RECHTBANK ARNHEM, zitting houdende te Utrecht Sector strafrecht parketnummer: 05/720507-10; 16/712364-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 januari 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1973] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats] raadsman mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: valse bekeuringen heeft uitgeschreven; Feit 2 primair: in zijn functie als hoofdagent van politie geïnd geld van bekeuringen niet heeft afgedragen; Feit 2 subsidiair: personen die hij heeft bekeurd, heeft opgelicht; Feit 3 primair: personen die hij heeft bekeurd, heeft opgelicht; Feit 3 subsidiair: in zijn functie als hoofdagent van politie geïnd geld van bekeuringen niet heeft afgedragen. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat bij het forensisch onderzoek ter zake van handschriftvergelijking grove fouten zijn gemaakt bij de selectie van het te onderzoeken materiaal. Het forensisch onderzoek is niet objectief en geeft blijk van tunnelvisie bij de personen die met het opsporingsonderzoek waren belast. Het onderzoek had louter het doel cliënt als verdachte te positioneren. Een en ander is een zodanig verzuim dat niet langer sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Dit kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Hiervoor is alleen plaats als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut naar het handschrift op de aan verdachte toegeschreven bekeuringen is gebaseerd op een voorselectie van een aantal bekeuringen, die door verdachte zouden kunnen zijn uitgeschreven. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat door de wijze van uitvoering van de voorselectie, vormen in het voorbereidend onderzoek zijn verzuimd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde. Van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging is daarom geen sprake. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging is. De rechtbank acht geen reden aanwezig voor schorsing van de vervolging. De rechtbank merkt daarbij echter wel op dat het in de rede had gelegen en wenselijk zou zijn geweest dat de opdracht aan het Nederlands Forensisch Instituut tot handschriftvergelijkend onderzoek ruimer was geweest, er meer onderzoeksmateriaal was aangeboden en het onderzoek niet gericht zou zijn geweest op een al dan niet bevestiging van het handschrift van verdachte. De rechtbank volstaat met deze constatering nu voornoemde gang van zaken niet is aan te merken als een grove of doelbewuste veronachtzaming van de rechten van verdachte. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 1 tenlastegelegde met uitzondering van de bekeuringen die zijn uitgeschreven aan [A] en [B] omdat daar geen dienstnummer op is ingevuld dan wel dat dit dienstnummer onleesbaar is. De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair onder feit 2 en primair onder feit 3 tenlastegelegde. De officier van justitie baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij onder meer op hetgeen als argumentatie is aangevoerd zoals onder 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.