RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600866-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 februari 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1969] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], thans verblijvende in de PI Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem. raadsman: mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 28 november 2011 en 13 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 primair: meermalen heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door krachtig haar keel dicht te knijpen; feit 1 subsidiair: [slachtoffer] heeft bedreigd en/of [slachtoffer] heeft mishandeld door krachtig haar keel dicht te knijpen; feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te schoppen/(met een kussen) te slaan; feit 3: [verbalisant], politieagente, heeft mishandeld door haar te schoppen; feit 4: [verbalisant] mondeling heeft bedreigd. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (primair) ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden, te weten dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdediging verwijst hiertoe naar de verklaring van [slachtoffer] dat zij niet het idee had dat verdachte haar probeerde te vermoorden. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 2 en 3 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging nog aangevoerd dat verdachte wellicht de agent heeft geraakt bij het naar achteren stappen. Het opzet op het achteruit trappen ontbreekt. Over een bewezenverklaring van feit 4 heeft de verdediging zich niet uitgelaten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feiten 1 en 2 De rechtbank acht op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door met kracht haar keel dicht te knijpen. Voorts acht de rechtbank bewezen dat hij haar mishandeld heeft. Bewijs [slachtoffer] heeft op 29 augustus 2011 in [woonplaats] aangifte gedaan van diverse geweldsincidenten die door verdachte tegen haar zijn gepleegd, en ze heeft daar in een verhoor op 30 augustus een aanvulling op gegeven. Chronologisch vinden eerst de handelingen met betrekking tot feit 2 plaats. Omdat feit 2 de aanloop geeft naar feit 1 en de rechtbank de omstandigheden waaronder feit 2 gepleegd zijn mede van belang acht voor de bewezenverklaring van feit 1, zal de rechtbank de feiten ook in deze volgorde -eerst feit 2, dan feit 1- bespreken. Feit 2 [slachtoffer] was op 29 augustus 2011 met verdachte in haar woning te [woonplaats]. Zij zag dat verdachte erg boos was en voelde dat hij haar stevig vast pakte bij haar armen. Dit deed erg pijn. Verdachte schold en schreeuwde enorm tegen [slachtoffer]. Hierna voelde [slachtoffer] dat verdachte haar met kracht en opzettelijk tegen haar linkerbovenbeen schopte. Nadat zij door verdachte op de bank was gegooid voelde [slachtoffer] dat verdachte een kussen onder haar wegtrok. Kort hierna sloeg verdachte haar hard met dit kussen. Dit was een zwaar kussen en dit deed erg pijn. [slachtoffer] hoorde haar nek kraken en zij was op dat moment erg bang. Feit 1 primair Vervolgens voelde [slachtoffer] dat verdachte op haar kwam zitten en dat hij zijn rechterarm om haar keel/nek deed. [slachtoffer] voelde dat hij aanspande, want zij kon al moeilijker ademen. Op dit moment zag [slachtoffer] dat haar dochter, [getuige], de woonkamer binnenkwam en dat zij meteen begon te schreeuwen dat verdachte haar moeder los moest laten. [slachtoffer] voelde dat verdachte haar losliet en zag dat hij opstond en naar [getuige] toeliep. [getuige] en verdachte hebben de kamer verlaten. [slachtoffer] verklaart verder dat verdachte, kort daarna de kamer weer is ingekomen. Hij begon te schreeuwen, rende hij op [slachtoffer] af en pakte met kracht haar gezicht vast. Hij schreeuwde tegen haar. Hierop voelde en zag [slachtoffer] dat verdachte met zijn rechterhand haar keel vast pakte en tegelijkertijd met kracht en opzet haar keel dicht kneep. Verdachte zei: “Ik maak je dood, hartstikke dood kankerhoer.” [slachtoffer] was bang dat verdachte haar ook echt dood wilde en ging maken. Verdachte keek heel eng uit zijn ogen. [slachtoffer] voelde dat verdachte haar keel steeds harder en steviger dichtkneep. [slachtoffer] kreeg erg moeilijk adem en werd nog banger dan zij al was. Verdachte wurgde haar met zijn duim en zijn vingers. Met zijn duimen drukte hij haar luchtpijp gedurende ongeveer 60 seconden dicht. Dit deed veel pijn. Ze kon op dat moment helemaal niet meer ademen. Ze werd erg benauwd en denkt dat als hij op dat moment haar nog een paar seconden langer had gewurgd, ze buiten westen was geraakt. Ineens hoorde [slachtoffer] iemand hard de trap oplopen en een mannenstem die heel hard riep: “politie”. Verdachte sprong van haar af en ging op de bankleuning zitten. De ter plaatse gekomen politieagente [verbalisant] ziet verdachte in de woonkamer op de leuning van een bank zitten en ziet aangeefster voorovergebogen op de bank zitten. Ze horen aangeefster zeggen: “Hij maakt me dood” en ziet dat aangeefster haar handen bij haar keel houdt en diep adem haalt. [verbalisant] ziet dat aangeefster steeds over haar keel wrijft. Verdachte wordt aangehouden maar werkt niet mee aan de aanhouding en blijft zich richting aangeefster en haar dochter wenden en schreeuwt naar hen. Uiteindelijk voelt de politie zich genoodzaakt geweld tegen verdachte te gebruiken. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 29 augustus 2011 haar moeder hoorde schreeuwen. Ook hoorde zij verdachte schreeuwen dat haar moeder een kankerwijf was. De [getuige] zag haar moeder in de woonkamer op de bank liggen en zag verdachte boven op haar liggen. De [getuige] hoorde haar moeder naar adem happen. De [getuige] is naar buiten gegaan en heeft de politie gebeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard [slachtoffer] ‘een schop onder haar kont te hebben gegeven’ en haar met een zwaar kussen te hebben geslagen. Ook heeft verdachte verklaard de keel van [slachtoffer] te hebben dichtgeknepen. Hij heeft met twee vingers haar luchtpijp vastgehouden. Verdachte hoorde een rochelend geluid uit haar keel komen en heeft een beetje geduwd. Feit 1 primair Bewijsoverweging Op grond van bovenstaande (met betrekking tot feit 2 en feit 1 primair) komt de rechtbank tot het oordeel dat is bewezen dat verdachte schuldig is aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Dit leidt de rechtbank af uit de gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Het gedrag van verdachte werd omgeven door een enorme boosheid. Een boosheid die zich verbaal en fysiek richtte op aangeefster, maar ook nog voortduurde toen de politie was gearriveerd richting verbalisanten. Het opzet op de dood ligt besloten in de aard van de gedraging, namelijk het tot twee maal toe met kracht de keel(luchtpijp) van aangeefster dichtknijpen en voor langere tijd dichtgeknepen houden, zodanig dat aangeefster geen lucht meer kreeg. Dit gedrag is naar het oordeel van de rechtbank gericht op de dood van het slachtoffer. Dit wordt nog ondersteund door het gelijktijdig roepen van verdachte dat hij aangeefster ‘hartstikke dood’ maakt en de voortdurende boosheid van verdachte. Feit 1 primair Nadere overweging Verdachte heeft verklaard dat hij niet gezegd zou hebben dat hij [slachtoffer] zou doodmaken. Hij zou zijn zelfbeheersing ‘even’ hebben verloren, maar wel degelijk hebben geweten wat hij deed. Anders had verdachte haar keel wel helemaal dichtgeknepen. Toen verdachte de politie hoorde aankomen was hij al gestopt, aldus verdachte. De rechtbank acht dit uit eigen beweging stoppen zoals verdachte stelt niet aannemelijk. Dit met name gelet op de aangifte, waarin aangeefster kort na het gebeurde tegenover de politie verklaart dat ze bang was dat verdachte haar echt dood wilde maken en dat verdachte pas stopte op het moment dat de haar dochter binnenkwam en daarna pas op het moment dat de politie de trap op kwam lopen en zich kenbaar maakte. Een dag later had aangeefster niet (meer) het idee dat verdachte haar probeerde te vermoorden, maar ze geeft in de aanvullende verklaring wel een concrete aanvulling van de kracht en de duur van de verwurging, welke passen bij een poging doodslag. De rechtbank gaat voor wat betreft het moment dat verdachte stopte met de verwurging uit van de juistheid van de aangifte. De stelling van verdachte dat hij ‘even’ zijn zelfbeheersing verloor maar wel wist wat hij deed acht de rechtbank niet geloofwaardig. Ten aanzien van feiten 3 en 4 De rechtbank acht op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verbalisant] heeft mishandeld en bedreigd. Feiten 3 en 4 Hoofdagent [verbalisant] is met haar collega [verbalisant 2] ter plaatse gegaan na de melding de melding van huiselijk geweld. In de woning van verdachte en [slachtoffer] in [woonplaats] is verdachte vervolgens aangehouden en hij heeft zich hiertegen verzet. [verbalisant] heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging met de dood door verdachte. [verbalisant] heeft verklaard dat, nadat zij verdachte had medegedeeld dat hij was aangehouden, hij zich verzette waardoor [verbalisant] en [verbalisant 2] geweld moesten gebruiken om dit verzet te staken. Op het moment dat [verbalisant] achter verdachte stond om hem de trap af te begeleiden, voelde zij ineens een trap tegen haar rechteronderbeen. Toen [verbalisant] naar beneden keek, zag zij dat verdachte nogmaals kennelijk met opzet en kracht trapte en haar onderbeen wederom raakte. Door de kracht van de trap schoot haar been naar achteren. Bij de politieauto aangekomen, hoorde [verbalisant] verdachte tegen haar schreeuwen: “Jij moet je bek houden, anders schop ik jou ook hartstikke dood.” Gezien al het verzet dat verdachte had geboden en deze bedreiging met de dood, had [verbalisant] het idee dat verdachte dit ook daadwerkelijk ging doen. [verbalisant] voelde zich hierdoor bedreigd. [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij verdachte [verbalisant] een schop zag geven. Hij zag dat verdachte dit kennelijk en met opzet deed door met zijn rechterbeen tegen haar rechterbeen te schoppen. [verbalisant 2] zag dat [verbalisant] werd geraakt ter hoogte van haar knie. Door de kracht van de schop schoot het been van [verbalisant] naar achteren. Aangekomen bij de politieauto hoorde [verbalisant 2] verdachte tegen [verbalisant] zeggen: “Je moet je kop houden! Anders schop ik jou ook dood!”. Feit 3 Bewijsoverweging Hoewel uit het dossier niet blijkt dat [verbalisant] door de trap van verdachte pijn of letsel heeft ondervonden, is de rechtbank van oordeel dat gezien de kracht waarmee verdachte heeft getrapt, [verbalisant] in ieder geval pijn moet hebben ondervonden, hetgeen zij dan ook bewezen acht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.