RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600252-11 en 05/517324-08 (TUL) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juli 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1983] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein, raadsvrouw mr. M.P. Hilhorst, advocate te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: op 14 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een auto heeft gepoogd [slachtoffer 1], diens echtgenote en pasgeboren kind te doden, althans zwaar te mishandelen. Feit 2: Primair: op 14 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een auto heeft gepoogd één of meer onbekend gebleven personen te doden, althans zwaar te mishandelen. Subsidiair: op 14 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een auto een of meer onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. Feit 3: Primair: op 14 maart 2011 te Utrecht een hoeveelheid benzine heeft gestolen, ter waarde van 127,24 euro, toebehorende aan Texaco. Subsidiair: op 14 maart 2011 te Utrecht voornoemde benzine heeft verduisterd. Feit 4: op 14 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg heeft gehinderd. Feit 5: op 14 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een auto heeft deelgenomen aan het verkeer zonder dat hem daartoe een rijbewijs was afgegeven. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 3 De voorvragen De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 1: De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie baseert zich daarbij op feiten en omstandigheden zoals deze gebleken zijn uit de aanwezige bewijsmiddelen. Met betrekking tot de aanrijding van de auto, met daarin [slachtoffer 1], zijn echtgenote en hun pasgeboren kind, kan volgens de officier van justitie worden gesteld dat de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van verdachtes rijgedrag en de daardoor veroorzaakte aanrijding aanmerkelijk was. De officier van justitie neemt hierbij de omstandigheden van het geval in aanmerking, waaronder door verdachte ter plaatse gereden snelheid, het feit dat aan verdachte nooit een rijbewijs is afgegeven, de door een getuige waargenomen harde klap van de aanrijding door verdachte met het voertuig van voornoemde [slachtoffer 1] en het onverwacht van achteren benaderen van het voertuig van [slachtoffer 1]. Tevens wijst de officier van justitie erop, dat verdachte op een drukke weg reed in de ochtendspits. De officier van justitie is van mening dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat voornoemde personen door zijn rijgedrag zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen. Het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] en zijn gezin acht de officier van justitie niet bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood van deze personen. Hierbij neemt de officier van justitie in aanmerking dat verdachte met een snelheid van ongeveer 60 km/uur tegen de rechterachterzijde van de stilstaande auto van [slachtoffer 1] is gereden. De officier van justitie heeft op grond van het voorgaande gevorderd de verdachte van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrij te spreken. Feit 2: Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen kan worden. De officier van justitie stelt dat verdachte met zijn rijgedrag voorwaardelijk opzet had op de dood van meerdere weggebruikers op en nabij de Amsterdamsestraatweg. De officier van justitie wijst op de feitelijke gedragingen en de omstandigheden van het geval. Verdachte reed in een auto met een snelheid van ten minste 80 km/uur, waarbij enkele hem tegemoetkomende auto’s tijdens zijn inhaalmanoeuvres moesten uitwijken. Meerdere voetgangers moesten wegspringen om een aanrijding te voorkomen. Verdachte bleef doorrijden, zelfs toen zijn motorkap omhoog stond en hij twee betonnen paaltjes uit de grond had gereden. De officier van justitie stelt, dat de kans op een aanrijding met dodelijke afloop bij het ‘bijna’ aanrijden van voetgangers met een dermate hoge snelheid aanmerkelijk is. Feit 3: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. De officier van justitie voert hiertoe aan dat verdachte, na te hebben getankt, tegenover een medewerker van het tankstation deed alsof hij geld zocht en daarbij een portemonnee en een pas tevoorschijn haalde, terwijl hij anderzijds direct aangaf geen geld bij zich te hebben. De officier van justitie is van mening dat, indien een persoon een aanzienlijke hoeveelheid (i.c. 74,89 liter) benzine tankt, hij in zijn algemeenheid zich er – in ieder geval tijdens het tanken – van vergewist dat hij over voldoende geld beschikt om die benzine te betalen. Het duurt immers enige tijd om deze liters benzine te tanken. De officier van justitie acht in dit verband tevens de justitiële documentatie van verdachte van belang. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Feit 4: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 ten laste gelegde gevaarzetting. De officier van justitie stelt dat verdachte, als bestuurder van een auto, op roekeloze wijze heeft deelgenomen aan het verkeer, waardoor voetgangers moesten wegspringen, auto’s moesten uitwijken, een stadbus abrupt moest remmen en er meerdere botsingen werden veroorzaakt. Feit 5: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 5, daar is komen vast te staan dat daartoe aan verdachte nooit een rijbewijs is afgegeven. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit 1: De raadsvrouw verzoekt om vrijspraak van het impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde. Zij voert daartoe aan dat verdachte niet met zodanige snelheid heeft gereden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en zijn gezin. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat verdachte een dergelijke kans bewust heeft aanvaard. Verdachte reed ongeveer 50 tot 60 km/uur op het moment dat hij enkele bromfietsen raakte. Vervolgens probeerde hij de auto van [slachtoffer 1] te ontwijken. Verdachte heeft daarbij geremd, hetgeen zou blijken uit zichtbare remsporen op straat. Verdachte heeft derhalve geprobeerd de botsing te voorkomen. Feit 2: De raadsvrouw verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw voert daartoe aan dat de verklaringen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zekerheid bieden over wat er precies is gebeurd. Er zijn geen verklaringen van de betrokken voetgangers, die steun geven aan de constateringen uit de andere bewijsmiddelen. De raadsvrouw voegt daaraan toe dat verdachte, ondanks het op enig moment omhoog staan van zijn motorkap, nog een behoorlijk zicht had op de weg en het verkeer. Feit 3: De raadsvrouw. geeft aan dat verdachte van plan was om de getankte benzine te betalen. Er is naar het oordeel van de raadsvrouw dan ook geen sprake van diefstal, maar hooguit van verduistering van de benzine. Feit 4: Ten aanzien van feit 4 geeft de raadsvrouw aan dat wordt getwijfeld aan de nauwkeurigheid van de verklaringen van de verbalisanten. Feit 5: Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde Ten aanzien van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten is op grond van na te noemen bewijsmiddelen het volgende komen vast te staan: Op 14 maart 2011 tankte verdachte omstreeks 08:45 uur voor een bedrag van 127,24 euro benzine bij het Texaco tankstation aan de Vondellaan 1 B te Utrecht. Bij de balie van het tankstation maakte verdachte drukke bewegingen met zijn handen. Hij pakte uit één van zijn zakken een soort portemonnee en haalde hieruit een pas. Verdachte gaf vervolgens aan de pompbediende aan dat hij geen geld bij zich had. Nadat de pompbediende hem daarop vertelde dat hij had gezien dat de auto van verdachte vermoedelijk niet verzekerd was en dat verdachte moest betalen, omdat hij anders de politie zou bellen, liep verdachte naar zijn auto en hij reed zonder te hebben betaald hard weg. Verdachte verklaart hierover dat hij geen rijbewijs heeft en dat de auto niet was verzekerd. Hij dacht daarom bij zichzelf: “Ik moet weg van hier.” Bij de politie kwam kort daarna de melding binnen dat er iemand zonder te betalen had getankt bij de Texaco, gevestigd aan de Vondellaan te Utrecht. Het voertuig waarin de persoon zou zijn weggereden, betrof een personenauto van het merk Audi, type A8, kleur blauw, en voorzien van het kenteken [kenteken]. Verbalisanten zagen deze personenauto omstreeks 08:53 uur ter hoogte van het Westplein rijden en gaven de bestuurder, zijnde verdachte, ter hoogte van de Daalsetunnel een stopteken. Op het moment dat verdachte zich realiseerde dat hij door de politie werd achtervolgd, gaf hij vol gas en hij sloeg op de vlucht. Verbalisanten zagen dat verdachte op de rotonde in de richting van de Amsterdamsestraatweg het overige verkeer afsneed. Verdachte negeerde vervolgens het rode verkeerslicht op de rotonde van het Paardenplein en de Kruising Weerdsingel Westzijde, waarna hij de Amsterdamsestraatweg inreed. Verbalisanten zagen dat hun snelheidsmeter 50 km/uur aangaf, terwijl de afstand tussen het politievoertuig en de verdachte snel groter werd. Hierop schakelden verbalisanten de optische geluidsignalen van de politieauto in. Verdachte werd op de Amsterdamsestraatweg opgehouden door stilstaand verkeer in de richting van Maarssen. Hij reed vervolgens op de andere weghelft in tegengestelde rijrichting. Enkele tegemoetkomende personenauto’s moesten hierdoor voor verdachte uitwijken, teneinde een aanrijding te voorkomen. Verbalisanten zagen dat hun snelheidsmeter inmiddels 80 km/uur aangaf en dat verdachte nog steeds op hen uitliep. De toegestane snelheid op de Amsterdamsestraatweg is maximaal 50 km/uur. Verbalisanten zagen meerdere voetgangers bij diverse oversteekplaatsen de Amsterdamsestraatweg oversteken. Deze voetgangers moesten wegspringen om niet door de verdachte te worden geraakt. Verbalisanten zagen dat er veel verkeer op de Amsterdamsestraatweg reed, waaronder stadsbussen, personenauto’s en (brom)fietsers. Ter hoogte van de Acaciastraat zagen verbalisanten een stadsbus rijden, komende uit de richting van Maarssen en gaande in de richting van het centrum van Utrecht. Verdachte reed toen nog steeds in tegengestelde richting en haalde meerdere voertuigen in. De chauffeur van de stadsbus stopte abrupt en verbalisanten namen waar dat de voorzijde van de stadsbus naar beneden bewoog. Aan de rechterzijde van de Amsterdamsestraatweg, ter hoogte van een bromfietsenzaak, stonden diverse bromfietsen op het trottoir. Nadat verdachte voor de stadsbus was uitgeweken, zagen verbalisanten dat hij het trottoir op reed. Verdachte ramde diverse op het trottoir geparkeerde bromfietsen. Er vlogen bromfietsen in de lucht en deze belandden op het trottoir. De eigenaar van de bromfietsenwinkel hoorde een politiesirene en een luide knal. Toen hij naar buiten liep, zag hij dat zes van zijn scooters waren beschadigd. Vervolgens zagen verbalisanten verdachte tegen een grijskleurige personenauto botsen, waardoor deze naar voren schoof. Verbalisanten namen waar dat de auto forse schade had. Getuige [getuige] verklaart hierover dat zij zag dat de Audi, toen deze half over het trottoir reed en de geparkeerde bromfietsen ramde, geen vaart minderde en vervolgens tegen de stilstaande personenauto aan reed. In deze personenauto – een Ford Galaxy met kenteken [kenteken] – zaten op dat moment drie personen, te weten: dhr. [slachtoffer 1], zijn echtgenote en hun pasgeboren kind. Verdachte reed na deze botsing via een afgesloten fietspad het trottoir op. Verbalisanten namen waar dat de motorkap van de auto omhoog schoot, waardoor verdachte op dat moment niet meer goed door zijn voorruit kon kijken. Verdachte reed via het trottoir rechtsaf de Mimosastraat in. Vervolgens reed hij twee betonnen paaltjes uit de grond. Verbalisanten zagen dat verdachte zijn snelheid opvoerde. Diverse onbekend gebleven voetgangers moesten op de Mimosastraat opzij springen om niet door verdachte te worden geraakt. Verdachte reed in de richting van de Royaards van den Hamkade. De snelheid op de boordmeter van de politieauto gaf op dat moment 50 km/uur aan. Verbalisanten namen waar dat verdachte snel op hen uitliep en dat de afstand tussen de auto van verdachte en hun dienstvoertuig snel groter werd. Op het trottoir bevonden zich meerdere voetgangers. Verbalisanten zagen dat verdachte ternauwernood een tegemoetkomende fietser miste. Hierna sloeg verdachte vanaf de Royaards van den Hamkade linksaf, de Ahornstraat in. Daarna sloeg hij direct linksaf de Amandelstraat in. Verdachte kwam bij een drempel op de Amandelstraat met de vier wielen van zijn auto los van de grond. Verbalisanten zagen vonken aan de onderkant van verdachtes auto. De snelheidsmeter van hun dienstvoertuig gaf op dat moment 50 km/uur aan en verdachte liep snel op hen uit. Verdachte reed vervolgens met hoge snelheid in de richting van de Laan van Chatroise. De achtervolging werd vanaf dat moment overgenomen door twee andere politieambtenaren. Deze verbalisanten zagen verdachte met hoge snelheid over de Laan van Chartroise rijden. Verdachte vervolgde zijn weg in de richting van de Marnixlaan. De snelheidsmeter van het dienstvoertuig van verbalisanten gaf 90 km/uur aan, terwijl de politieauto nog niet op verdachte inliep. Vervolgens namen verbalisanten waar dat verdachte hard remde en daarna weer hard optrok. Verdachte reed vervolgens op de Kloosterlaan, de Nieuwlichtstraat en het Wijnbesplantsoen. Gedurende deze achtervolging stond de motorkap van verdachtes auto nog steeds omhoog, waardoor hij zeer beperkt zicht had. Ook liep de auto van verdachte nog steeds vooruit op die van de verbalisanten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de route die de verbalisanten in hun processen-verbaal hebben beschreven inderdaad door hem is afgelegd tijdens zijn vlucht voor de politie. Verdachte heeft voorts verklaard dat de motorkap van zijn auto gedurende de rit omhoog heeft gestaan vanaf het moment dat deze ter hoogte van de Mimosastraat omhoog schoot. Bovendien heeft hij verklaard dat hij tijdens zijn vlucht merkte dat hij tegen diverse objecten aanbotste, maar dat hij niet direct door had waartegen hij was gereden. Deze botsingen weerhielden hem er naar eigen zeggen niet van door te rijden. Op 14 maart 2011 om 10.14 uur is van verdachte bloed afgenomen. Het resultaat van een daarop volgend toxicologisch onderzoek door het NFI luidt dat de gemeten concentratie van THC in verdachtes bloed hoger is dan de grensconcentratie, zodat verdachtes rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig was beïnvloed. 4.3.2 Algemene overwegingen met betrekking tot het bewijs Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van (de resultaten van) het onderzoek en de verklaringen van de politieambtenaren en de diverse getuigen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de bevindingen van verbalisanten niet alleen steun vinden in de diverse getuigenverklaringen, maar ook in verdachtes eigen verklaring dat hij op de vlucht was voor de politie, dat hij de route heeft afgelegd, zoals deze door de verbalisanten is beschreven, waarbij hij gedurende een gedeelte van zijn vlucht heeft gereden met een omhoogstaande motorkap en tegen diverse objecten is gebotst. Ook overigens heeft de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen. Voor zover hierna niet uitdrukkelijk wordt ingegaan op de namens verdachte aangevoerde bewijsverweren, geven zij naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding tot een afzonderlijke bespreking. Deze bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen. 4.3.3 Vrijspraak van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde De rechtbank acht het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Met de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat op grond van de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en/of één of meer van zijn gezinsleden, die zich tijdens de aanrijding door verdachte in de stilstaande auto bevonden. 4.3.4 Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde Ten aanzien van de feiten 1 en 4: De rechtbank acht de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en zijn gezin wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat verdachte op zeer onverantwoorde wijze is gevlucht voor de politie. Verdachte heeft een stopteken van de politie genegeerd, vervolgens diverse gevaarlijke verkeerssituaties veroorzaakt en, ondanks een botsing met enkele geparkeerde scooters, zijn vlucht onverminderd voortgezet. Verdachte is vervolgens tegen een stilstaande personenauto met drie inzittenden gereden. De rechtbank overweegt in dit verband dat, anders dan door de raadsvrouw is aangevoerd, niet aannemelijk is geworden dat verdachte sterk heeft geremd om een aanrijding met de personenauto van dhr. [slachtoffer 1] te voorkomen. Ook het standpunt van de verdediging dat verdachte is uitgeweken in een poging om een aanrijding te voorkomen, is niet aannemelijk geworden. Daar komt bij dat verdachte zich door zijn zeer roekeloze rijgedrag – hard rijden, tegen de rijrichting in, gedeeltelijk over het trottoir waardoor diverse verkeersdeelnemers moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen – in een positie heeft gemanoeuvreerd waarin zelfs remmen geen verandering in de situatie teweeg zou hebben gebracht. Uit dit gedrag kan niet anders volgen dan dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een (ernstig) ongeval en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de inzittenden van de stilstaande auto. Verdachte heeft die kans bewust aanvaard. Hij wilde immers koste wat kost de politie van zich afschudden en hield daarbij nergens anders rekening mee, zelfs niet met zijn eigen veiligheid. Ten aanzien van de feiten 2 en 4: De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank oordeelt dat op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals vervat in de bewijsmiddelen, is komen vast te staan dat verdachte meermalen bijna een aanrijding heeft veroorzaakt met andere hem tegemoetkomende personenauto’s, alsmede met zwakkere verkeersdeelnemers, te weten: een fietser en diverse voetgangers. Verdachte heeft op de vlucht voor de politie, zonder te beschikken over een rijbewijs, rijdende in een onverzekerde personenauto, terwijl hij onder invloed verkeerde van verdovende middelen, met een hogere snelheid dan was toegestaan in tegengestelde rijrichting over de Amsterdamsestraatweg gereden, waardoor tegemoetkomende personenauto’s voor verdachte moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Op diverse oversteekplaatsen moesten voetgangers wegspringen om niet door verdachtes auto te worden geraakt. De motorkap van de auto van verdachte schoot omhoog, waardoor hij zeer beperkt zicht had door zijn voorruit. Dat weerhield hem er niet van zijn vlucht te vervolgen. Opnieuw moesten diverse voetgangers wegspringen om niet te worden aangereden door verdachte. Ook raakte verdachte bijna een tegemoetkomende fietser. Verdachte heeft ter terechtzitting en tegenover de politie weliswaar verklaard dat hij enerzijds in paniek was en niet doelbewust mensen heeft willen aanrijden, maar anderzijds dat hij heeft gezien dat er een politieauto achter hem aanreed en dat hij bewust risico’s heeft genomen om weg te komen en niet te worden aangehouden. Verdachte heeft na de diverse aanrijdingen niets ondernomen om te bewerkstelligen dat aan eventuele slachtoffers hulp zou worden geboden en is telkens doorgereden. Hieruit kan worden afgeleid dat de gevolgen van zijn rijgedrag hem kennelijk onverschillig lieten. Verdachte heeft met zijn rijgedrag ook zichzelf in gevaar gebracht en dat gevaar kennelijk op de koop toegenomen. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd met de bewijsmiddelen – dat verdachte dusdanig gevaarlijk heeft gereden dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat personen zijn rijgedrag met de dood moesten bekopen. Ten aanzien van feit 3: De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde feit op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op het moment dat verdachte is weggereden van het tankstation was er nog geen overeenkomst met de pompbediende tot stand gekomen. Verdachte heeft, na te hebben getankt, aan de pompbediende te kennen gegeven dat hij geen geld bij zich had. De pompbediende gaf verdachte vervolgens te kennen dat hij tot de ontdekking was gekomen dat verdachtes auto vermoedelijk onverzekerd was en dat hij, als verdachte de getankte benzine niet direct zou betalen, de politie zou bellen. Verdachte is vervolgens weggelopen en hard met zijn auto weggereden, naar eigen zeggen uit paniek omdat hij niet over een rijbewijs beschikte en zijn auto niet verzekerd was. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte op dat moment van plan was om alsnog geld te halen en de benzine te betalen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het door verdachte zich wederrechtelijk toe-eigenen van de benzine. Ten aanzien van feit 5: De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen, en met name ook de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 tenlastegelegde. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.