden aanvaard, zou dit betekenen dat de belastingschuldige alsnog verplicht zou worden om een kort-gedingprocedure te voeren teneinde executie door de Ontvanger te stoppen. Dit, terwijl de wetgever de schorsende werking juist in het leven heeft geroepen om dat te voorkomen en daarbij mogelijk misbruik van recht heeft onderkend. De wetsgeschiedenis pleit er derhalve tegen om aan te nemen dat de Ontvanger gerechtigd is zelfstandig, zonder tussenkomst van de rechter, de schorsende werking van een verzet terzijde te stellen. 4.7. Ook het door de Ontvanger aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2001 is onvoldoende om het standpunt van de Ontvanger in het onderhavige geval als juist te beschouwen. In dat arrest ging het om een geval waarin de Ontvanger na het instellen van verzet door de belastingplichtige en zonder vooraf de rechter om opheffing van de schorsende werking te verzoeken, beslag legde op goederen van de belastingplichtige. In cassatie stond vast: - dat dit beslag werd gelegd ter vervanging van een eerder (vóór het instellen van het verzet) gelegd beslag, - dat deze vervanging nodig was geworden door handelingen van de zijde van de belastingplichtige tot frustrering van het eerder gelegde beslag, - dat de belastingplichtige door het instellen van het verzet misbruik maakte van recht. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat het oordeel van het hof dat het bestreden beslag niet onrechtmatig behoefde te worden geoordeeld, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. 4.8. Het onderhavige geval wijkt op essentiële punten af van de casus van voormeld arrest: - in het door de Hoge Raad beoordeelde geval was sprake van frustrering door de belastingplichtige van de executie door de Ontvanger (anders dan door alleen het instellen van de verzetprocedure). De Ontvanger heeft niet gesteld dat in het onderhavige geval vergelijkbare verwijtbare handelingen aan de zijde van Reclame & Zo hebben plaatsgevonden. - in het door de Hoge Raad beoordeelde geval had de door de Hoge Raad toelaatbaar geoordeelde executiemaatregel van de Ontvanger het karakter van een conservatoire maatregel. Immers, door het opnieuw leggen van executoriaal beslag werd voorkomen dat het eerdere beslag haar werking zou verliezen en de Ontvanger bij een eventuele openbare verkoop met lege handen zou staan. In het onderhavige geval gaat het om het doorzetten van een openbare verkoop door de Ontvanger na het instellen van het verzet door Reclame & Zo. Een dergelijke executiemaatregel heeft geen conservatoir karakter, maar een definitief karakter. Door de openbare verkoop eindigt de executie van de beslagen goederen en heeft de belastingplichtige geen belang meer bij het voorzetten van de verzetprocedure, die hij nu juist had ingesteld om de openbare verkoop te voorkomen. Na het leggen van executoriaal beslag kan de toetsing van het handelen van de Ontvanger in de verzetprocedure wel gewoon doorgang vinden. Gelet op het voorgaande staat het definitieve karakter van een openbare verkoop er – naar het oordeel van de rechtbank - aan in de weg om aan te nemen dat het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 19 oktober 2001 zich ook uitstrekt over het geval dat de Ontvanger de schorsende werking wil negeren door het zonder tussenkomst van de rechter doorzetten van een openbare verkoop. 4.9. Het feit dat - volgens de Ontvanger - voldaan is aan de aan het doorzetten van de executie gestelde voorwaarden (zie onder 4.3) maakt het voorgaande niet anders. Deze voorwaarden kunnen niet gelijkgesteld worden aan de omstandigheden waaronder de Hoge Raad een executiemaatregel na het instellen van verzet tegen de executie in voormeld arrest toelaatbaar heeft geoordeeld. De wetgever heeft ervoor gekozen om in de Invorderingswet geen termijn te bepalen voor de belastingplichtige om verzet in te stellen. Dit betekent dat de belastingplichtige het recht heeft om ook de dag voorafgaande aan de openbare verkoop verzet in te stellen. Indien de belangen van de Ontvanger daardoor worden geschaad, doordat hij gedwongen wordt de openbare verkoop uit te stellen, kan hij dit niet aan de belastingplichtige tegenwerpen. Ook de overige voorwaarden die de Ontvanger aan het voortzetten van de executie verbindt (de Ontvanger heeft wezenlijk belang bij de voortzetting van de executie en er is toestemming van het Ministerie van Financiën verkregen) zijn niet vergelijkbaar met de omstandigheden die aan de orde waren in voormeld arrest. Het bestaan van een wezenlijk belang is immers al vereist om via de rechter de schorsende werking opgeheven te krijgen (zie het hiervoor vermelde arrest van 7 oktober 1994). Het vereiste van toestemming van het Ministerie van Financiën heeft geen zelfstandige betekenis, omdat deze (ook volgens de Ontvanger) alleen bedoeld is om uniformiteit van het beleid omtrent voortzetting van de executie te bewerkstelligen. De Ontvanger heeft met het stellen van de onder 4.3 bedoelde voorwaarden dan ook een te ruime uitleg gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2001, zodat een beroep op het vervuld zijn van die voorwaarden de Ontvanger niet kan baten. 4.10. Voor het standpunt van de Ontvanger valt ook geen steun te vinden in de conclusie van de advocaat-generaal bij voormeld arrest (waarop de Ontvanger zich expliciet beroept), nu ook de advocaat-generaal bepleitte dat alleen in bijzondere gevallen de Ontvanger bevoegd is de schorsende werking van het verzet te negeren: “(…) Ik zou echter willen bepleiten dat de Ontvanger wél bevoegd is de schorsende werking van het verzet te negeren in omstandigheden zoals deze zich voordoen in het onderhavige geval, dat erdoor wordt gekenmerkt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.