RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/440312-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 januari 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1975] te [geboorteplaats] (België) wonende te [woonplaats], [adres] raadsman mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 19 november 2008 tot en met 20 maart 2010 te Utrecht samen met (een) ander(en) een hennepkwekerij heeft gehad; feit 2: op 22 maart 2010 te Utrecht 150 hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het door de politie verrichte onderzoek, de warmtemeting en de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte vrij te spreken. De verdediging voert daartoe het volgende aan. Primair stelt zij zich op het standpunt dat het binnentreden van het pand dat verdachte huurde onrechtmatig is geweest en dat al het onderzoek dat hieruit is voortgevloeid dient te worden uitgesloten van het bewijs. De M-Melding en de warmtemeting alleen waren naar de mening van de verdediging te weinig om zonder machtiging, binnen te treden. De warmtemeting is niet door de politie zelf -maar door Stedin Netbeheer- gedaan. Deze meting is daardoor onvoldoende controleerbaar en betrouwbaar. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd dient te worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte is, voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie, niet gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Indien verdachte voorafgaand aan het verhoor wel een advocaat had geraadpleegd, dan had hij geen bekennende verklaring afgelegd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. Ten aanzien van het binnentreden De verdediging heeft aangevoerd dat het binnentreden van het bedrijfspand dat verdachte huurde onrechtmatig is geweest en dat al het onderzoek dat hieruit is voortgevloeid dient te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Het bedrijfspand dat verdachte huurde is binnengetreden op basis van artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet. Op basis van deze bepaling hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat daar zodanige overtreding wordt gepleegd. Dit is een ruimere bevoegdheid dan die het Wetboek van Strafvordering schept. In het onderhavige geval komt op 20 maart 2010 een M-melding binnen die als zeer specifiek moet worden geduid. Naar aanleiding daarvan wordt Stedin - dat verantwoordelijk is voor het elektriciteitstransport in de gemeente Utrecht en krachtens convenant met die gemeente samenwerkt bij het opsporen van energiediefstal bij hennepkwekerijen - verzocht een warmterapportage te maken. De raadsman werpt de vraag op in hoeverre conclusies aan deze rapportage kunnen worden verbonden, nu er geen vergelijkende meting van buurpanden heeft plaatsgevonden en derhalve niet verifieerbaar is of de gemeten 20 graden Celsius (gemeten om 20.17 en 20.28 uur) onderscheidend is. Bovendien blijkt niet uit de rapportage of de gebruikte apparatuur geijkt is. De rechtbank stelt vast dat uit genoemde rapportage en met name de bijgesloten kleurenfoto’s duidelijk blijkt van een warmteconcentratie in het betreffende pand. Deze constatering op zichzelf is onvoldoende voor de conclusie dat zich in het pand daadwerkelijk een hennepkwekerij bevindt, doch ondersteunt in ruim voldoende mate genoemde M-melding, en wel in zodanige mate dat dit zonder meer een redelijk vermoeden van aanwezigheid van een hennepkwekerij oplevert. Het binnentreden in het pand was dan ook rechtmatig. Ten aanzien van het verhoor van verdachte De verdediging heeft aangevoerd dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat hij voorafgaand aan dat verhoor niet is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 juni 2009 (LJN BH3079) uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - met name de uitspraak van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 - afgeleid dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om, voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. In onderhavige zaak is verdachte door de politie op het politiebureau ontboden. Verdachte is naar aanleiding daarvan vrijwillig op het politiebureau verschenen voor het afleggen van een verklaring. De Salduz-norm is in deze zaak dus niet van toepassing, omdat er geen sprake was van een aanhouding van verdachte en er dus geen dwangsituatie aanwezig was. Ten aanzien van het bewijs Op 24 maart 2010 is een pand aan de [adres] te [woonplaats] binnengetreden. Het pand bestond uit meerdere ruimten. In één van de ruimten werd een in werking zijnde kwekerij met 150 hennepplanten aangetroffen. In een andere ruimte werd een kwekerij aangetroffen zonder hennepplanten. Uit hetgeen verdachte ter zake heeft verklaard blijkt dat de kwekerij zich ook al op 22 maart 2010 (de datum in de tenlastelegging) in dit pand bevond. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de hennepkwekerij heeft aangelegd en in gebruik heeft genomen in januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.