RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummers: SBR 11/1213 en SBR 11/1214 uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heli Holland Air Service B.V., te Emmer Compascuum, verzoekster, over de besluiten van Gedeputeerde Staten van Utrecht (GS), verweerder, Inleiding 1.1 Bij besluit van 3 januari 2011 heeft verweerder aan verzoekster voor het jaar 2011 een generieke ontheffing verleend van het verbod om buiten een luchthaven te landen en/of op te stijgen van nog nader te bepalen locaties in de provincie Utrecht voor maximaal 2x2 vliegbewegingen, op maximaal 12 vliegdagen per jaar per locatie, verminderd met het aantal reeds op de locatie verleende vliegdagen, waarbij voldaan moet zijn aan de in deze ontheffing en in de Regeling veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen opgesomde voorwaarden (hierna aangeduid als de generieke ontheffing). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1213. 1.2 Bij besluit van 4 april 2011 heeft verweerder besloten de door verzoekster gevraagde ontheffing om op 30 april 2011 met helikopters maximaal 80 rondvluchten, zijnde 160 vliegbewegingen, uit te voeren op een gedeelte van een weiland nabij Overstek in Kamerik te weigeren (hierna aangeduid als de locatiegebonden weigering). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1214. 1.3 De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 20 april 2011, waar namens verzoekster zijn verschenen [A] (directeur/eigenaar) en [B], bijgestaan door mr. R. Klarus, advocaat te Emmen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D] (geluidsspecialist), beiden werkzaam bij de provincie Utrecht. Overwegingen 2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter dient derhalve na te gaan of er sprake is van spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Ten aanzien van de generieke ontheffing (SBR 11/1213) 2.2 Uit de gedingstukken leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder het besluit over de generieke ontheffing heeft genomen op 3 januari 2011 en aan verzoekster heeft verzonden op 13 januari 2011. Verzoekster heeft vervolgens tot 13 april 2011, derhalve drie maanden, gewacht met het indienen van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van verzoekster het spoedeisend belang concreet te onderbouwen. Daarbij vormt een bijzondere omstandigheid dat verweerder ter zitting heeft verklaard - hetgeen door verzoekster niet is weersproken - dat de voor 2011 verleende generieke ontheffing gelijkluidend is aan die voor 2010, waartegen verzoekster destijds niet is opgekomen. 2.3 De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang ten aanzien van de generieke ontheffing in het verzoekschrift niet is gemotiveerd. Dat, zoals de gemachtigde ter zitting heeft verklaard, verzoekster ieder moment kan worden geconfronteerd met een weigering een aangevraagde vlucht toe te staan, acht de voorzieningenrechter onvoldoende concreet (gemaakt). Daarbij komt dat deze mogelijkheid al bestaat sinds het moment dat het besluit genomen is en verzoekster desalniettemin drie maanden heeft gewacht met het indienen van het verzoek, terwijl de mogelijke gevolgen van het besluit ook op grond van de over 2010 verstrekte generieke ontheffing al calculeerbaar en kenbaar waren. Verzoekster heeft voor dit talmen geen bevredigende verklaring verschaft. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een spoedeisend belang zoals is bepaald in artikel 8:81 van de Awb. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de generieke ontheffing. Evenmin bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Ten aanzien van de locatiegebonden weigering (SBR 11/1214) 2.4 Wat betreft dit besluit van 4 april 2011 staat de spoedeisendheid niet ter discussie, nu het gaat om een weigering om op 30 april 2011 maximaal 80 rondvluchten uit te mogen voeren. 2.5 Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.6 Op grond van artikel 8.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart is het verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven. Op grond van artikel 8a.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart kunnen GS voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein ontheffing verlenen van dit verbod (de zogenaamde TUG-ontheffing). Op grond van het tweede lid van dit artikel kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Op grond van het derde lid van dit artikel worden bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels gesteld over: a. het terrein; b. de wijze waarop het terrein wordt gebruikt; c. de termijn waarbinnen GS een besluit nemen op de aanvraag; d. de wijze waarop Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de burgemeester van de gemeente waarin het terrein ligt, worden betrokken bij het verlenen van de ontheffing en bij het gebruik van het terrein. 2.7 De in het derde lid van voornoemd artikel bedoelde regeling is de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van 27 oktober 2009 (Staatscourant 2009 nr. 16336, 30 oktober 2009, verder: de Regeling). Artikel 24, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt dat een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een helikopter en het gebruik hiervan, onverminderd het bepaalde in § 2, voldoen aan de eis dat het terrein verder dan 50 meter van aaneengesloten woonbebouwing is gelegen. Artikel 35, derde lid, van de Regeling bepaalt dat de houder van de ontheffing ten minste 24 uur voor de dag dat het terrein zal worden gebruikt dit voornemen schriftelijk of per e-mail meldt aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt. 2.8 Op 26 oktober 2009 hebben Provinciale Staten van Utrecht het Beleidskader voor het aanwijzen van locaties voor luchtvaartterreinen en ballonopstapplaatsen in de provincie Utrecht (verder: Luchtvaartnota provincie Utrecht) vastgesteld. 2.9 Voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen, die niet aangewezen zijn als luchtvaartterrein, is in de Luchtvaartnota provincie Utrecht onder meer het volgende opgenomen: “Gemotoriseerde luchtvaart, bijvoorbeeld een helikopterlanding binnen 500 m van woningen is alleen toegestaan indien is aangetoond dat het piekniveau bij de woning of andere geluidsgevoelige bestemming niet meer is dan 70 dB(A) Lmax gedurende de dagperiode (van 7.00 - 19.00 uur) en 65 dB(A) Lmax gedurende de avondperiode (19.00-23.00 uur). In een door Gedeputeerde Staten vast te stellen beleidsnotitie zal dit beleid nader worden uitgewerkt. (…)” 2.10 De in de Luchtvaartnota provincie Utrecht bedoelde beleidsnotitie wordt gevormd door de ‘Beleidsregels ontheffingen tijdelijk en uitzonderlijk gebruik luchtvaart provincie Utrecht’ (verder: de Beleidsregels) van 3 november 2009. Op grond van artikel 2 van de Beleidsregels onderscheiden GS twee soorten TUG-ontheffingen: 1. een generieke ontheffing voor meerdere terreinen binnen de provincie Utrecht, met een melding 24 uur van te voren voor maximaal 2x2-vluchten, voor maximaal 12 dagen per jaar per terrein, af te geven voor maximaal 12 maanden; 2. een locatiegebonden ontheffing voor bijvoorbeeld evenementen en projecten voor meerdere starts en/of landingen op één dag, maar wel met een maximum van 12 dagen per jaar per terrein. Ingevolge artikel 4 van de Beleidsregels worden bij het beoordelen van een aanvraag voor een ontheffing in ieder geval de volgende inhoudelijke criteria bij de afweging betrokken: • belang van aanvrager (economisch, vervoerstechnisch); • gemotoriseerd of ongemotoriseerd luchtvaartuig; • belang van omwonenden, geluidbelasting; • belang voor natuur en milieu in omgeving, in het bijzonder EHS, Natura2000, natuurbeschermingswetgebieden, stiltegebieden en broedseizoen; • verkeersaantrekkende werking. 2.11 Verzoekster betoogt allereerst dat GS niet de bevoegdheid toekomt om in de Beleidsregels strengere eisen te stellen dan die zijn opgenomen in de Regeling. De door GS opgestelde Beleidsregels moeten naar haar mening dan ook buiten toepassing worden gelaten, in ieder geval voor zover zij strengere bepalingen bevatten dan de Regeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontlenen GS hun bevoegdheid rechtstreeks aan artikel 8a.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Met deze regelgeving worden uitdrukkelijk taken en bevoegdheden naar het provinciaal bestuur gedecentraliseerd (TK 2005-2006, 30452). Aan verweerder komt bij de toepassing van artikel 8a.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart gelet op de formulering ervan waarbij van een kan-bepaling sprake is, beleidsvrijheid toe die naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet is beperkt tot de marges die in de Regeling zijn gesteld, welke haar grondslag vindt in het derde lid van artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart en de bepalingen waarvan alleen toezien op de orde en de veiligheid van (het gebruik van) luchthavens en terreinen. De Beleidsregels zijn vastgesteld met betrekking tot de uitoefening van de aan GS op grond van de Wet luchtvaart gedelegeerde bevoegdheid. Het betoog dat de Beleidsregels onverbindend zijn omdat daarmee de reikwijdte van de bevoegdheid van GS is overschreden faalt dan ook. 2.12 De vraag of GS met de vaststelling van de Beleidsregels de grenzen van een redelijke beleidsvorming hebben overschreden of dat de Beleidsregels strijdig zijn met enig beginsel van behoorlijk bestuur beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. GS hebben in de Beleidsregels opgenomen dat bij het beoordelen van een aanvraag om een TUG-ontheffing zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de afwegingen uit de Luchtvaartnota provincie Utrecht. Gelet op onder meer het belang van omwonenden en geluidsoverlast is gemotoriseerde luchtvaart binnen 500 meter van woningen alleen toegestaan indien is aangetoond dat het piekniveau bij de woning of andere geluidsgevoelige bestemming niet meer is dan 70 dB(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.