RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600817-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 november 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1961] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], gedetineerd voor deze zaak te P.I. Nieuwegein, Huis van Bewaring te Nieuwegein, raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1, primair: samen met een ander of anderen een auto heeft gestolen; feit 1, subsidiair: samen met een ander of anderen een auto heeft geheeld; feit 2: elektrische stroomstootwapens voorhanden heeft gehad; feit 3: samen met een ander of anderen laptops heeft geheeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende. Ten aanzien van feit 1 primair wijst de officier van justitie op de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], waaruit blijkt dat verdachte de bestuurder van de auto was en het feit dat het contactslot van het voertuig aan de draadjes volledig uit het dashboard hing. Verdachte wist dat de auto gestolen was en is er toch in gaan rijden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling. De officier van justitie vordert vrijspraak van het medeplegen. Immers kan niet worden vastgesteld of de bijrijder ervan op de hoogte was dat het een gestolen auto betrof. Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van [getuige 1]. De officier van justitie vordert vrijspraak voor feit 1 primair en feit 3, wegens onvoldoende wettig bewijs. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Ten aanzien van feit 1 primair stelt de verdediging dat niet kan worden bewezen dat verdachte de auto waarin hij werd aangetroffen heeft gestolen. Er zijn geen getuigen van de feitelijke diefstal. Voorts was verdachte niet de bestuurder van de auto. Dat verdachte als bijrijder in de auto zat, blijkt ook uit het letsel van verdachte aan de rechterzijde van zijn hoofd. Het subsidiair onder feit 1 tenlastegelegde kan volgens de verdediging eveneens niet worden bewezen. De belastende verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat verdachte de bestuurder van de auto was. Pas nadat zij de melding kregen dat er een aanrijding had plaatsgevonden, hebben zij zich naar de plek van de aanrijding begeven. Getuige [getuige 4] is de enige die bij de aanrijding aanwezig was en gezien kan hebben wie de bestuurder was. Hij vermoedt dat verdachte niet degene is die had gereden. Dat [getuige 2] en [getuige 3] verdachte aan de bestuurderskant hebben zien zitten, is denkbaar omdat verdachte mogelijk heeft geprobeerd de auto via de bestuurderskant te verlaten. Vanwege een gebrek aan bewijs verzoekt de verdediging vrijspraak van zowel het primair als subsidiair onder feit 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat er weliswaar bewijs is voor bezit van de stroomstootwapens, maar dat verdachte zelf niets wilde beginnen met die stroomstootwapens. Ten aanzien van feit 3 betoogt de verdediging dat er terecht vrijspraak wordt gevorderd voor heling van de laptops. De verklaring van [getuige 1] over de laptops vindt geen steun in het dossier. De verdediging verzoekt de rechtbank dit standpunt te volgen en verzoekt vrijspraak. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 3 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe dat er onvoldoende bewijs is om vast te kunnen stellen dat verdachte deze laptops voorhanden heeft gehad. Laat staan dat hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de laptops waren gestolen. De verklaring van [getuige 1] vindt geen steun in het dossier. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, en feit 2 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. Ten aanzien van feit 1: Op 14 augustus 2011 vindt er een aanrijding plaats op de Catharijnesingel te Utrecht. Beveiligingsmedewerker [getuige 2]krijgt hier op voornoemde datum om 02:45 uur een melding van en gaat direct ter plaatse. [getuige 2] ziet een rode Ford Escort, welke met de voorzijde tegen een aantal betonnen blokken is gereden. Ook ziet hij dat de bestuurder nog achter het stuur zit. De bestuurder is blank en heeft blond haar. Enkele ogenblikken later, wanneer de politie arriveert, ziet [getuige 2] dat de bestuurder ineens op de bijrijderstoel zit. Ook beveiligingsmedewerker [getuige 3] krijgt omstreeks 02:47 uur een melding van de aanrijding op de Catherijnesingel te Utrecht. Ter plaatse ziet [getuige 3] net als [getuige 2] een persoon achter het stuur zitten. Het betrof een blanke man met donkerblond haar. Ongeveer een minuut later ziet [getuige 3] dat deze man niet langer op de bestuurdersplek zat, maar op de bijrijderstoel. Wanneer de politie ter plaatse komt, ziet zij een rode Ford Escort met kenteken [kenteken] met de voorzijde tegen een betonblok staan. Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat verdachte met zijn zitvlak op de bestuurdersstoel zit en dat zijn benen over het middenconsole hangen. [verbalisant 1] ziet vervolgens dat verdachte over het middenconsole heen klimt, waardoor hij volledig op de bijrijderstoel terecht komt. De verbalisanten zien dat het contactslot van voornoemde personenauto volledig aan draadjes uit het dashboard hangt. Verbalisant [verbalisant 2] ziet een slotentrekker op de achterbank liggen. Na onderzoek blijkt dat het om een gestolen auto gaat. Van deze autodiefstal is aangifte gedaan door [benadeelde]. Hij verklaart dat hij zijn auto had geparkeerd voor zijn woning aan de [adres] te Utrecht en afgesloten had achtergelaten. Aangever zag zijn auto voor het laatst op 13 augustus 2011 om 21:00 uur. De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte zich op 14 augustus 2011 omstreeks 02:45 uur als bestuurder in de van diefstal afkomstige Ford Escort van [benadeelde] bevond. De alternatieve verklaring van verdachte dat hij als bijrijder bij een bekende in de auto is gestapt en na de aanrijding zich van de bijrijderstoel naar de bestuurderstoel heeft verplaatst, acht de rechtbank zeer onaannemelijk, gelet op bovengenoemde getuigenverklaringen, de bevindingen van de politie en het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte waarom hij na de aanrijding op de bestuurderstoel zat, terwijl hij niet de auto niet zou hebben bestuurd. Getuige [getuige 4] kan niet met zekerheid zeggen dat verdachte de bijrijder was. Hij verklaart slechts dat hij “vermoedt” dat verdachte de auto niet heeft bestuurd. Dit is niet voldoende om de verklaring van verdachte te onderbouwen. Gezien het tijdstip van de aanrijding en het tijdstip waarop aangever voor het laatst zijn auto heeft gezien, kan worden aangenomen dat de diefstal tussen 13 augustus 2011 21:00 uur en 14 augustus 2011 02:45 uur heeft plaatsgevonden. Op 14 augustus 2011 omstreeks 02:45 uur wordt verdachte als bestuurder in de weggenomen auto aangetroffen op de Catharijnesingel te Utrecht Het tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van verdachte als bestuurder in de weggenomen auto bedraagt maximaal zes uur. Gelet op de korte tijdspanne tussen de autodiefstal en het aantreffen van verdachte in de gestolen auto, en de onaannemelijke verklaring van verdachte dat hij slechts een lift kreeg in deze auto, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze auto heeft gestolen. Er is geen aanwijzing dat verdachte de diefstal samen met anderen heeft gepleegd; de rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van medeplegen. Ten aanzien van feit 2: Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het feit bewezen gelet op: - Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 87 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2011179319 van de politie Utrecht; - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.