RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 09/1669 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. R.C.M. Klatten, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer en de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. J.A. Bijker Inleiding 1.1 Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerder eiser onder toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) per 1 januari 2009 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2 Op 31 maart 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 5 december
- 1.3 Op 26 mei 2009 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het beroep wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit. 1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2011, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld [A]. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Bij brief van 29 juni 2009 heeft eiser zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken en verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen. 2.2 Eiser heeft op 15 januari 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 december
- In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift beslist. Indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld is deze termijn tien weken. Bij het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen was eiser ervan op de hoogte dat de hoorzitting bij de Adviescommissie bezwaarschriften, na het verstrijken van de beslistermijn, zou plaatsvinden op 7 mei
- Eiser had daaruit moeten begrijpen dat verweerder niet tijdig de beslissing op het bezwaar zou nemen, maar wel binnen afzienbare termijn tot behandeling van het bezwaar zou overgaan. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 januari 2001, LJN: ZB9173, heeft eiser, door op 31 maart 2009 beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, gelet op de geplande hoorzitting, voortijdig beroep ingesteld en ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder in zoverre te veroordelen in de proceskosten. 2.3 Eiser is sinds 1 juli 2007 als huismeester in dienst bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) te Utrecht en tezamen met enkele collega’s onder meer verantwoordelijk voor het beheer, boeken controleren en uitgeven van de NS Businesscard. Uit een factuur van de NS over de periode tot en met 31 juli 2008 is gebleken dat op een NS businesscard zes reizen zijn geboekt die verweerder niet heeft kunnen plaatsen. Drie van deze reizen betreffen retourreizen van Utrecht Centraal naar Geldermalsen op woensdag 16 juli, donderdag 17 juli en zondag 20 juli 2008 voor een bedrag van € 6,34 per reis. Uit informatie van de NS is gebleken dat op 17 juli 2008 en 20 juli 2008 daadwerkelijk ook met de betreffende NS businesscard is gereisd. 2.4 Naar aanleiding van een melding dat eiser op die dagen in [woonplaats], gelegen in de omgeving van Geldermalsen, bij een collega heeft geschilderd, heeft [B] op verzoek van verweerder een integriteitonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 22 september
- In dit rapport is op basis van gesprekken met collega’s geconcludeerd dat er - zeker op zondag 20 juli 2008 - sterke aanwijzingen zijn dat eiser ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van de NS Businesscard, maar dat dit niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld. 2.5 Na zijn voornemen daartoe te hebben geuit en eisers reactie daarop te hebben ontvangen, heeft verweerder bij besluit van 5 december 2008 eiser vervolgens de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Verweerder acht, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, voldoende aannemelijk geworden dat eiser ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van de NS Businesscard. Eiser heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. De straf van ontslag acht verweerder, mede gezien de te stellen integriteiteisen, daarbij evenredig. Verweerder heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 mei
- 2.6 Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen. Artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR bepaalt dat het ontslag een disciplinaire straf is die kan worden opgelegd. 2.7 Het gestelde plichtsverzuim bestaat uit het drie maal ongeoorloofd gebruik maken van de NS Businesscard op het traject Utrecht Centraal - Geldermalsen. 2.8 Zoals voortvloeit uit de rechtspraak van de CRvB moet de rechtbank bij haar beslissing over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechtbank moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. 2.9 Verweerder heeft niet kunnen vaststellen dat de reizen door eiser zijn geboekt. Verder heeft verweerder niet met zekerheid kunnen vaststellen dat eiser de NS Businesscard heeft gebruikt, maar hij is van oordeel dat het samenstel van feiten en omstandigheden dit zeer waarschijnlijk maakt. Die feiten en omstandigheden betreffen het gegeven dat de NS Businesscard, waarop de reizen op 16, 17 en 20 juli zijn geboekt, op 7 juli 2008 bij eiser is ingeleverd; dat eiser mede met andere collega’s het beheer voerde over de NS Businesscards; dat eiser op 16, 17 en 20 juli 2008 naar het station Geldermalsen is gereisd om bij een collega [C] te [woonplaats], te klussen; de vermelding in eisers agenda op 20 juli 2008 ’11:14 11:36 Geldermalsen’ en de verklaringen van diverse personen. Verweerder acht de verklaring van eiser dat hij op zondag 20 juli 2008 met de auto op het station Geldermalsen is afgezet en daar door [D] is opgehaald tegenstrijdig met eerdere verklaringen. Zo heeft eiser eerder nimmer verklaard dat hij met de auto zou zijn gekomen maar dat hij alle drie dagen met de trein heeft gereisd; heeft [C] verklaard dat eiser op zondag met de trein naar Geldermalsen is gekomen en heeft [D] verklaard dat eiser al bij [C] was op het moment dat zij daar die zondag aankwam. Volgens verweerder blijkt ook uit het feit dat meerdere tegenstrijdige verklaringen door direct betrokkenen zijn afgelegd dat eiser niet de waarheid heeft verklaard. 2.10 De rechtbank is van oordeel, zoals ook in het integriteitrapport is geconcludeerd, dat het gegeven dat eiser met collega’s het beheer voerde over de NS Businesscard en de bewuste card op 7 juli 2008 bij hem is ingeleverd tezamen met het gegeven dat eiser op woensdag en donderdag 16 en 17 juli 2008 naar Geldermalsen is gereisd, onvoldoende grondslag vormt om op grond daarvan de overtuiging te kunnen verkrijgen dat eiser degene is geweest die de NS Businesscard op die dagen heeft gebruikt. Daarbij komt dat zelfs niet vast is komen te staan dat de NS Businesscard op 16 juli 2008 is gebruikt. 2.11 Voor wat betreft het beweerdelijk gebruik op zondag 20 juli 2008 heeft de rechtbank in de haar ter beschikking staande gespreksverslagen geen tegenstrijdige verklaringen van eiser aangetroffen. Eiser heeft consistent verklaard geen gebruik van de NS Businesscard te hebben gemaakt op die dagen. Op 19 september 2008 heeft eiser verklaard op 20 juli 2008 met de auto naar Geldermalsen te zijn gebracht, waar hij is opgehaald door [D] en haar moeder. Eerdere verklaringen van eiser dat hij op zondag de heenreis met de trein heeft gemaakt treft de rechtbank niet aan. In de aanvulling op het integriteitrapport van 13 november 2008 heeft de onderzoeker [B] vermeld dat hij de tegenstrijdigheid heeft afgeleid uit zijn gesprek [A]. Daargelaten dat het hier geen verklaring van eiser betreft, kan aan het gespreksverslag met [A] niet worden ontleend dat eiser voor de heenreis naar Geldermalsen op zondag 20 juli 2008 de trein heeft genomen. Een door [A] opgemaakt verslag van zijn gesprek met eiser, waar dit mogelijk uit zou kunnen blijken, bevindt zich niet onder de gedingstukken. Bij het integriteitrapport zijn van het gesprek met [D] een ondertekende en een niet ondertekende versie gevoegd, beide gedateerd 17 september
- In de niet ondertekende versie is als verklaring van [D] opgetekend dat zij op zondag 20 juli 2008 op de terugreis samen met eiser per trein heeft gereisd. Zij zijn toen niet gecontroleerd door de NS. Verder staat in die verklaring dat eiser al aanwezig was bij [D] toe zij daar tussen 12.00 en 13.00 uur aankwam. In de ondertekende versie heeft [D] verklaard dat zij en haar moeder eiser hebben opgehaald van het station te Geldermalsen. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen aangeven of [D] met de niet ondertekende versie bekend is en wat de reden is van het feit dat deze verklaring niet is ondertekend. Er kan dus niet van worden uitgegaan dat [D] deze verklaring heeft afgelegd. Tot tegenstrijdigheid kan dan niet worden geconcludeerd dat [C] heeft verklaard dat eiser bij hem is geweest tijdens het verhuizen. Hij weet niet precies wanneer. Ergens tussen 11 juli 2008 en 28 juli
- Doordeweeks en in het weekend. Verder heeft hij verklaard dat eiser met de trein naar Geldermalsen is gekomen. Evenals voor de dagen 16 en 17 juli 2008, heeft de rechtbank voor zondag 20 juli 2008 op basis van deze verklaringen niet de overtuiging kunnen verkrijgen dat eiser op die dag de NS Businesscard heeft gebruikt. Van tegenstrijdigheid in verklaringen, waaruit dit gebruik volgens verweerder zou moeten volgen, is de rechtbank niet gebleken. Uit de verklaringen kan worden afgeleid dat eiser op zondag 20 juli 2008 bij zijn collega [C] heeft geklust en dat hij de terugreis naar Utrecht per trein heeft ondernomen. Dat hij op die dag gebruik heeft gemaakt van de NS businesscard kan niet uit deze verklaringen worden afgeleid. 2.12 De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande niet op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging kunnen verkrijgen dat eiser op woensdag 16 juli 2008, donderdag 17 juli 2008 en zondag 20 juli 2008 van de NS Businesscard gebruik heeft gemaakt. De mogelijkheid dat eiser van de kaart gebruik heeft kunnen maken en het gegeven dat eiser bij een collega op die dagen heeft geklust waarvoor hij naar station Geldermalsen heeft gereisd, acht de rechtbank onvoldoende om die overtuiging op te baseren. Nu niet de overtuiging is verkregen dat eiser zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt, kan niet worden vastgesteld dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim op grond waarvan hij disciplinair kan worden gestraft. 2.13 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit van 26 mei 2009 wordt vernietigd. Verweerder heeft ter zitting heeft aangegeven dat hij uitputtend onderzoek heeft verricht en geen nadere onderzoeksmogelijkheden heeft of nadere onderbouwing kan leveren. Hierdoor kan de tekort schietende motivering niet worden hersteld, reden waarom de rechtbank aanleiding ziet om gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb en het primaire besluit van 5 december 2008 te herroepen. 2.14 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. 2.15 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ad € 644,-De rechtbank heeft daarbij 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en in bezwaar 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, à € 322,- per punt in aanmerking genomen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 26 mei 2009; herroept het besluit van 5 december 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 1288,- te betalen aan eiser. Aldus vastgesteld door mr. A.M. Overbeeke, als voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. G.C. van Gelein Vintringa- Boudewijnse, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli
- De griffier: De voorzitter: mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. A.M. Overbeeke afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.