RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600493-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1971] te [geboorteplaats] zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd te Nieuwegein, PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein. raadsman mr. P.D. Labee, advocaat te Amersfoort 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 november waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 op 20 november 2010 [slachtoffer] gegijzeld heeft; Feit 2 op 20 november 2010 [slachtoffer] heeft mishandeld; Feit 3 in de periode van 6 mei 2011 t/m 14 mei 2011 8,8 kilogram hennep opzettelijk voorhanden heeft gehad in een woning aan de [adres] te [woonplaats]; Feit 4 in de periode van 1 juni 2010 t/m 10 september 2010 een hennepplantage heeft gehad in een pand aan de [adres] te [woonplaats]; Feit 5 in de periode van 1 mei 2009 t/m 11 januari 2010 een hennepplantage heeft gehad in een pand aan de [adres] te [woonplaats]; Feit 6 primair: In de periode van 22 februari 2009 t/m 26 april 2010 een hennepplantage heeft gehad in een woning aan het [adres] te [woonplaats]; Subsidiair: In de periode van 22 februari 2009 t/m 26 april 2010 [getuige 1] behulpzaam is geweest bij het opbouwen van een hennepplantage in de woning aan het [adres] te [woonplaats]; Feit 7 in de periode van 22 februari 2009 t/m 10 september 2010 elektriciteit heeft gestolen. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair en 7 heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 op de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van getuige [getuige 2], de medische verklaring omtrent het letsel van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte ter zitting. Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 7, telkens op de processen-verbaal van bevindingen van de politie en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor de onder 1 tenlastegelegde feit en heeft daarvoor aangevoerd dat verdachte [slachtoffer] niet heeft gedwongen met hem mee te gaan. [slachtoffer] kon ook weglopen, op ieder moment dat hij dat zou hebben gewild. Verdachte was niet bekend met de laagbegaafdheid van [slachtoffer]. Teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de gebeurtenissen op 20 november 2010 moeten [slachtoffer], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen gehoord worden. De feiten 2 tot en met 5 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte was alleen betrokken bij het opbouwen van de hennepplantage aan het [adres] te [woonplaats], zodat hij dient te worden vrijgesproken van 6 primair en 7 voor zover het deze plantage betreft. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Ten aanzien van feiten 1 en 2 [slachtoffer] (hierna: aangever) heeft bij de politie verklaard dat hij op 20 november 2010 in Rhenen bij [getuige 1] op bezoek ging en daar verdachte ontmoette. Tevens waren [getuige 2] en [getuige 3] aanwezig. Verdachte vroeg aan aangever welke namen hij bij de politie genoemd had. Aangever noemde onder andere de naam van verdachte. Verdachte gaf aangever hierop met gebalde vuist een harde klap op zijn neus. Aangever voelde direct pijn en zag dat er bloed uit zijn neus kwam. Nadat het bloeden gestopt was vroeg aangever of hij naar huis mocht gaan, waarop verdachte zei: “Nee, je gaat nergens heen, je gaat zo met mij mee in de auto en [getuige 3] gaat mee”. Even later stond verdachte op en zei: “Nou, kom maar mee”. Verdachte zei dit op een dwingende manier. Aangever was bang dat hij opnieuw door verdachte geslagen zou worden als hij het niet zou doen en is daarom met verdachte mee gelopen. Hij durfde ook toen hij buiten was,,niet weg te lopen. Verdachte moest voorop lopen en achterin de auto plaats nemen, achter de bijrijder. [getuige 3] nam plaats voorin de auto, op de bijrijdersplaats, naast verdachte. Verdachte reed naar het bos en zei tegen aangever: “geef je telefoon maar, dat is dan vast €20,-. Aangever gaf zijn telefoon aan verdachte. Vervolgens zei verdachte: “Hoe gaan we dit oplossen?” en hoe de aangever het geld zou terugbetalen”? Aangever werd bang voor verdachte. In het bos stopte verdachte en zei hij dat aangever moest uitstappen. [getuige 3] moest in de auto blijven zitten. Nadat aangever was uitgestapt kreeg hij direct van verdachte een paar klappen in zijn gezicht. Aangever viel op de grond, kreeg nog meer klappen tegen zijn hoofd en werd ook geschopt. Hierna is verdachte in de auto gestapt en weggereden. Aangever heeft diezelfde dag nog een huisarts geconsulteerd. Die constateerde dat aangever een bloedneus had gehad en een hematoom had op de rechterzijde van de rug. Twee dagen later heeft aangever zijn verwondingen aan de politie getoond. Hij had toen 2 donkerblauwe oren, bloeduitstortingen achter beide oren, krassen op zijn linkerwang, een lichte zwelling onderaan de rug en een bloeduitstorting aan de binnenkant van de bovenlip. [A] is de persoonlijk begeleider van aangever en heeft verklaard dat aangever een licht verstandelijke beperking heeft. Zijn IQ wordt geschat op 85, maar door de combinatie met zijn traumatische verleden ligt dit lager. Op sociaal/emotioneel niveau is aangever te vergelijken met een 5/6-jarige. Aangever wil graag met iedereen vrienden zijn en is daardoor makkelijk te beïnvloeden. Dit maakt hem kwetsbaar. [getuige 3] heeft de verklaring van aangever grotendeels bevestigd. Zij verklaarde dat ze op 20 november 2010 in de woning van [getuige 1] en [getuige 2] kwam en daar ook verdachte trof. Aangever kwam ook binnen en ging naast verdachte op de bank zitten. Verdachte sloeg met zijn hand tegen de neus van aangever, waardoor hij uit zijn neus bloedde. Even later vroeg aangever hoe laat de bus ging, waarop verdachte zei: “Jij gaat niet weg, jij moet met mij mee”. Verdachte stond op en zei: “We gaan”. Hij vroeg aan [getuige 3] of hij haar thuis moest brengen, waarop [getuige 3] meeliep naar de auto van verdachte. [getuige 3] en aangever stapten in de auto van verdachte en verdachte reed naar het bos. Verdachte zei tegen aangever dat hij zijn telefoon moest afgeven, wat hij ook deed. Verdachte vroeg aan aangever hoe hij dat geld terug zou gaan betalen. Nadat de auto in het bos was geparkeerd stapten verdachte en aangever uit. [getuige 3] zag dat verdachte aangever in zijn gezicht sloeg en dat aangever op de grond viel. Even later kwam verdachte weer in de auto zitten en reed weg. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij in de woning [slachtoffer] een klap tegen zijn neus heeft gegeven, nadat [slachtoffer] had toegegeven dat hij bij de politie zijn naam had genoemd. Hij zei daarna tegen [slachtoffer] dat hij verder met hem wilde praten. Dat ging over de investering van € 35.000,- in een hennepkwekerij. Ze zijn toen in zijn auto naar het bos gereden. [getuige 3] was er ook bij. In de auto heeft hij om de telefoon van [slachtoffer] gevraagd en deze van hem aangepakt. Dit was om te voorkomen dat [slachtoffer] zou gaan bellen. In het bos heeft hij, nadat ze beiden waren uitgestapt, [slachtoffer] 4 à 5 klappen in zijn gezicht gegeven. Bewijsoverweging De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft immers aangever eerst een klap op zijn neus gegeven en hem daarna, toen aangever te kennen gaf dat hij weg wilde, gezegd dat hij met hem mee moest gaan, omdat er nog gepraat moest worden. Daarna heeft hij in de auto geëist dat aangever zijn mobiele telefoon afgaf. Met dit alles heeft verdachte en dreigende sfeer gecreëerd bij een kwetsbare en beïnvloedbare jongen, zodat aangever zich gedwongen voelde de opdrachten van verdachte op te volgen. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van aangever en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] af. De discrepantie tussen de verklaring van verdachte en de aangifte en de overige getuigenverklaring is zo klein, dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van deze getuigen. Daarnaast is steunbewijs voorhanden voor (kleine) onderdelen van de aangifte die door verdachte ontkend worden. De verklaring van aangever dat hij ook door verdachte is getrapt terwijl hij op de grond lag, vindt steun in de medische verklaring, waaruit volgt dat aangever ook letsel op zijn rug heeft. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de woorden “Ik kan je ook je eigen graf laten graven” en van het plassen over aangever nu hiervoor geen steunbewijs voorhanden is. Tevens is op grond van voornoemde bewijsmiddelen het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3.2 Opgave van bewijsmiddelen met betrekking tot feit 3 - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 november 2011; - de verklaring van verdachte [getuige 1]; - de processen-verbaal van bevindingen; 4.3.3 Opgave van bewijsmiddelen met betrekking tot feit 4 en feit 7 (voor wat betreft het adres [adres] te [woonplaats] - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 november 2011; - de processen-verbaal van bevindingen - het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 1] 4.3.4 Opgave van bewijsmiddelen met betrekking tot feit 5 en feit 7 (voor wat betreft het adres [adres] te [woonplaats] - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 november 2011; - de processen-verbaal van bevindingen; - proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 1] 4.3.5 Opgave van bewijsmiddelen met betrekking tot feit 6 subsidiair en feit 7 (voor wat betreft het adres [adres] te [woonplaats] - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 november 2011; - de processen-verbaal van bevindingen; - proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1]. Bewijsoverweging Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [getuige 1] heeft geholpen bij het opzetten van de hennepkwekerij aan het [adres] te [woonplaats]. Hij zou hebben geholpen met het aansluiten van de lampen, neerleggen van de folie, afdichten van de ruimte, het maken van voedingsschema’s en het aansluiten van de elektriciteit buiten de meter om. Op grond van deze verklaring heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen voor feit 6 primair, het medeplegen van het kweken van hennep. Op zitting heeft verdachte zijn verklaring echter gewijzigd, in die zin dat hij slechts heeft geholpen met het kweekrooster en het aansluiten van de elektriciteit buiten de meter om. De rechtbank zal de bewezenverklaring baseren op deze ter zitting afgelegde verklaring, nu er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn die de juistheid hiervan weerspreken, en op voornoemde processen-verbaal van bevindingen en de verklaring van [getuige 1]. Op grond van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 subsidiair tenlastegelegde feit, de medeplichtigheid aan het telen van hennep op voornoemd adres, heeft begaan. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank hiermede wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander de elektriciteit op het adres [adres] te [woonplaats] heeft gestolen. Vrijspraak Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu bij dit feit de deelnemingsvorm medeplegen niet is tenlastegelegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.